boekrecensie

Eerherstel voor de Weimarrepubliek ★★★★☆

Volgens de gangbare opvatting was de Weimarrepubliek een schakel in de keten van rampzalige gebeurtenissen die wel móesten culmineren in de Shoah. Patrick Dassen maakt overtuigend duidelijk dat het democratisch experiment zeer wel had kunnen slagen. Sterker: het ís alsnog geslaagd – als Duitse Bondsrepubliek.

Sander van Walsum
null Beeld Avalon Nuovo
Beeld Avalon Nuovo

Friedrich Ebert, de eerste president van de Weimarrepubliek, moet wel een van de minst fortuinlijke staatslieden uit de geschiedenis zijn geweest. Hij kwam aan de macht onder een uiterst ongunstig gesternte: na de Duitse nederlaag in 1918, waarop het gros van zijn landgenoten mentaal absoluut niet was voorbereid, en een revolutie die hij als rechtgeaard democraat niet had gewild. Sterker: hij haatte de revolutie als ‘de zonde’ en had in Duitsland liever een constitutionele monarchie zien ontstaan dan een republiek.

Toch heeft Ebert als leider van de grootste fractie in de Rijksdag, de sociaaldemocratische SPD, de ongewenste republiek naar beste vermogen gediend. Dat betekende dat hij zich eerst moest verweren tegen de communisten, de zelfverklaarde uitvoerders van de wereldrevolutie waarvan de zegetocht een jaar eerder in Rusland was begonnen. Daartoe ging Ebert een duivelspact aan met representanten van het ancien régime, en met de (overwegend) rechts-nationalistische vrijkorpsen. Daarmee vervreemdde hij zichzelf van delen van de eigen achterban, versterkte hij de revolutionaire ijver van de communisten maar verwierf hij niet de loyaliteit van meer behoudende Duitsers.

Ebert was (van 1919 tot zijn dood in 1925) een staatshoofd met maar heel weinig toegewijde onderdanen. En tijdens zijn presidentschap moest de Weimarrepubliek het hoofd bieden aan existentiële dreigingen: couppogingen van uiterst links en uiterst rechts (zoals de ‘Bierkellerputsch’ van Adolf Hitler in 1923), honderden politieke moorden, gebiedsamputaties als gevolg van het onzalige vredesverdrag van Versailles, de bezetting van het Ruhrgebied door Franse (en Belgische) troepen, economische rampspoed en een verwoestende inflatie die de Duitsers tot op de huidige dag heugt. Zoete vruchten van zijn inspanningen ten dienste van de republiek heeft Ebert niet kunnen plukken: hij overleed in februari 1925 op 54-jarige leeftijd, uitgeput door de vijandschap en de verdachtmakingen die hem ten deel waren gevallen.

Zelfs in 2003 ontbrak zijn naam nog op de lijst van tweehonderd ‘grootste Duitsers aller tijden’ die de televisiezender ZDF na raadpleging van de kijkers had samengesteld. In zijn boek De Weimarrepubliek kan Patrick Dassen, verbonden aan de Universiteit Leiden, zijn verbazing over de geringe waardering voor Ebert nauwelijks verhullen. Onder belabberde omstandigheden heeft hij – eerst als voorzitter van de voorlopige regering, later als rijkspresident – tenslotte ‘indrukwekkende resultaten’ geboekt. Het is mede aan zijn matigende invloed te danken dat de novemberrevolutie een betrekkelijk vreedzaam verloop had. Pas vanaf de jaarwisseling 1918-’19 ontketenden de extremen aan beide zijden van het politieke spectrum een heilloze geweldsspiraal. Niettemin wisten de middenpartijen bij de eerste vrije verkiezingen, in januari 1919, ruim 76 procent van de stemmen de vergaren – een resultaat dat ze nadien overigens nooit meer zouden evenaren.

