Essay

Eenzame doden: van de wereld losgeraakt

null Beeld Merel Corduwener
Beeld Merel Corduwener

Coördinator van eenzame uitvaarten Joris van Casteren exploreert in zijn nieuwe boek het raadsel van de eenzaamheid. Een verborgen wereld ging voor hem van het slot.

Ik was wel even klaar met de dood toen schrijvende kunstenaar F. Starik in mei 2018 kwam vragen of ik hem wilde opvolgen als coördinator van de stichting Eenzame Uitvaart. Starik sprak tot mij via zijn geliefde, auteur Vrouwkje Tuinman. ‘Hij had het je zelf willen vragen’, zei ze aan de telefoon. Dat ging natuurlijk niet, want twee maanden eerder was hij begraven.

Zijn uitvaart was allesbehalve eenzaam, een massabijeenkomst met festivalallure. Starik had het, begraafdeskundig als hij intussen was, allemaal zorgvuldig georkestreerd. De dragers voerden een macabere dans uit met zijn kist: twee stappen voorwaarts, één stap terug.

Bij elke stap dienden wij, aanwezigen, krachtig op de grond te stampen. De kapel van de Amsterdamse begraafplaats Sint Barbara schudde op haar grondvesten, de botten van de talloze eenzamen die Starik hier in de loop van bijna twintig jaar had begraven, rammelden in hun kisten: maak plaats voor het eerzaam omhulsel van uw schutspatroon.

Enkele weken voor zijn dood sprak ik Starik voor het laatst, op de begrafenis, nota bene, van mijn dichtersvriend Menno Wigman. Starik wilde mij na afloop wat vragen, of nee, het kwam nog wel een keer. O rijkdom van het onvoltooide (Leopold).

Toen hij via Tuinman tot mij sprak had ik NEE willen zeggen, wat dacht hij wel niet? Ik had al veel te veel dood om mij heen: Wigman, hij en daarvoor nog een aantal anderen. Bovendien was ik druk schrijvende aan Moeders lichaam (2019), het boek over Piet van der Molen, de man die zijn dode moeder in huis verstopte.

As we spoke lagen op mijn bureau in de schrijversresidentie van Passa Porta aan de Dansaertstraat te Brussel de postmortale foto’s van Gerda van der Molen, afkomstig uit het politiedossier.

Ik bestudeerde die foto’s met tegenzin, om na te gaan of zoon Piet inderdaad haar kunstgebit had teruggeplaatst, zoals hij beweerde (wat het geval bleek te zijn: het ding lag uitgeklapt in een soort schaterlach tussen de restanten van wat haar hoofd moest zijn geweest).

Buitenkans

Genoeg dood dus. Maar natuurlijk zei ik JA tegen Starik. Voor wie speurt naar de geheimen van het waargebeurde was dit een buitenkans. ‘De werkelijkheid heeft mij niet nodig’ (Pessoa), maar ik kan andersom niet zonder haar.

Bovendien is eenzaamheid mij met de paplepel ingegoten. In de winter van 1976 lag ik zes weken in een couveuse. Mijn ouders konden vanuit de verte, vanachter een glazen wand, naar me kijken. Dubbelglas tussen de wereld en mij, dat is altijd zo gebleven.

Ik zou officieel in functie komen, coördinator zijn van een door de gemeente Amsterdam ingehuurd orgaan, alom gewaardeerd en nobel van aard. De telefoon zou gaan en ik mocht mee naar de woning van een onzichtbare, een mens dat al bij leven was verdampt.

Als er een woning was tenminste, want soms waren de eenzamen dakloos, of werden ze ongeïdentificeerd in delen teruggevonden in een koffer, zoals ik later, eenmaal in functie, nog zou ondervinden.

Ik zou de eenzame postuum leren kennen, in mijn verslag tot leven wekken, zo de onachtzame wereld een spiegel voorhoudend. Ik moest, tenzij ik zelf het gedicht schreef, telkens de juiste dichter zien te vinden, iemand die op grond van mijn bevindingen een passend vers kon componeren en voorlezen tijdens de uitvaartdienst. Ook moest ik de juiste muziek uitkiezen, geen Frans Bauer voor een intellectueel en vice versa.

