Boeken

Eens gestopt met boeken lezen, voor altijd gestopt met boeken lezen? Zo hoeft het niet te gaan

Na de basisschool gaan Nederlandse kinderen snel minder lezen, zeggen de onderzoeken. Dat is zonder meer een probleem, maar, weet Geertjan de Vugt uit eigen ervaring: het afscheid van de literatuur hoeft niet definitief te zijn.

null Beeld Silvia Celiberti
Beeld Silvia Celiberti

Mevrouw Obbema, docent Nederlands, wilde weten wat ik zelf als kind las, toen ik haar belde met de vraag of ik enkele van haar leerlingen mocht vragen naar hun leesgedrag. Omdat steeds opnieuw wordt beweerd dat jongeren niet meer lezen, wilde ik hen er zelf over horen spreken. Maar wie zich in het leesgedrag van jongeren verdiept, merkte ik al gauw, kan niet om de eigen leesbiografie heen. In het gezin waarin ik ben opgegroeid, werd niet heel veel gelezen; ik heb mijn vader nooit met een boek gezien. En weinig van wat ik begin jaren negentig op de basisschool las, is me bijgebleven. Twee, drie boeken slechts, waaronder één van Jan Terlouw. Oosterschelde windkracht 10, een klassieker uit 1976 die nog steeds wordt herdrukt en ook nu nog door veel jongeren wordt gelezen. Ik las het op aanraden van een vriendje en stelde me voor hoe het water oprukte tot bijna aan het West-Brabantse dorp waar ik woonde.

Maar de vraag van Obbema deed me vooral terugdenken aan een andere titel, een boek dat me toentertijd mateloos fascineerde: Scheepsmaat Woeltje. Drie delen over zeereizen in de 16de eeuw. Avond aan avond las ik over de avonturen van de blonde Hollander. Niets herinner ik me ervan, of bijna niets. Een gevoel van spanning. En iets met scheurbuik en citroenen. En toch betekende het de ontdekking van mijn verbeeldingsvermogen. Obbema kende het jeugdboek van K. Norel niet, maar gaf me wel een opdracht mee: ‘Lees het eens opnieuw en zie wat er dan gebeurt.’

Een week later stond ik voor een van haar klassen. Probeer jongeren van 15, 16 jaar oud maar eens aan het lezen te krijgen én te houden. Ik heb nooit voor de klas gestaan, dat zag mevrouw Obbema ook. Slechts een stuk of drie handen gingen de lucht in toen ik vroeg wie er weleens voor het plezier las. En dat op 25 leerlingen. Maar toen ik vroeg wat ze dan als laatste gelezen hadden, begonnen verschillende leerlingen te roepen. ‘Six of Crows!’, klonk het van alle kanten. Dat bepaald niet dunne fantasyboek van de Amerikaanse auteur Leigh Bardugo deed het klaarblijkelijk goed onder deze groep tieners, ook al moesten ze het voor het vak Engels lezen. Nederlandse titels konden ze niet noemen. Zelf had ik dat op die leeftijd waarschijnlijk ook niet gekund.

De verkeerde boeken

Eens in de paar jaar laait de discussie over het leesgedrag van jongeren op. Onlangs werd ze weer aangezwengeld door Yra van Dijk, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde in Leiden, en Marie-José Klaver, eerstegraadsdocent Duits. Tieners zouden niet of nauwelijks lezen. En als ze dat wel doen, dan kiezen ze de verkeerde boeken, schreven Van Dijk en Klaver in de Volkskrant. Pulp, sensationele lectuur, boeken die niet bijdragen aan persoonsvorming, empathie, zelfreflectie en diversiteit. Eendimensionale boeken kortom. Literatuur zou volgens hen in dienst moeten staan van burgerschapsvorming.

Volgens Van Dijk en Klaver vindt 44 procent van de Nederlandse jongeren lezen niet leuk of heeft er zelfs een hekel aan. Voor dat percentage verwezen ze naar De leescultuur van jongeren, een recent onderzoek dat Qrius, een marktonderzoeksbureau gespecialiseerd in jongeren, uitvoerde voor Stichting Lezen. Daar staat dus 56 procent tegenover die lezen ‘gewoon leuk’ of ‘heel leuk’ vindt. Daarnaast schrijven de onderzoekers dat 90 procent, ‘bijna alle jongeren’, lezen belangrijk vindt. 88 procent van de ondervraagde jongeren vindt dat lezen hen slimmer maakt en 89 procent zegt dat het de kennis van hun wereld vergroot. Enige nuancering lijkt dus op haar plaats.