Verder wist de Raad van Volkscommissarissen (de voorlopige regering) de staatkundige eenheid van Duitsland te bewaren, behoedde ze ’s lands economie voor de totale ineenstorting, en vond het gros van de 8 miljoen gedemobiliseerde soldaten weer werk. En toen de Weimarrepubliek haar grootste beproevingen had doorstaan, overleed het staatshoofd. Dat Ebert nochtans ontbreekt op de erelijst van grootste Duitsers hangt samen met het feit dat de Weimarrepubliek niet de waardering heeft gekregen die ze volgens Dassen verdient. Volgens de gangbare opvatting – die met name door Duitse historici vastberaden is uitgedragen – vormde de Weimarrepubliek een schakel in de keten van rampzalige gebeurtenissen die wel móésten culmineren in de Shoah. Als onderdeel van de Duitse lotsbestemming, de Sonderweg, was de republiek gedoemd te mislukken, en is ze in de historiografie gereduceerd tot intermezzo tussen keizerrijk en Hitler-dictatuur.

Tot voor kort getuigde het van academische moed om met die zienswijze te breken. Het is geen toeval dat een juist verguisde historicus – Ernst Nolte, de aanstichter van de Historikerstreit – het in 2006 heeft aangedurfd om de Weimarrepubliek te herwaarderen als voorganger van de Bondsrepubliek. Als een beloftevol experiment dat jammerlijk mislukte, maar dat evengoed had kunnen slagen. Dassen betoogt, op bijna 800 pagina’s, ongeveer hetzelfde – al legt hij daarbij meer stilistische zwier aan de dag dan Nolte destijds, en put hij uit een rijkere documentatie.

Dassen voert niet alleen verzachtende omstandigheden aan voor het falen van het democratisch experiment, maar wijst ook op de kracht en de vitaliteit van de Weimarrepubliek. Daarvan getuigden een moderne grondwet (waarmee de stichters van de Bondsrepubliek later hun voordeel hebben gedaan), de sociale wetgeving, de bloeiende economie in de tweede helft van de jaren twintig, de toenadering – onder aanvoering van de langjarige minister van Buitenlandse Zaken Gustav Stresemann – tot de vroegere vijanden van Duitsland, de 2,5 miljoen woningen die tijdens de veertien Weimar-jaren werden gebouwd, de ontwikkeling van Berlijn tot het culturele hart van Europa, en de emancipatiebewegingen die tot wasdom kwamen.

Vrijwel nergens werden zoveel ‘gemengde huwelijken’, tussen Joden en niet-Joodse Duitsers, gesloten als in de Weimarrepubliek. Niets duidde er tijdens de jaren twintig op dat de grootste massamoord uit de geschiedenis van Duitse makelij zou zijn. Zelfs Winston Churchill, die zich doorgaans niet overgaf aan een overspannen optimisme, zag in 1929 de contouren van een nieuwe, vreedzame wereldorde – niet in de laatste plaats vanwege de Frans-Duitse verzoening.

Zelfs toen reactionaire politici als Franz von Papen en Kurt von Schleicher zich, met behulp van rijkspresident Paul von Hindenburg, meester hadden gemaakt van de republiek, was de machtsovername van Hitler nog te vermijden geweest. Bijvoorbeeld als de communisten hadden onderkend dat niet de sociaaldemocraten – ‘sociaalfascisten’, in hun jargon – hun grootste vijanden waren, maar de nationaalsocialisten. Ook met de kennis van toen had een gelegenheidscoalitie van communisten en sociaaldemocraten alleszins voor de hand gelegen. Maar deze logica is de Weimarrepubliek op een cruciaal moment onthouden. Op voorspraak van Moskou.

null Beeld Van Oorschot
Beeld Van Oorschot

Patrick Dassen: De Weimarrepubliek 1918-1933 – Over de kwetsbaarheid van de democratie. Van Oorschot; 765 pagina’s; € 39,00.

Meer over