Onzichtbaar

Eenzaamheid intrigeert, omdat zij van zichzelf onzichtbaar is, niet waarneembaar voor de buitenwereld. Het is er, maar eigenlijk ook niet, want esse est percipi (‘zijn is waargenomen worden’, Berkeley).

Er gaat een bepaalde verhevenheid mee gepaard, een diepvroom respect, zoals Suster Bertken dat genoot, de dichtende kluizenares die zich in 1457 bij wijze van boetedoening in een Utrechtse kerk opsloot in een zelfgebouwde cel.

Maar Bertkens eenzaamheid werd gezien, de mensen spraken erover, begluurden haar vanaf de straat door een nis. Feitelijk betrof het een publiciteitsstunt, een middeleeuwse Big Brother-variant.

Er vond, kortom, communicatie plaats. Echte eenzaamheid communiceert niet, wordt achteraf pas opgemerkt, en soms zelfs dan nog niet. Ik kreeg nu de kans dit raadsel in al z’n echtheid te aanschouwen. Een verborgen wereld, waar slechts over te fantaseren viel, ging voor mij van het slot.

Paradoxale ziekte

Eenzaamheid trekt zich op rond personen die, al dan niet door eigen toedoen, op een zijspoor zijn beland. Het is een paradoxale ziekte die in de westerse wereld, gekenmerkt door losse gezinsstructuren en een grote mate aan individuele vrijheid, een rijke voedingsbodem vindt.

Terwijl door stedengroei meer mensen dan ooit in elkaars nabijheid verkeren, brokkelt de gemeenschapszin en onderlinge verbondenheid af. De mogelijkheden tot communiceren zijn oneindig en alom beschikbaar, het in levenden lijve groeten van een buurman lijkt veel minder een vanzelfsprekendheid.

De mensen op het zijspoor zien er vaak iets anders uit, wat minder netjes, ronduit slonzig soms. Niet noodzakelijkerwijs, als coördinator kreeg ik ook met keurig verzorgde eenzamen te maken, maar in hoofdzaak waren het groezelige vogels. Waarom zou je je nog smaakvol kleden als je beeltenis in niemand nog weerspiegeld wordt?

Het afwijkende wordt in deze samenleving, met al haar liberaal democratische verworvenheden, op z’n hoogst getolereerd. Tolerantie is in dit verband een ander woord voor vermijden: met een wijde boog om iemand heen lopen, goedkeurend knikken omdat je er geen last van hebt.

Vrienden wil men met zo’n kneus niet zijn, aan die mensen is een steekje los, de mislukking druipt ervan af. Ze zijn alles wat een geslaagd persoon niet wil zijn, vaak behept, ook dat nog, met een onhandig karakter: het zijn knorrepotten, geen opgewekte praters.

Zo groeit hun isolement, met wat geluk treft zo’n verschoppeling een soortgenoot, om het leed van de eenzaamheid samen te ondergaan. Meestal is de huisarts of wijkverpleegkundige een laatste vertrouweling, soms doet men uit schaamte zelfs voor hen de deur niet open, voor niemand meer. Tot er geen enkel contact meer is met andere menselijke wezens.

Wie de ander loslaat, wordt niet gauw weer beetgepakt. Dat heet zelfredzaamheid, eigen verantwoordelijkheid. Ingrijpen is de allerlaatste optie, indien de persoon in kwestie een gevaar voor zichzelf of de omgeving vormt, wat er in de praktijk op neerkomt dat hij of zij op z’n minst de gaskraan moet openzetten.

Metafysische omwenteling

Mensen zijn primaten en van de primaten schijnt de mens zo’n beetje de sociaalste te zijn, socialer in ieder geval dan de chimpansee, toch bepaald geen einzelgänger.

Mensen hebben altijd in overzichtelijke gemeenschappen geleefd, pas in de moderne tijd, een eeuw of anderhalf geleden, is daar verandering in gekomen. Dorpse, agrarische structuren, waarbij de actieradius van de gemiddelde mens generaties lang uitermate bescheiden was, vielen voorgoed uiteen: een metafysische omwenteling vanjewelste.

