Een zeker onbehagen

Reiziger met vliegangst en pleinvrees

Wie een huis van een overledene leegruimt, vindt in elk geval foto's, al dan niet ingeplakt. Ook staat er in vele kasten een doos met kerstkaarten, geboortekaartjes, uitnodigingen enzovoort. Sommige mensen bewaren hun hotelrekeningen, toegangskaartjes en reisdocumentatie. Als je die stapels vergeelde weemoed doorneemt, krijgt je al snel de indruk dat het voorbije leven voornamelijk bestond uit verjaardagen, borrels, boekpresentaties en vakanties.

Tussen die ene foto van de overledene die grijnzend een schuimende pul heft in een Bierhalle in München en die waarop hij een ijsje eet op een terras in de Algarve zit dan een vol jaar. Intussen gebeurde er natuurlijk van alles in dat leven dat niet werd vastgelegd.

Die aselecte weergave van een verleden in de nalatenschap is het probleem van elke biograaf. Het is schrikbarend willekeurig wat deze aantreft in de dozen, áls het 'onderwerp' al iets heeft nagelaten en niet alles heeft vernietigd. In het laatste geval is de biograaf overgeleverd aan het geheugen van zijn geïnterviewden, die elk hun redenen hebben om selectieve en gekleurde herinneringen op te dissen.

Nico Keuning, succesvol biograaf van de dichter Max de Jong en Jan Arends, schreef nu het levensverhaal van Bob den Uyl (1930-1992), die andere Den Uyl (verre familie), onder de goed gekozen titel Een zeker onbehagen. Onbehagen is het gevoel dat druipt uit vrijwel elke zin uit het oeuvre van deze mismoedige maar onverwoestbaar geestige verhalenschrijver, een aartsouwehoer die zich in zijn autobiografische verhalen neerzet als overal displaced, voortdurend op zoek naar ontsnapping en verlossing die, als ze zich aandienen, toch weer tegenvallen. Een man op een tochtig station in een te dunne jas, wachtend op een trein die altijd net is vertrokken of opgeheven.

Keuning noemt zijn boek bescheiden 'een' biografie, en hoewel er waarschijnlijk niet snel een tweede verschijnt, is dat een terechte woordkeus. Hij heeft gekozen voor de biografie door een toegewijde lezer. Hij kende Den Uyl niet persoonlijk, maar dit was wel de schrijver die zijn vriend op de middelbare school deed schateren, terwijl hij zich worstelde door een suf werkje van Aar van der Werfhorst.

Bob den Uyl had een hekel aan de typering 'reisboekenboekenschrijver', hoewel op wat absurdistische, fantastische vroege verhalen na, zijn werk vrijwel altijd gaat over een man op reis. De term zou suggereren dat het hij een wat lichter, semi-journalistiek genre beoefende, waarin werelden van verre volkeren en fijnzinnige culturen worden ontsloten. Maar het waren verhalen; de 'stof' diende zich sneller aan als hij van huis was.

Den Uyl reisde vaak, bijna altijd in opdracht van een krant of tijdschrift. Omdat hij zelden nee zei tegen een opdracht, sprokkelde hij een behoorlijk oeuvre bij elkaar, dat hij slim wist te recyclen. Sommige verhalen werden wel tien keer gepubliceerd, eerst in tijdschriften, bloemlezingen, bedrijfsuitgaven en ten slotte in een 'eigen' boek, waarbij hij door knip- plak- en husselwerk de schijn wist te wekken dat het om nieuw werk ging.

Hij was een reiziger die leed aan vliegangst , pleinvrees, tunnelvrees, angst voor hotelbrand en nog wat neuroses en daarbij was hij een flink innemer, wat op reis ook voor oponthoud zorgt. Voor Den Uyl was reizen meer een gemoedsgesteldheid, die werd gevoed door de treurigheid van lelijke gebouwen, afbrokkelende monumenten en verlaten hotelbars. De krant die hem op pad stuurde naar een wielerwedstrijd of een herdenking, wist zeker dat in zijn verslag nauwelijks iets over het verloop van de wedstrijd of de gedenkwaardige historische gebeurtenis zou staan. Hij zoomde in op de details, die bevestigden dat ieder menselijk streven zinloos is. Doelgericht reizen was ook zinloos. Hij formuleerde de Wet van Den Uyl, die luidt: 'Je vindt niet wat je zoekt, maar je vindt wat je niet zoekt.' Niet zoekend kon Den Uyl verdomd goed kijken.