Het rapport van Qrius en Stichting Lezen gaat over 12- tot 20-jarigen. Een voor onderzoekers notoir lastige categorie, want die bestrijkt de periode van brugklas tot de eerste studie- of arbeidsjaren. Zo worden onder de noemer jongeren brugklassers op één hoop geveegd met bijvoorbeeld tweedejaarsstudenten. Menig jongere stopt in die tijd met lezen. En menigeen begint nog in die periode opnieuw. Zelf weet ik nog hoe ik een docent in de brugklas hoorde vertellen over de Ilias en Odyssee. Direct na de les ging ik naar de bibliotheek en zocht een exemplaar van de beroemde boeken. Toen ik die wilde laten stempelen, merkte de bibliothecaresse waarschuwend op: ‘Is dat niet een beetje te moeilijk voor je?’ En ofschoon ik overdonderd werd door de opening van de Ilias, hield ik het door die demotiverende opmerking gauw voor gezien.

Een paar jaar later, ik was 16, werd de hele bibliotheek opgedoekt. Er kwam een glazen huis voor in de plaats, een mediatheek met computers en de digitale encyclopedie Encarta, waar je voor geen goud gevonden wilde worden. Ik hield op met lezen en liet zo snel als het kon mijn talen vallen. Ik zou architect worden. Een deceptie volgde. In Eindhoven wist ik na enkele weken gemakkelijker de weg naar De Slegte te vinden dan die naar het hoofdgebouw van de Technische Universiteit. Het eerste dat ik er kocht: een spotgoedkope uitgave van de twee klassiekers die ik in de brugklas al had willen lezen, en kort daarna tien delen met de brieven van Kafka. Ik was terug waar ik hoorde en had één ding geleerd: er zijn talloze manieren waarop iemand tot lezen komt.

Van Pinkeltje naar Proust

Zelden is er sprake van een rechte weg die van Pinkeltje naar Proust voert. Veel lezers zullen zich het moment herinneren waarop ze boeken tijdelijk de rug toekeerden. Veel van hen kennen ook het moment van terugkeer naar het lezen. Troostrijk zijn de woorden van de Poolse dichter Adam Zagajewski voor hen die het ergste vrezen: ‘Wie is getroffen door de schok/ van de liefde, zal naar zijn boeken teruggaan/ met een ander gezicht.’ Is dat niet juist wat menig tiener, menig jongvolwassene meemaakt?

De jongeren die ik sprak voor dit stuk konden zich overigens helemaal geen afscheid van de literatuur voorstellen. Mijn buurjongen Anas (12) vertelde me op een zonnige middag in onze binnentuin over de boeken die hij graag leest. ‘De meeste boeken gaan over standaardjongeren die standaarddingen beleven’, zei hij. Liever ziet hij verschillende culturen terugkomen in de boeken die hij leest. Soms kiest hij bewust voor fantasy, omdat hij zich graag inleeft in een andere wereld. Wat hij minstens driemaal per week een half uur doet, maar soms urenlang, tot voorbij middernacht.

null Beeld Silvia Celiberti
Beeld Silvia Celiberti

Ook Amélie (12), lid van de Kinderjury 2021, kan zich maar moeilijk een wereld zonder boeken voorstellen, vertelt ze me. ‘Dan zou iedereen op z’n telefoon zitten, wat veel mensen toch al doen.’ Veel meiden om haar heen gaan liever op TikTok. Zelf leest ze breed, van grappige boeken tot aan spanning, historische fictie en fantasy. Ze schrijft ook over boeken. Het verlangen van de prins bleek ‘verschrikkelijk saai’, maar Ons kasteel aan zee was dan weer reuze-interessant, ‘omdat het over de Tweede Wereldoorlog gaat’. Trots vertelt ze over een spelletje dat ze met haar beste vriendin heeft bedacht: doen, durven of de waarheid over boeken. Is een boek eng, spannend, leuk? Maar verder ziet ze in haar klas niet veel leerlingen die van lezen houden.