In de 20ste eeuw ging het rap. Juist dankzij nieuwe technieken werd afzondering mogelijk, vóór die tijd kon je amper alleen zijn; in de Middeleeuwen maalde niemand om privacy. Met telefoon, radio, televisie en ten slotte internet zijn mensen met elkaar verbonden, maar tegelijkertijd verder op afstand van elkaar komen te staan.

Van de hieruit voortvloeiende eenzaamheid schijn je goed ziek te kunnen worden, vandaar dat The Economist het verschijnsel uitriep tot de lepra van de 21ste eeuw, vandaar dat in het Verenigd Koninkrijk in 2018 een Minister of Loneliness is aangesteld.

Iemand die niet langer is verbonden met anderen, die de groep uit het oog is verloren, staat bloot aan een permanente vorm van stress die volgens neurowetenschappers de levensduur bekort en de bevattelijkheid voor allerlei aandoeningen vergroot.

De stress wordt veroorzaakt door primitieve angstgevoelens: een afgedwaalde primaat moet constant op zijn hoede zijn, elk moment kan hij door een prooi worden besprongen. Zijn overlevingskansen zijn minimaal.

Door vreemden opgeraapt

In Amsterdam sterven jaarlijks ruim vijfduizend mensen, zo’n vijftien per dag, het aantal schommelt uiteraard een beetje.

Team Rampendienst, Uitvaarten en Pension (Trup) van de gemeente Amsterdam komt jaarlijks zo’n vierhonderd keer in actie omdat er in eerste instantie geen vrienden of nabestaanden zijn die de uitvaart van de overledene op zich willen nemen.

Ruw gesteld: bijna één op de tien keer is de dood in Amsterdam met eenzaamheid verweven. Zo’n persoon kan op straat in elkaar zijn gezakt en door vreemden zijn opgeraapt of half ontbonden worden aangetroffen in de woning door de politie, nadat buren over stank hebben geklaagd.

Wat de rest van Nederland betreft: harde cijfers over aantallen eenzame uitvaarten zijn er niet. Wel is bekend dat het aantal gemeentelijke uitvaarten, die dus niet noodzakelijkerwijs eenzaam zijn, flink toeneemt. Radio 1 vroeg bij twintig grote steden, waaronder Rotterdam, Den Haag en Utrecht, cijfers op. In 2015 vonden er opgeteld 537 gemeentelijke uitvaarten plaats, in 2020 was dat aantal gestegen tot 603.

De mensen van Trup zijn erg goed in hun werk: in negen van de tien gevallen vinden ze alsnog iemand die bereid is de uitvaart te regelen, meestal een ver familielid dat al jaren geen contact meer had met de dode. Pas als er geen of slechts weigerachtige familieleden zijn kom ik in actie, gemiddeld vijftien tot twintig keer per jaar.

Collectief gevoel van kwetsbaarheid

De ingrijpende maatregelen om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan hebben die andere ziekte, de lepra van de 21ste eeuw, juist helpen verspreiden. Om covid-19 te ontlopen betalen we met eenzaamheid.

Behalve de mensen die toch al eenzaam waren, kan het niemand zijn ontgaan: contact met anderen is aan zware beperkingen onderhevig, ouderen in verpleeghuizen kwijnen weg.

De gevolgen werken in ieders psyche door, tot diep in de frontale hersenkwab: mensen zien besmettingshaarden in elkaar. Het fysieke afstand houden leidt tot sociale distantie, met uitsluiting als gevolg.

Uit angst voor besmetting ontwijkt men de ander, een gesprek met een vreemde kan als risicovol worden opgevat. Wie al geïsoleerd leefde, zal in het huidige klimaat niet eenvoudig nieuwe vrienden maken.

Meer en meer primaten zullen afdwalen, de kudde dendert voort, ernstig uitgedund op den duur, tot we ten slotte zullen versnipperen, als confetti uiteenwaaien, neerregenen als as.

Die angst, ongegrond of niet, roept een collectief gevoel van kwetsbaarheid op. Als iedereen zich kwetsbaar voelt, doet de kwetsbaarheid van zwakkere exemplaren er minder toe.

Bloedcellen in paniek

Het lichaam van een vereenzaamd, van de kudde afgedwaald persoon maakt stresshormonen aan. De witte bloedcellen, waarneembaar met een microscoop, verkeren in een staat van paniek. Ze reageren zoals ze reageren als sprake is van een bacteriële infectie of een dodelijke ziekte.