Als Den Uyl in 1975 wordt geïnterviewd

voor de VPRO-televisie, zoomt de camera in op zijn met clips versmalde broekspijpen, die in geitenwollensokken zijn gestoken. Den Uyl is woedend: alles krijgt de aandacht van die filmjongens, behalve het onderwerp zelf. Maar het is precies wat Den Uyl doet in zijn verhalen, schrijft Keuning. Sterker, hij heeft die mode van het veelzeggende detail zelf aangewakkerd.

Keuning reisde in het voetspoor van Den Uyl naar veel door hem beschreven plekken. Daardoor lijkt zijn biografie een verdubbeling van Den Uyls oeuvre, en lijkt het alsof Den Uyls leven voornamelijk uit reizen bestond.

Keunings aanpak leidt tot constateringen als: hé, dit café bestaat nog, maar dan met een andere eigenaar. Gelukkig is hij zich bewust van dit effect en reageert hij met Den Uyl-achtige berusting: 'De bunker staat er nog steeds. Aan de achterkant is de dichtgemetselde muur zichtbaar die Den Uyl beschrijft. Het heeft iets twijfelachtigs te vinden waar je naar zocht, maar waar je verder niets aan hebt. Ja, het klopt, dit is de bunker van Den Uyl.'

Op zijn reizen raakt de biograaf ook als vanzelf verzeild in situaties die schreeuwen om nieuwe postume Den Uyl-verhalen. Als hij slaapt in een hotel vlakbij het Adelaarsnest van Hitler en de zijnen, grijpt Keuning de kans aan de oudere eigenaresse te vragen of ze misschien als kind gespeeld heeft met Göring, die verderop woonde. Ze wil er niks over zeggen. 'U moet boeken lezen van vóór 1965', zegt ze, 'toen schreef niemand over concentratiekampen.' Keuning, nu de reisverhalenschrijver, constateert: 'Verdomd, het bestaat nog. Vanaf nu zijn alle hotelgasten verdacht.'

Het achternareizen levert veel op. De biograaf ontdekt vooral waarover Den Uyl níet schreef, en juist die omissies typeren hem. Zelfs het atelier van Speer, tegenover zijn hotel, bezocht hij niet. Hij had genoeg aan enkele details die hem terugvoerden naar zijn eigen oorlog, in zijn jeugd in Rotterdam.

Over die tijd schrijft Keuning niet, en dat is jammer. Hij koos ervoor zijn verhaal te beginnen als zijn hoofdpersoon 15 is. Bob komt van de mulo af en wordt kantoorbediende. Hij oefent op zijn trompet en schrijft in zijn dagboek. Hij speelt in een amateurjazzorkestje, tot de optredens hem beginnen te vervelen. Hij trouwt en krijgt een zoon. Hij schrijft, maar zal de sprong naar de broodschrijverij pas aandurven als hij, tegen de veertig, zijn ontslag krijgt aangezegd.

In interviews zou Den Uyl vaak benadrukken dat het bombardement in Rotterdam, rakelings naast zijn straat, een voedingsbodem is geweest voor zijn illusieloze levenshouding. Wat toen hij klein was jongensboekachtig spannend leek, leidde wel degelijk tot trauma's. Uiteraard verwijst Keuning naar die jeugd als zij in de verhalen ter sprake komt. Maar waarom deze ingrijpende periode overgeslagen in het levensverhaal? Natuurlijk, je kunt in een biografie niet 'alles' doen. Toch maakt dat gapende gat vooral nieuwsgierig.

Net zoals dat andere, vrijwel ontbrekende deel. Den Uyl was 25 jaar lang getrouwd met Toos maar gedroeg zich als 'een getrouwde vrijgezel'. Hoe was dat leven met een man die van elk feestje stomdronken thuiskwam, of niet thuiskwam, die berucht was om zijn billen- en borstenknijperij, en die verwachtte dat zij altijd thuis was en om zes uur de piepers op tafel had? We lezen er weinig over.

Maar wat Keuning wél behandelt, doet hij goed.

Meer over