modetentoonstelling global wardrobe

Een tentoonstelling over culturele kruisbestuiving in de mode: van ordinair jatwerk tot inspirerende makers

Tapijtjas van Lisa Konno, behorend bij het multidisciplinaire project Baba, 2019. Beeld Kunstmuseum Den Haag
Tapijtjas van Lisa Konno, behorend bij het multidisciplinaire project Baba, 2019.Beeld Kunstmuseum Den Haag

Hoe westers is westerse mode? Waar stopt de culturele waardering en begint de toe-eigening? De toonstelling Global Wardrobe in het Kunstmuseum in Den Haag gaat die vragen niet uit de weg.

Het is glad ijs, dat realiseert conservator Madelief Hohé van het Kunstmuseum in Den Haag zich maar al te goed. Een tentoonstelling maken rondom culturele kruisbestuivingen die al eeuwenlang binnen de mode plaatsvinden is linke soep. Omdat die kruisbestuiving, en dan met name het lukraak gebruiken van motieven en kledingstukken uit andere culturen, een gloeiend heet hangijzer is, momenteel. Cultural appropriation is de term die gebruikt wordt door mensen die het een kwalijke zaak vinden wanneer traditionele franjes, symbolen of tooien zonder bronvermelding opduiken in collecties van westerse ontwerpers. Cultural appreciation, roepen anderen die er de faux pas niet van inzien en vinden dat alles en iedereen van de wereld is, en de wereld van iedereen.

Hohé heeft het aangedurfd. Omdat, zegt ze, deze tentoonstelling hard nodig is en omdat ze die al heel lang wil maken. In 1994 zag ze de expositie Orientalism in The Metropolitan Museum of Art in New York, en toen begon het te kriebelen. Want ze wist: in het depot van het Kunstmuseum liggen oneindig veel stuks die weliswaar in Nederland gemaakt en gedragen zijn, maar qua stof of snit hun oorsprong vinden in China en andere verre oorden. En dat geldt niet alleen voor mode uit de 17de eeuw, maar zeker ook voor de veel recentere stukken van Nederlandse ontwerpers uit de jaren zestig, zeventig en daarna. En het is, hoe pijnlijk het VOC- en koloniale verleden ook is en hoe hard er ook wordt geroepen om ons daar collectief diep voor te schamen, belangrijk om ook die verhalen te vertellen. Juist omdat ze zo pijnlijk zijn. En omdat met de correcte, volledige context ook duidelijk wordt waaróm dan.

Japonnen van sits (handbeschilderde stof) uit India volgens Europese mode, omstreeks 1780-1795 Beeld Kunstmuseum Den Haag
Japonnen van sits (handbeschilderde stof) uit India volgens Europese mode, omstreeks 1780-1795Beeld Kunstmuseum Den Haag

Daar komt nog bij dat er in 2015 een ‘actieve interventie’ plaatsvond die Decolonize the Museum heet. Doel was musea breder te laten kijken dan hun louter westerse blik, en om duidelijk te maken dat Darwins idee dat de mens, en dan met name de westerse man, de hoogste vorm van beschaving vertegenwoordigt, belachelijk ouderwets is.

Als Hohé die tentoonstelling tien jaar eerder had gemaakt, was ze anders, en vooral minder behoedzaam te werk gegaan. Ze had minder geweten over gevoeligheden en nuances. Nu zorgde het feit dat cultural appropriation vandaag de dag zo gevoelig ligt ervoor dat ze niet over één nacht ijs ging. Ze werkte nauw samen met Daan van Dartel van het Nationaal Museum van Wereldculturen, die haar wees op de hardnekkige gewoonte van musea om westerse mode op mannequins te tonen, en niet-westerse als ‘etnografisch textiel’ op te hangen of neer te leggen – alsof het niets met de mens van doen heeft. Van Dartel legt in de catalogus die bij de tentoonstelling hoort ook haarfijn uit wat culturele toe-eigening nou eigenlijk is: het naar eigen wens en smaak gebruiken van elementen uit een cultuur waar je zelf niet toe behoort. Iets wat kunstenaars, architecten, muzikanten en koks al eeuwenlang doen en wat vooral ook veel moois heeft opgeleverd.

Dat het af en toe toch problematisch wordt, zit ’m in de machtsverhoudingen: als stijlelementen van een sociaal-culturele minderheid gebruikt worden door leden van een dominante cultuur. Zeker als het gaat over cultureel erfgoed van groepen die zich moesten aanpassen aan de normen van koloniale heersers en hun eigen cultuur en erfgoed gedwongen los moesten laten. Van Dartel schrijft: ‘In een samenleving waarin een dominante groep bestaat, hebben minderheden de eigen cultuur nodig om om hun identiteit vorm te geven, solidair te zijn en om kracht uit te putten. Kortom: om te overleven.’