Lezen op school

De komende jaren zullen Anas en Amélie ongetwijfeld blijven lezen. Voor veel jongeren ligt dat anders. Geleidelijk aan gaan ze minder lezen. Onderzoek uit 2013 van Frank Huysmans, hoogleraar bibliotheekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, toont aan dat 7-jarigen drie boeken per maand lezen; een getal dat tegen de tijd dat iemand 15 jaar wordt, gehalveerd is. Niet toevallig is dit ook de periode waarin het leesklimaat voor menig jongere verandert. Na de overstap naar de middelbare school doen ouders vaak minder om hun kind tot lezen aan te sporen. Er wordt minder over lezen gesproken, er worden minder leestips gedeeld en ook worden er minder boeken cadeau gedaan, merkt Cedric Stalpers op in zijn rapport uit 2020, wederom uitgevoerd voor Stichting Lezen. In De leeswereld van jongeren en jongvolwassenen beschrijft hij hoe ouders hun rol overlaten aan de school en de vriendenkring. De neergang in leesgedrag wordt dus al ingezet vóór wat volgens menigeen de ultieme boosdoener is: de verplichte leeslijst.

Jeroen Dera, universitair docent in Nijmegen, is gespecialiseerd in letterkunde en educatie en deed voor Stichting Lezen onderzoek naar de leeslijst. Als ik hem spreek, merkt hij op dat er meer gedaan zou kunnen worden om de leescultuur binnen de school te bevorderen. Nu wordt literatuur nagenoeg altijd ondergebracht bij de talen, zoals Nederlands, maar het zou juist goed zijn om lezen te zien als onderdeel van het onderwijs in brede zin.

Volgens Dera zou er structureel ruimte gemaakt moeten worden voor lezen op school. ‘Iedere dag één uur lezen, het maakt niet uit wat, als leerlingen maar in aanraking komen met teksten. Want vrij lezen gebeurt thuis steeds minder.’ Dera doet niet moeilijk over het type teksten dat jongeren in zulke vrije leesuren zouden mogen lezen. ‘Literatuur is datgene wat literatuur wordt genoemd. Juist daarover kun je het gesprek met elkaar voeren.’ Dat geldt dus ook voor wat sommigen als pulp bestempelen. Een gesprek over wat het ene boek tot pulp maakt en een ander niet, kan juist prikkelend werken.

Zelf had ik zo’n soort gesprek op het Amsterdams Lyceum, met een van de leerlingen van mevrouw Obbema. Nora (15) vond in tegenstelling tot haar klasgenoten Six of Crows vreselijk saai, een soort pulp. Zij las liever Ik ga leven van Lale Gül: ‘Een moedig boek, maar het had minder fel tegenover de familie gemogen.’ De stijl vond Nora erg bijzonder, ‘anders dan de jip-en-janneketaal’ waar menig klasgenoot mee komt. Er zijn dan ook weinig vrienden met wie ze over dit boek kan spreken, een enkele vriendin misschien. En met haar ouders die haar, zoals ze zelf zegt, hebben opgevoed met boeken. Het voorbeeld dat ouders vormen is, zo benadrukt elk onderzoek, van groot belang. Zonder vader of moeder die leest, zonder omgeving waarin over boeken gesproken wordt, groeien kinderen makkelijk op tot leeswezen.

Minder plezier

In mei verscheen een lijvig rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) over het leesgedrag van Nora’s leeftijdgenoten. 21st-Century Readers presenteert een voor Nederland weinig florissant beeld. Want de leesprestatie van 15-jarige Nederlanders is niet meer dan gemiddeld. Zij moeten leeftijdgenoten uit bijvoorbeeld China, Korea, Estland, de VS en Japan voor zich dulden. Ook landen als Frankrijk en Duitsland, die bogen op een grote literaire cultuur, gaan Nederland voor, zij het nipt. Nederlandse tieners bungelen, met steevast minder dan drie uur per week, al twintig jaar onder aan de lijst met jongeren die voor hun plezier lezen. Bleef de leestijd ongeveer gelijk, het plezier nam het laatste decennium significant af. Ook in Frankrijk en Duitsland nam het plezier af en wordt maar een half uur tot een uur per week meer gelezen dan in Nederland. Nee, dan Rusland en Albanië, waar al gauw 7,5 plezierige uren worden aangetikt.

