Eeuwig droef aan de Taag

De fado is het lied van Lissabon. Eric van den Berg en fotograaf Joost van den Broek voelen de saudade in de volkswijken....

Wie naar fado luistert, stopt met eten. Het licht dimt, een dame nadert het midden van het restaurant, mes neer, vork neer, de bacalhao a la brasa moet drie nummers wachten, en het applaus daarna zal luid zijn, voor de 84-jarige zangeres, voor haar Portugal, voor haar Lissabon, voor de Taag die erdoorheen stroomt. Voor haar weemoed.

Dat is wat de fado, dat gedragen levenslied, voor Argentina Santos altijd is geweest: het gevoel van de stad, van wat had kunnen zijn, het verlangen, de melancholie. Ze zingt nog steeds, iets minder vaak dan vroeger toen ze hier als twintiger begon, maar nog even intens – ‘tot haar stem zeer doet’.

Elke avond is Argentina te vinden bij de ingang van Parreirinha de Alfama, het restaurant dat in 1950 het hare werd. Ze zit aan een tafeltje bij de deur; het lijkt alsof je haar 20 eurocent moet geven voordat je naar de wc mag. Maar eigenlijk waakt ze over haar eigen cd’s die te koop liggen, over de andere artiesten die optreden, en over het eten, want laat daar geen misverstand over bestaan: Argentina is vóór alles kok.

Zo nu en dan, als ze haar avond heeft, stapt ze zelf naar voren. Drie nummers en daarna kunnen de serveersters, gekleed in witte schorten met grote strik, weer van tafel naar tafel schuiven. Argentina schrijdt terug naar de ingang.

Ze is van ‘de traditionele school’. Geen moderne teksten dus. ‘Hier blijft alles hetzelfde’, zegt ze in een half woordje Engels. ‘De meeste liedjes zijn 50 jaar oud of meer, en die blijven we zingen.’ Begeleid door een viola en natuurlijk de guitarra portuguesa, een peervormige twaalfsnarige gitaar. Geen hele band, nee zeg, ‘dat is geen fado’.

Argentina is een de laatse diva’s – nog van de generatie Amália, de Rainha do Fado. Er is een hoop veranderd, ja, ze schudt haar hoofd. Met de nieuwe generatie heeft ze niet zo veel: Mariza, de grootste ster van het moment, maar ook Cristina Branco, vooral beroemd in de lage landen – ‘ze hebben prachtige stemmen, maar ik voel er zo weinig bij’.

De nieuwe generatie, die eet vanavond bijvoorbeeld in Bica do Sapato, een hip restaurant waar je uitkijkt over de Taag, en niet zo weemoedig als verloren zielen dat doen in oude fado’s. Hier eet vanavond Cristina Branco (1972), die in Almeirim woont, haar geboortedorp op een uur rijden van Lissabon, met haar vriend Tiago en haar zoontje Martim. Ze is een paar maanden vrij van optredens; ze zal binnenkort bevallen van haar tweede.

Ze nuttigt een drankje in de bar van Saõ Luiz, een zaal in Lissabon waar ze begin vorig jaar nog heeft opgetreden, en dan gaat ze laat op de avond naar haar favoriete fadohuis in Alfama, Mesa de Frades. ‘Veel jonge mensen daar’, zegt ze. ‘Het is heel bohémien.’

Wat bij haar past. Vrouw van deze tijd. Die al bezig was journalist te worden, maar op haar 18de besloot toch maar voor de fado te kiezen nadat ze een plaat van Amália Rodrigues had gehoord. ‘Ik ben een nomade. Ik reis veel, doe soms enkel mijn was thuis. De fado gaat over vandaag, over nu. Of over mezelf.’

Toch, de connectie met de stad, hoe weinig ze er ook is, blijft. ‘Het maakt niet uit waar je bent. Het gaat om het gevoel dat je oproept. Je staat hier op het puntje van het continent, met je rug naar Europa, vanaf deze plek zijn de grote ontdekkingsreizen begonnen. Het gaat om een plek waar je je rustig voelt. Dat kan op een van de zeven heuvelen zijn of bij de rivier. Het is toch altijd weer die rivier.’

Zij het wel dat het melancholisch uitkijken over de Taag er niet gemakkelijker op is geworden. Drukke avenidas scheiden stad en water; daar steek je niet zomaar over. Voor een veilig uitzicht op de Brug van de 25ste April kun je tegenwoordig beter naar de Docas, voormalige scheepsdokken met bars en terrassen. Of anders naar winkelwijk Chiado, die is te bereiken met de beroemde Lift van Santa Justa, in de stijl van Eiffel. Of pak tram 28 naar het kasteel op de andere heuvel, het Castelo São Jorge, precies tussen de fadowijken Mouraria en Alfama in.

Ook zonder rivier aan je voeten: de fado is een lied van de stad, zoals de fado is geboren.

Of de muziek oorspronkelijk van de Moren kwam, of van de Portugese zeelieden die de Braziliaanse slaven hadden horen zingen, of zelfs al in de Middeleeuwen bestond – niemand weet het zeker. Wel dat hier, in de volkswijken Alfama en Mouraria, uiteindelijk ergens begin 19de eeuw een lied ontstond dat fado ging heten, naar het Latijnse fatum, wat staat voor ‘het lot’.