Voorbeelden van hoe het mis kan gaan: de ‘verentooi’ die model Karlie Kloss droeg tijdens een Victoria’s Secret lingerieshow in 2012. Die tooi, en alle soortgelijke tooien die gedragen worden door voetbalsupporters, carnavalisten en songfestivalkandidaten, symboliseert alles wat de Native Americans is afgepakt, zelfs het recht om zo’n tooi te dragen. Komt nog bij dat alleen mensen die veel voor de gemeenschap hebben gedaan het verdienen om zo’n tooi te dragen – en daar vallen Karlie Kloss en Joan Franka dus niet onder.

Nog een voorbeeld: de Franse ontwerper Isabel Marant verkocht in 2015 bloezen en in 2020 poncho’s met daarop borduursels en patronen die ze van Mexicaanse inheemse drachten had afgekeken, zonder erbij te vermelden waar haar inspiratie vandaan kwam. De bloes was een exacte kopie van een xaamnïxuy uit het Mixteeks-Zapoteeks dorp Santa Maria Tlahuitoltepec, de motieven refereerden aan het lokale geloof en de sterren, bergen en planten. De poncho was ook al zo’n voorbeeld van culturele identiteit, die had ingeweven motieven van de Purépecha-gemeenschap. Er werd op sociale media flink aan de bel getrokken, maar Marant liet weten dat het waardering was, geen toe-eigening.

Het ís ook lastig om te bepalen waar de waardering eindigt en de toe-eigening begint. Glad ijs zoals gezegd, want voor je het weet hang je aan de hoogste boom op sociale media. Er zijn minder redenen om op je tellen te passen. Vandaar dat Hohé vroeg om de mening van de Raad van Advies van het Kunstmuseum. De aanbeveling die kwam luidde: wees júist niet te bang en te verkrampt. We voelen dat jullie integer te werk gaan. Als je het duidelijk uitlegt, is het goed.

En toen kon Hohé los. Allereerst met het kiezen uit het eigen depot, daarna met het aanvragen van bruiklenen en het leukste: tot in alle uithoeken van de wereld op zoek gaan naar jonge ontwerpers die hun culturele identiteit in hun werk hebben verweven. Het leverde een tentoonstelling op die meerdere eeuwen omvat en uit alle windrichtingen komt. In totaal staan er 163 stuks opgesteld, en voor de vormgeving tekende opnieuw vaste art director Maarten Spruyt, die focuste op tactiliteit, texturen en structuren. De doorgangen tussen de zalen transformeerde hij tot poorten door er afbeeldingen van bestaande poorten uit de hele wereld op aan te brengen. Uiteraard mét zorgvuldige naam- en bronvermelding.

‘Japonse rocken’ in kimonomodel van Chinese zijde, omstreeks 1750-1775.  Beeld Kunstmuseum Den Haag
‘Japonse rocken’ in kimonomodel van Chinese zijde, omstreeks 1750-1775.Beeld Kunstmuseum Den Haag

Wat de opbouw betreft: die is niet chronologisch. Het spektakelstuk wordt voor het laatst bewaard. In een grote zaal staan daar langs een wandelpad tientallen historische jurken en kostuums opgesteld uit het depot van het museum. Alsof je uit een tijdmachine stapt en opeens omringd wordt door 18de- en 19de-eeuwse figuren. Daar wordt het verhaal verteld over de sits (beter bekend onder de Engelse term chintz): de beschilderde of blokbedrukte katoenen stof die door de VOC-schepen uit India werd meegenomen om te worden verwerkt in robes à la française, jakken en rokken. Het is ook de zaal waar een paar prachtige ‘Japonsche rocken’ staan, de 18de-eeuwse benaming van Japanse jassen die door deftige heren als kamerjas werden gebruikt, en later door geleerden en studenten. En er staat een hele rij tropenkleding: outfits die mannen en vrouwen droegen in het koloniale Indonesië, waarbij elementen uit Indonesië, India en Nederland samensmolten.

Zijden avondjurk met op Japan geïnspireerd borduurwerk, omstreeks 1925 Beeld Kunstmuseum Den Haag
Zijden avondjurk met op Japan geïnspireerd borduurwerk, omstreeks 1925Beeld Kunstmuseum Den Haag

Die versmelting ging niet altijd even subtiel of respectvol. In de jaren twintig van de vorige eeuw, zo toont de eerste zaal, was exotische kleding in het Westen een trend, maar werd er, nogal bruut, in originele oosterse stukken als kimono’s en pyjama’s gerust de schaar gezet om ze beter passend te maken aan lichaam en/of tijdgeest. Anderzijds werd er, onder invloed van ontwerpers als Paul Poiret, naar hartelust gefantaseerd en werd het verre oosten net zo makkelijk gecombineerd met Duizend-en-één nacht. Als het maar oriëntaals oogde, dan was het hip.

