Een veranderend vaderlandbeeld

Er is een nieuwe loot aan de stam van de geschiedwetenschap: begripsgeschiedenis. In navolging van een Duits voorbeeld wordt nu ook in Nederland de historische ontwikkeling van kernbegrippen in de vaderlandse geschiedenis onderzocht....

IN HET LAATSTE decennium van de zestiende eeuw heeft onze opstand tegen Spanje even het aanzien gehad van een 'bewegingsoorlog' op het eigen grondgebied. Het waren de Tien Jaren die Fruin 'misschien de gewichtigste uit onze geheele geschiedenis' noemde, omdat zij 'door een reeks van gelukkige krijgsbedrijven onzen bodem aan den vijand hebben zien ontweldigen'.

De beweeglijkheid van het rebelse leger laat zich aflezen aan Maurits' veroveringen tussen 1590 en 1597: Breda, Hulst, Nijmegen, Zutphen, Deventer, Steenwijk, Coevorden, Geertruidenberg, Groningen, Oldenzaal, Groenlo - geen kleinigheid gezien het feit dat het om voetvolk ging, dat bovendien eind september gewoonlijk al weer z'n winterkwartieren moest opzoeken.

Gelukkige krijgsbedrijven inderdaad, als je tenminste uitgaat van het doel dat we achteraf heilig achtten: de bevrijding van het vaderland.

Maar wat heette toen vaderland, en wat heette bevrijding?

Fruin citeerde al een klacht van de Staten van Gelderland uit 1589, 'dat onze eigen soldaten zich gedragen alsof het land hun tot roof is gegeven, en alsof ze hun soldij ontvangen om het land te verwoesten, de onderdanen te kwellen en alles te ruïneren, soms erger dan de vijand', en in een andere bron werd schande gesproken van het 'goddeloze leven' (vloeken, schelden, dobbelen, drinken en hoereren) dat zowel door de manschappen als hun superieuren werd geleid. En dat juist ook weer bij 'crijchsvolk, aen onse sijde dienende'.

Nu stond Maurits bekend als een streng bevelhebber, die op het punt van de discipline weinig door de vingers zag (al mocht hij zich na gedane zaken samen met de troep graag volhijsen), maar hij had natuurlijk niet veel te zeggen over de reusachtige bende aan sjacheraars, marketentsters, prostituees, verklikkers en profiteurs die in die dagen als een bedenkelijk soort F-side met de legers placht mee te reizen. 'Grauw en geboefte', moet Fruin ook toegeven, 'zoo mag men inderdaad het volk noemen dat, met weinige oprechte vaderlanders in zijn midden, en aangevoerd door eenige uitstekende oversten, onze onafhankelijkheid op den Spanjaarden veroverd heeft.'

Tel daarbij op dat het merendeel van de Drentse, Gelderse en Groningse boeren en buitenlui die de horde over hun erf kregen, nog niet was aangeraakt door het calvinisme en nog gewoon te biecht ging bij meneer pastoor, die bij de nadering van de gereformeerde vendels beter de benen kon nemen - en het begrip bevrijding krijgt al meteen iets dubbelzinnigs, terwijl het begrip vaderland voor de meesten nog niet veel meer dan hun geboortegrond (hun Heimat) of op z'n verst de dichtstbijzijnde stad zal hebben betekend.

De Tachtigjarige Oorlog was in z'n eerste fase nou eenmaal ook, en misschien wel vooral, een ontwrichtende burger-oorlog, waarin het onderscheid tussen vrijheid en onderdrukking als vliesdun moet zijn ervaren. En we weten nog altijd niet precies wat de dichter bedoelde toen hij Wilhelmus van Nassouwe liet verzekeren dat hij tot inden doot 'den Vaderlant ghetrouwe' zou blijven.

Kunnen we hier mogelijk te rade bij de begripsgeschiedenis?

Begripsgeschiedenis is een tamelijk jonge specialistische zijtak van de ideeëngeschiedenis, die zich bezighoudt met de historische ontwikkelingsgang van een aantal grondbegrippen en die de geleidelijke veranderingen in hun betekenis niet alleen probeert te traceren, maar ook wil verklaren: hoe evolueerde het 'vaderland' dat zich in de dagen van de Hoekse en Kabeljauwse twisten vermoedelijk niet verder uitstrekte dan wat Jan van Schaffelaar van de toren van Barneveld kon overzien, via het 'vaderland' van de Geuzen van 1572 of de Patriotten uit 1780, tot aan het vaderland waarbinnen we aan het eind van de twintigste eeuw onze al dan niet bestaande nationale identiteit koesteren?

