Een stil geloof in engelen

Na een leven van onpeilbare waanzin en wreedheid

Bergen Ineke

Hij kende haar beter dan de andere kinderen van zijn klas. In haar lunchtrommeltje zaten boterhammen die ze zelf had klaargemaakt. De korsten waren eraf gesneden en apart ingepakt. Dan smaakten ze lekkerder, warm, als kaneel. Ze was 11 jaar toen, op vrijdag 3 november 1939, haar lichaam in een veld gevonden werd, naakt.

Iemand had dingen met haar gedaan 'die een normaal mens een hond niet eens aandoet, laat staan een klein meisje'. Dat had Reilly Hawkins gezegd. 'Zal wel een van die negers geweest zijn', zei Gunther Kruger. Zijn moeder wenste zulke praatjes niet in haar huis te horen. 'Adolf Hitler is een blanke man, net als Djengis Khan een mongool was en Caligula een Romein. Het gaat niet om nationaliteit, of kleur, of religie... Het gaat altijd om de mens zelf.'

In zijn bed dacht hij aan de manier waarop Alice Ruth Van Horne vaak naar hem keek, wachtend op een antwoord dat hij nooit gegeven had. Joseph Calvin Vaughan was 12 jaar toen hij geloofde dat God van Alice meteen een engel had gemaakt.

Joseph Vaughan - hoofdpersoon in Een stil geloof in engelen, van de Engelse auteur R.J. Ellory - heeft op pagina 359, na een leven van onpeilbare dieptes, waanzin, wreedheid, razernij, maar ook liefde, hartstocht en belofte, nog steeds dat stille geloof. Hij is dan 36 jaar, letterlijk en figuurlijk opgesloten, alles is van hem afgenomen, behalve zijn talent om te schrijven.

Hij herinnert zich wat zijn moeder tegen hem zei toen hij nog een jongen was en al opmerkelijk goede opstellen en verhalen schreef. 'Je moet nooit ophouden met schrijven. Zo zal de wereld zien wie je bent.'

Met die drang, die noodzaak om het verhaal van zijn leven te vertellen, begint het boek. Of beter: met het geluid van pistoolschoten, als brekende botten. In de permanente overdosis aan geluid in New York wordt het geabsorbeerd. Het afgehakte lawaai op de derde verdieping van een hotel laat de stad koud. Een leven, so what.

Het begin van een biecht, een testament, de waarheid, waarin de verteller de warmte van zijn eigen bloed op zijn handen voelt, nog steeds ademt, naar het lichaam van een dode man kijkt, en weet dat er recht is gedaan. De gedachten en gevoelens van de man in de hotelkamer zullen regelmatig terugkomen, maar het is vooral van belang terug te gaan in de tijd. Naar het stadje Augusta Falls in Georgia, waar een jongen op woensdag 12 juli 1939 voor het eerst de dood zag. Hij kwam zijn vader halen, via de High Road, lopend, want toen Joseph later ging kijken zag hij geen afdrukken van paardenhoeven of fietsbanden. Nog geen vier maanden later werd het eerste verminkte en vermoorde meisje gevonden.

Hoe de jongen gegrepen, bijna geestelijk vermorzeld wordt, door deze en volgende moorden - want er volgen er veel meer, steeds gruwelijker in stukken gehakte kleine dode meisjes - wordt prachtig en krachtig beschreven. Een levenslang schuldgevoel, het besef gefaald te hebben, niet te kunnen beschermen, loopt als een rode, wurgende draad door zijn leven.

Neem daarbij de ogenschijnlijk eenvoudige, indrukwekkende beschrijvingen van een stadje en de bewoners in het zuiden van Amerika, met de Tweede Wereldoorlog als wrede meespeler in vooroordelen en misdaden ter plaatse. Er zijn de liefdes van Joseph Vaughan, die eindigen in tragedies, er is de jacht op de moordenaar, maar vooral ook de overleving, en de literaire triomf van de hoofdpersoon, die evenals auteur Roger Jon Ellory een indrukwekkend boek schreef over 'een leven om vast te houden', en niet 'tussen onverschillige en onoplettende vingers weg te laten glippen'.

Meer over