Een woord voor de redeloze eerste sensatie

Willem Jan Otten is een schrijver die steeds bezig is met het verwijden van zijn blik. In poezië, toneel, romans en essays....

IN ZIJN dichtbundel Ik zoek het hier uit 1980 schrijft Willem Jan Otten over een kind dat nog niet geboren is: Ik hoorde s nachts de reigers, en bedacht:/ dit zal het horen, reigers, s nachts. Verwachting/ maakte alles twee, ik keek met iemands ogen mee.

En in zijn vooralsnog laatste dichtbundel Eindaugustuswind (1998) fietst hij met een kind voorop naar het Randmeer: Ik legde mijn hand/ op de warme kokosnoot van je schedel./ Het licht keek ver je ogen in./ Ik zei: dit nu is water./ Wa-ter./ Wa-ter./ Wa-ter zei ik nog een keer./ En jij zei: bwa-pl./ Je zei het nog een keer./ Het was zeker, zoontje van mij,/ dat wij hetzelfde niet begrepen.

De wijde blik heet zijn roman uit 1992, maar die titel is ook geschikt om zijn oeuvre - dat bestaat uit romans, essays, toneelstukken (Een sneeuw, 1981) en poëzie - mee te karakteriseren. Otten is een schrijver die telkens uit is op verwijden van zijn blik, door zijn indrukken en ervaringen te ontleden alsof hij er buiten kan treden. Zo krijgt hij er vat op, en slaagt hij erin de nog redeloze eerste sensaties door middel van woorden toch weer te naderen.

Otten mag met zijn 48 jaar dan de jongste winnaar zijn van de Constantijn Huygens-prijs, maar hij kan intussen bogen op een oeuvre dat bijna dertig jaar omspant. Voor zijn dichtbundel Een zwaluw vol zaagsel ontving hij in 1972 de Reina Prinsen Geerligsprijs.

Daarna volgden de Gorterprijs voor Ik zoek het hier, de Jan Campert-prijs voor de dichtbundel Paviljoenen (waarin hij Penelope over Odysseus laat mijmeren met de prachtige regel Het was missen/ op het eerste gezicht) en de Busken Huet-prijs voor zijn essaybundel De letterpiloot. De jongste bekroning is derhalve niet de eerste erkenning van de bijzondere kwaliteiten van Ottens schrijverschap.

Vandaag een week geleden was de auteur te zien op de televisie in een hommage aan Hugo Claus, en natuurlijk bracht Otten de titel Schaamte van de Vlaamse schrijver ter sprake. Veel van wat Otten schrijft, wortelt immers in schaamte. Die is het die de lust zelfs genereert, zoals hij oppert in het essay Denken is een lust(1985), waarin hij zijn verslaving aan pornografische blaadjes analyseert.

Kijken en bekeken worden, schaamte en reflectie maken de kern uit van dit bedachtzame werk. De katholiek geworden Otten mengde zich de afgelopen jaren in het euthanasie-debat, met zijn roman Ons mankeert niets (uit 1994; met de zin, naar Joseph Conrad: We bestaan alleen voor zover we samenhangen met anderen) en in essays waarin hij de vrees uitte dat er op dit gebied te snel wordt gehandeld en te weinig ruimte voor reflectie is. De dood is niet maakbaar, verkondigde Otten, die moet mysterie en taboe blijven.

De schaamte, het mysterie, de verbeelding: Otten wil deze begrippen onderzoeken, zonder ze voorgoed te verklaren. Ze zijn de bron van zijn precieze beschouwingen en gedichten, die de geest en zintuigen van de lezer aanspreken en scherpen.

Meer over