De weg naar het nieuwe methodologische werkterrein is geëffend in Duitsland, waar tussen 1972 en 1997 acht delen verschenen van Geschichtliche Grundbegriffe, nader aangeduid als een 'historisches Lexikon zur politisch-sozialen Sprache in Deutschland'. In dat 'begrippenwoordenboek', waarin een kleine tweehonderd lemma's aan de orde komen, is uitgegaan van de veronderstelling dat in de loop van de achttiende eeuw - als in Europa het ancien régime allengs wordt afgeschud - een aantal politieke, sociale en culturele grondbegrippen fundamenteel van functie zijn veranderd en de betekenis hebben gekregen waarmee ze in zekere zin 'gemeengoed' konden worden: hanteerbaar voor een steeds groeiend aantal deelnemers aan het maatschappelijk debat, klaar voor ideologisch gebruik en tot op deze dag inzetbaar bij actuele politieke onenigheid.

Geïnspireerd door dat Duitse voorbeeld werd in Nederland (op initiatief van het Instituut voor Cultuurgeschiedenis van de Universiteit van Amsterdam) een projectgroep in het leven geroepen, die voortvarend aan het werk moet zijn gegaan, want de eerste plannen werden gesmeed in het studiejaar 1994-1995, en nu al zijn de eerste twee kloeke delen verschenen van wat - niet als een lexicon, maar in de vorm van afzonderlijke, multidisciplinair opgezette bundels - een ware Reeks Nederlandse Begripsgeschiedenis moet worden. 'Vaderland' en 'vrijheid' zijn de eerst behandelde 'trefbegrippen'. Van de begrippen 'beschaving', 'burger' en 'republiek' wordt gemeld dat ze in voorbereiding zijn.

Indien de begripsgeschiedenis, zoals samenstellers en inleiders nadrukkelijk verklaren, een hulpwetenschap is, ben je gauw geneigd te vragen: wat helpt het me dan? Kom ik er dichter mee in de buurt van de modale roomse inwoner van Oldenzaal die in 1579 zijn stad door de prins van Oranje 'bevrijd' zag worden? Verheldert het mijn zicht op de mate waarin het liberale Nederland van de negentiende eeuw als het ware met terugwerkende kracht een nationaal vaderlandbeeld heeft geconstrueerd waarin de roomse Oldenzaler alsnog prinsgezind en gereformeerd werd? Leert het mij iets nieuws over de politieke en godsdienstige machtsverhoudingen in de Republiek ten tijde van het Twaalfjarig Bestand, of over de invloed van taal en begripsvorming op de burgerrevolutie aan het eind van de achttiende eeuw?

Beetje te veel gevraagd misschien.

In zijn algemene inleiding tot de reeks vermeldt de Amsterdamse historicus Velema veler kritiek op het theoretisch fundament van de begripsgeschiedenis, en hij vervolgt: 'Uiteindelijk moet de begripsgeschiedenis haar waarde natuurlijk in de praktijk bewijzen. Dat zij dat reeds doet, kan niet worden betwijfeld. Want ondanks de theoretische onzekerheden rond dit genre van geschiedbeoefening luidt het unanieme oordeel van de commentatoren dat het tot nu toe gepresenteerde inhoudelijke begripshistorische werk' (van met name de Duitse grondleggers) 'een volstrekt onmisbaar hulpmiddel vormt voor een ieder die zich op serieuze wijze met de betreffende landen en tijdvakken bezighoudt.'

Deftig, en defensief - maar voorzichtigheid is tenslotte de moeder van de historische porseleinkast.

Meeslepende boeken zijn Vaderland en Vrijheid ook niet geworden. Het is duidelijk dat de samenstellers zich om te beginnen hebben willen beperken tot een zo breed mogelijke inventarisatie ter afbakening van het werkterrein: voor beide bundels zijn zo'n vijftien zeer diverse medewerkers aangetrokken, en dat garandeert vanzelfsprekend een grote variatie aan deelonderwerpen. Historici zijn in de meerderheid, maar men heeft ook bijdragen opgenomen van neerlandici, kunsthistorici en specialisten op het gebied van de godsdienstgeschiedenis.