Blinken Nederlandse jongeren dan nergens in uit? Jawel, ze behoren tot de top als het aankomt op het beoordelen van de waarachtigheid van de publicatiebron (het onderzoek testte lezen in een brede zin, van literatuur tot aan onlinebronnen en chatgroepen). Maar dat Nederlandse 15-jarigen in vergelijking met hun internationale leeftijdgenoten nauwelijks geïnteresseerd zijn in het lezen van literatuur, lijkt een gegeven. Een kwart van de 15-jarigen heeft bovendien onvoldoende leesvaardigheid.

De aankondiging die de moderne literatuur zelf reeds bij haar aanvang deed, wordt daarmee werkelijkheid. Zoals lezers zich nu van de literatuur afkeren, zo keerde de moderne literatuur zich al 1605 en later in de 19de eeuw af van haar lezers. Beroemd zijn de openingen waarin de lezer wordt beschimpt, van Cervantes’ ledige lezer, waarmee de Don Quichot opent, tot aan Baudelaires hypocrite lecteur. Alsof de literatuur wilde zeggen: lezer, waarom breng je tijd met me door? Of zoals de 15-jarige nu zegt: boek, waarom kom je me hinderen?

Leesoffensief

Er is dus wel degelijk sprake van een probleem. Wie weinig leest, ontwikkelt niet de minimale vaardigheden die vereist zijn om een volwaardig burger te zijn. En ook de belastingaangifte of een inschrijving bij de gemeente laat zich niet aan de hand van pictogrammen invullen, maar vergt nog altijd een basale leesvaardigheid.

Om die reden hebben zeven organisaties al in 2012 een leescoalitie gevormd en een leesoffensief opgesteld, dat door nog eens zeven organisaties werd ondertekend en met nog eens vier werd afgestemd. Daarmee is het een offensief dat door zo’n beetje alle adviesorganen en bibliotheken wordt ondersteund. Er is een lappendeken van goede initiatieven, aldus de leescoalitie, om het lezen te bevorderen. Maar wat ontbreekt, is een overheid die het probleem erkent én bereid is serieus taalbeleid voor Nederland te maken (iets waar de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen in 2018 ook op heeft gewezen). Terwijl dat toch alle partijen van links tot rechts zou moeten verenigen.

Want als een kwart van het toekomstige electoraat onvoldoende leesvaardigheden bezit, stevenen we af op een reusachtig probleem voor de democratie. Maar er is nauwelijks een politicus die er zich de vingers aan wil branden. Henk Pröpper, schrijver en oud-directeur van het Nederlands Letterenfonds en de Bezige Bij, was betrokken bij het opstellen van het leesoffensief. Hij merkt dat er weliswaar meer bewustwording is over het belang van lezen, maar dat het nog lang niet voldoende is. ‘Een integraal beleid, waarin Onderwijs en Cultuur samenwerken, ontbreekt en dat komt doordat de overheid de verantwoordelijkheid voor taal- en leesvaardigheid heeft gelegd bij kleinere organisaties.’

Daaraan voegt Pröpper nog toe dat we in Nederland geneigd zijn ons te concentreren op materiële kwesties en daarbij de immateriële, die onze welstand en ons welbevinden minstens zozeer bepalen, over het hoofd zien. De ontwikkeling van taalgevoel en de verbeelding zijn essentieel voor het goed functioneren van een samenleving.

Het moment waarop je ontdekt dat je over verbeeldingsvermogen bezit, blijft de rest van je leven invloed hebben, zelfs al herinner je je niet precies meer wat je toen las. Mevrouw Obbema wist dat en gaf me niet voor niets die opdracht. Uiteindelijk deed ik wat zij me had gevraagd te doen: ik las Scheepsmaat Woeltje opnieuw en zag wat ik als 8-, 9-jarige niet had gezien. Bijvoorbeeld hoe racistisch het boek soms is. En ook de vreemde omkeringen: Hollanders die tot slaaf worden gemaakt en een tijdelijke genderomkering, in de vorm van een zeeman die enkele dagen als boerin door het leven gaat. Maar bovenal zag ik dat het hele verhaal wordt gedreven door de zoektocht van Woeltje naar een vervanger voor zijn vader, een Ersatzvater. Een identificatiemoment, want wat hij zocht en vond op zee, zo drong tot me door toen ik het boek bijna dertig jaar later herlas, zocht en vond ik in mijn eigen bibliotheek.

Meer over