Een zaal verder, over de jaren zestig en zeventig, zien we iets dergelijks gebeuren, wanneer hippies zich gaan hullen in Indiase jurken, Afghaanse jassen, franjes, kralenkettingen en patchouliparfums bij wijze van verzet tegen de gevestigde orde. Ook bekende ontwerpers als Yves Saint Laurent en later Jean Paul Gaultier putten graag en gretig uit andere culturen om ze naar eigen believen te mixen. In de jaren negentig waren het vooral John Galliano voor Dior en Alexander McQueen voor Givenchy die zich te buiten gingen aan het creëren van fusion fashion en hun modellen hulden in Masai-achtige halskettingen, verentooien en fantasiekimono’s. Creaties waar toentertijd niemand boos om werd, maar die nu op z’n minst opgetrokken wenkbrauwen of vragen oproepen. Vandaar dat Madelief Hohé verrast was dat ze uitgeleend werden voor deze expositie, zodat iedere bezoeker kan zien hoe kort het nog maar geleden is dat het allemaal oké werd gevonden.

Polyester ‘Flying saucers’-jurk van Issey Miyake, 1994  Beeld Kunstmuseum Den Haag
Polyester ‘Flying saucers’-jurk van Issey Miyake, 1994Beeld Kunstmuseum Den Haag

Waar de West-Europese modeontwerpers in de jaren zeventig en tachtig enerzijds behoorlijk naïef leentjebuur speelden bij Azië, kwamen tegelijkertijd de eerste Aziatische ontwerpers op, om in Parijs een plek in de spotlights te verwerven. Mensen als Yohji Yamamoto, Kenzo Takada en Issey Miyake, die een nieuwe esthetiek en nieuwe silhouetten introduceerden vanuit Japan. In Nederland traden vanaf de jaren nul ontwerpers met niet-westerse roots naar voren. Marga Weimans en Karim Adduchi braken door met collecties die draaiden om hun respectievelijke Surinaamse en Berberachtergrond. In 2019 maakte Lisa Konno, dochter van een Japanse vader, de projecten Nobu en Baba rondom stereotyperingen over immigranten. Alledrie zijn ze te zien in Den Haag, omringd door andere Nederlandse succesnummers als Daily Paper. En door bekende buitenlandse nieuwkomers als Thebe Magugu, Tomo Koizumi en Christopher John Rogers en Kenneth Ize, aangevuld met relatief onbekende jonge ontwerpers uit India, Canada, Mexico en Bolivia.

Creatie van Karim Adduchi uit de collectie She Knows Why the Caged Bird Sings, 2016
 Beeld Kunstmuseum Den Haag
Creatie van Karim Adduchi uit de collectie She Knows Why the Caged Bird Sings, 2016Beeld Kunstmuseum Den Haag

Het grondige zoek- en huiswerk van Hohé leverde veel fascinerende outfits op om te bekijken en veel stof tot nadenken. Laatste vraag nog: is het kopen en dragen van kleding van native ontwerpers met de kennis van nu voorbehouden aan mensen met diezelfde achtergrond? Nee, stelt Native American ontwerper Jamie Okuma in een zaaltekst van de tentoonstelling: ‘Niet-natives worden overgevoelig omdat ze niemand willen kwetsen. Koop het alsjeblieft, als je het hebben wil. Mijn werk is voor iedereen, inheems werk is voor iedereen.’

Global Wardrobe – De wereldwijde modeconnectie. Kunstmuseum Den Haag, t/m 16/1. Gelijknamige catalogus door Madelief Hohé en Daan van Dartel; uitgeverij Waanders; € 24,95.

Xibelani-rok van Rich Mnisi, gemaakt van 5 km wol, gebaseerd op de Tsonga-cultuur, 2021
 Beeld Kunstmuseum Den Haag
Xibelani-rok van Rich Mnisi, gemaakt van 5 km wol, gebaseerd op de Tsonga-cultuur, 2021Beeld Kunstmuseum Den Haag

Rok & wol

Dit feestelijke rokje is niet zomaar een stuk textiel, het is een Xibelani-rok, gemaakt in Zuid-Afrika door ontwerper Rich Mnisi. Zijn kledingstukken refereren aan de tradities en technieken van de Tsonga-cultuur. De rok uit Mnisi’s Hiya Kaya-collectie uit 2021 is geïnspireerd op de kleding die gedragen wordt bij de hyperenergieke Xibelani-dans en is gemaakt van maar liefst 5 kilometer wol.

Meer over