De stresshormonen veroorzaken op de lange termijn ontstekingen, verzwakken het immuunsysteem. Vergelijkbare symptomen zijn waargenomen bij mensen in langdurig isolement: poolreizigers, astronauten, gevangenen. Uit studies is bekend dat ze angstig, impulsief en intolerant gedrag gaan vertonen, wat bij een toekomstige kolonisatie van Mars nog heel wat moeilijkheden zal opleveren.

Kolossale vervreemding

In de hele westerse wereld is de traditionele ontmoeting – een afspraak in levenden lijve – een afnemend verschijnsel. Dankzij de tijdslurpende sociale media, die communicatie op afstand voor iedereen mogelijk maken. En nu vooral dankzij de voortwoekerende corona-epidemie.

Gevolg: een kolossale, nog nauwelijks onderzochte maatschappelijke vervreemding. Met allerlei bizarre randverschijnselen, zoals zorgrobots – groot succes in Azië – of commerciële knuffeldiensten, waarbij men zich tegen betaling kan laten omhelzen, iets wat met name in de Verenigde Staten onder mensen van middelbare leeftijd een trend schijnt te zijn.

Dit alles tegen de achtergrond van een voortdurende verwarring die ontstaat in de razendsnelle uitwisseling van informatie, zeker nu traditionele duiders – gezaghebbende nieuwsmedia – de slag verliezen of worden gewantrouwd en verdacht gemaakt.

Terwijl alternatieve, op leugens en verzinsels gebaseerde platforms ontstaan, waar de groezeligste, op apodictische toon verkondigde complottheorieën (QAnon), met doorgaans een geheim, door de staat gefaciliteerd pedofielennetwerk in de hoofdrol, welig tieren.

Uitholling en vervlakking van de traditionele media, schreef Ryszard Kapuściński al in 2003 in zijn essay De ander in het werelddorp, leidt tot afbrokkeling van maatschappelijke samenhang. Moderne communicatietechnieken hebben niet ‘het werelddorp’ gecreëerd, zoals sommigen hoopten, integendeel.

De samenleving van onze planeet, aldus Kapuściński, lijkt steeds meer ‘op een anonieme massa op een van die grote vliegvelden, een gehaaste menigte van onverschillige mensen die elkaar niet kennen’.

Huidhonger

De eenzame wordt niet meer aangeraakt, zijn of haar huid blijft onberoerd. De eenzame kan zichzelf strelen, maar dat biedt geen soelaas, zoals praten tegen jezelf geen dialoog oplevert.

De lichamelijke aanraking schijnt een essentieel onderdeel van het intermenselijk verkeer te zijn, een primaire behoefte zelfs. Het verfijnde onderhuidse zenuwstelsel bevat allerlei receptoren die bij prikkeling als plezierig ervaren hersenactiviteit in gang zetten, kalmte en troost bevorderen.

De corona-epidemie levert een tekort op aan wat je maatschappelijke aanrakingen zou kunnen noemen: het schudden van een hand, de omhelzing, het klopje op de schouder. Maatschappelijke aanrakingen nemen wantrouwen weg, nodigen uit tot kameraadschappelijkheid.

De sombere staat waarin de mensheid zich bevindt, valt volgens sommigen te verklaren uit het plotselinge wegvallen van deze neurofysiologische uitwisseling. Intimi kunnen dat gemis wegpoetsen, binnenskamers liefkoost men wellicht meer dan ooit.

Wie niemand heeft stompt af vanbinnen, onbevredigde huidhonger moet welhaast ondraaglijk zijn.

De uitdunnende kudde dendert intussen voort, opgezweept door eerzucht en geldzucht. Hij hoeft niet tot stilstand te komen maar het tempo kan een stuk omlaag, om de kortzichtige koers te verleggen. De eenzame dood en mijn vreemde bijbaan hoeven niet onvermijdelijk te zijn.

Joris van Casteren: Eenzaamheid. Uitgeverij De Bezige Bij; 130 pagina’s; € 16,99. Verschijnt donderdag 15 april.

null Beeld
Meer over