Wie nu door de smalle straatjes van Alfama loopt – trap op trap af, bocht om, straat omhoog, steeg omlaag – ziet oude vrouwen vis kopen in een klein zaakje en mannen een bica drinken, de extreem sterke espresso. Tekenen van fado bespeur je niet meteen, behalve dan op met stift beschreven borden als Tonight we have show time fado bij de Alfama Grill, een van de vele toeristische fadorestaurants.

De fado is een lied van de nacht, van het donker. Figuurlijk ook. De fado is eigenlijk het lied van de schaduwzijde van de maatschappij, een uitlaatklep in tijden van crisis. Zeemannen, werklozen, criminelen, prostituees – zij waren de eerste fadistas. Voor een echte fado (en misschien nog wat anders) kon je in een bordeel terecht. Een echte fadozanger droeg tatoeages.

Intellectuelen vonden het maar niks. Was dit nu de trots van Portugal? Later grepen dictators in: zij wilden geen teksten die op enig protest zouden kunnen lijken. Ruim 45 jaar, tot aan de Anjerrevolutie van 1974, het einde van de dictatuur van António de Oliveira Salazar en later Marcello Caetano, heeft de fado onder strikte censuur gestaan.

Stille getuigen zijn terug te vinden in het Museu do Fado, tegenover het restaurant van Argentina Santos. Krantenartikelen, instrumenten, filmbeelden, schilderijen, teksten en gedichten eren en verklaren er de fado. Sara Pereira, directeur van het museum: ‘Veel liederen lijken misschien wel te gaan over de zee en het verlangen naar een geliefde, maar het gaat ook over het verlangen naar het oude Portugal. Je kon het soms opvatten als een protest tegen de dictatuur.’

Eén fado was redelijk expliciet. Abandono, uit 1959: ‘Por teu livre pensamento / Foram-te longe encerrar’ (Voor je vrije gedachte / Hebben ze je gevangen gezet).’

Het lied is nooit verboden. ‘Misschien omdat het Amália was’, zegt de museumdirecteur. Amália Rodrigues, de fadokoningin die het land in tranen stortte toen ze in 1999 stierf. Zij was het die de fado naar het Olympia en Carnegie Hall bracht, zij had de fado status gegeven met teksten van dichters als Luís de Camões, Fernando Pessoa en David Mourão-Ferreira.

En omdat de fado ook recyclet, en vaak ook over de fado en fadista zelf gaat, komen deze namen terug in de repertoires van nieuwe fadozangeressen. Mariza (1973) eindigt al haar concerten met een nummer van Amália, Ó gente da minha terra. En zegt tegen haar publiek: ‘Eindelijk begrijp ik dat ik de droefheid die in mij zit van jullie allemaal heb.’

Ook Cristina Branco, die onlangs nog op toernee was met een zeskoppige band, zingt nog steeds af en toe Pessoa of Camões. Maar inspiratie vond zij nog meer in Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936), de schrijver, dichter en scheepsarts die meermalen zou aanmeren in Lissabon. ‘Hij is de eerste geweest die me heeft laten realiseren wat het is om Portugees te te zijn. Die droefheid, ik begreep het echt.’

Een gedicht van hem heet Fado en wérd een fado. ‘Of ben ik droef omdat ik traag ben / Nooit de wijde wereld inga / Alleen Lisboa van bij de Taag ken / En ook daar voor niemand besta.’

Weer Lissabon, weer dat gevoel dat de Portugezen saudade noemen. Het is een gevoel van weemoed, zoiets als een licht fatalistische melancholie. Het is een verlangen naar iets dat nooit zal komen of al geschiedenis is: misschien naar het Lissabon van voor de catastrofale aardbeving van 1755, misschien naar het grote Portugese rijk uit de tijd van Vasco da Gama.

Branco: ‘Saudade? Toevallig hebben de Portugezen er één woord voor gevonden, maar iederéén voelt het. Ik. Jij. Een gevoel van teruggaan naar je geliefde land, dat is het. Zo exotisch zijn we nu ook weer niet.’

Argentina (84) zegt: ‘Ik voel het niet. Ze is te jong.’

Cristina (36) zegt: ‘Alles wat wij nu maken, zal uiteindelijk allemaal fado worden genoemd.’

Ze zegt het aan de oevers van de Taag, altijd weer die Taag, langs de weg naar Belém, een buitenwijk aan de westzijde van de stad. Daar staat het kolossale 16de-eeuwse Jerónimosklooster, waar onder anderen Camões en Vasco da Gama liggen begraven. Lissabonners en toeristen pakken tram 15, halen een beroemd gebakje bij de Antiga Confeitaria de Belém, waarna ze oversteken naar het 50 meter hoge Monument van de Ontdekkingen. Daar kijken alle gebeeldhouwde helden uit de glorietijd uit over water. Richting ver, richting vroeger. Naar wat ooit was.

Meer over