Met gepaste trots maken de initiatiefnemers gewag van verschillen tussen hun aanpak en die van het Duitse Lexikon. Waar bij de Duitsers vooral uit klassieke teksten werd geput, 'onderscheidt het Nederlandse project zich door het streven naar benutting van een zo breed en gevarieerd mogelijk bronnenmateriaal, zodat de onderzoeksresultaten enige aanspraak op maatschappelijke representativiteit kunnen maken. Dit betekent in elk geval dat voor ieder begrip behalve woordenboeken en teksten uit de 'hoge cultuur' ook talrijke 'volksnahe' bronnen als pamfletten en kranten worden geanalyseerd'. Bij alle voordelen van zulk niet-hiërarchisch gebruik van vindplaatsen (ook uit volksballaden, toneelkluchten, straatliederen), is het nadeel uiteraard dat zich een onafzienbare mer à boire opent.

De bijdragen van Mieke Smits over de connotaties van het woord 'vaderland' bij de late rederijkers, en van H. Duits over het begrip 'vrijheid' op het Nederlandse toneel van de zeventiende eeuw zijn rijkelijk met illustratieve citaten besprenkeld, maar als je door Worp bladert, die in zijn Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland ongeveer de hele overgeleverde theaterliteratuur van tussen 1570 en 1700 heeft afgeschreven (met honderden vaderlanden en vrijheden), moet je haast wel aannemen dat de moderne begripshistorici enigszins naar zichzelf toe hebben geciteerd.

Dergelijke opstellen - het geldt ook voor het mooie, kleine monografietje van A.J. Hanou over de mode van imaginaire reizen in de Verlichtingstijd (in Vrijheid), of voor Peter van Roodens analyse van de biddagsbrieven die de Staten-Generaal in dezelfde periode verzond (in Vaderland) - blijven bovendien vaak heel erg in zichzelf besloten, hebben weinig historische omgeving, en dienen vrijwel uitsluitend de spreekwoordelijke vierkante onderzoeksmillimeter: de sprong van hulpmiddel naar vergezicht wordt niet gewaagd.

Niet toevallig waarschijnlijk zijn de behartenswaardigste (en dikwijls dan ook meest leesbare) artikelen van die specialisten die hun begripshistorische oefeningen toepassen op een tijdperk, of een onderwerp, dat ze blijkens vroegere publicaties ook in generieke zin op hun duimpje kennen. Van Sas over begripsverandering (van het woord 'vaderland') en politieke conjunctuur in de Patriottentijd, of Aerts en Te Velde over 'de taal van het nationaal besef' tussen 1848 en 1940, en ook Spoormans over het begrip 'vrijheid' in het politieke jargon van de late negentiende eeuw, zijn wat dat betreft de beste pleitbezorgers van de begripsgeschiedenis als hulpwetenschap: zij geven het antwoord op de vraag als hulp waartoe de methode inderdaad haar nut kan hebben.

En dat nut blijft 'onbewezen' in een opsomming als die van Martin van Gelderen, die nog eens aantoont hoe zich - ook in het 'officiële' spraakgebruik de staatkundige 'vrijheid' zich ontwikkelde uit de oude, half en half nog feodale vrijheden der privileges. Ook zonder zich op een begripshistorisch model te beroepen wist de oude Motley al wat voor vlees hij met Oldenbarnevelt in de kuip had: 'A champion of liberties rather than of liberty.'

Alle klachten daargelaten - maar zou in de volgende delen geprobeerd kunnen worden het gebruik van het begrip 'vertoog 'iets te mitigeren? In het heldere opstel van Blaas (in Vaderland) turfde ik het vijftien keer op anderhalve bladzij - liggen er intussen twee respectabele bundels op tafel. Al roepen ze geen van beide meteen het gevoel op dat in de zestiende eeuw in Drenthe moet hebben geleefd over Holland, of in het vroom-katholieke Geertruidenberg bij de intocht van Maurits.

Meer over