Een standbeeld gerestaureerd

En ogenschijnlijk haast in één moete door 'bevlekte' hij het monument met de onthulling dat de jonge KNIL-luitenant in 1894 gedurende de Lombok-expeditie verantwoordelijk was geweest voor wreedheden die we later als 'excessen', en nòg later gewoon als oorlogsmisdaden zouden leren benoemen.

In brieven aan zijn ouders en zijn echtgenote had Colijn in betrekkelijke geuren en kleuren verslag gedaan van hoe hij onder andere negen vrouwen en drie kinderen die om genade vroegen had laten doodschieten. 'Het was onaangenaam werk, maar 't kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten.'

Het nieuws - want dat was het: eerdere onderzoekers hadden in het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme, van de Vrije Universiteit, consequent de andere kant opgekeken als ze bij de oude correspondentie waren aangekomen - haalde alle media, maar veroorzaakte vooral in voormalig anti-revolutionaire kring, en meer speciaal onder historici bij de VU, schrik, deining en geleerde ruzie. Een nogal bizar apologetisch pamflet van de directeur van het Documentatiecentrum en aansluitend een langdurige polemiek toonden aan dat de mannenbroeders op weg naar de wetenschappelijke volwassenheid de mijlpaal van de ontzuilde geschiedschrijving nog niet helemaal waren gepasseerd.

We schreven toen 1998.

Kan de interne richtingenstrijd het werk van Langeveld hebben opgehouden? Niet onmogelijk. Hij was tenslotte pas halverwege, dat wil zeggen: hij had over de periode 1869-1933 het avontuurlijke leven geschetst van de eerzuchtige boerenzoon uit de Haarlemmermeer die het op alle terreinen die hij betrad haast vanzelfsprekend ver zou schoppen: in het leger, in ondernemersland (directeur van de Bataafsche Petroleum Maatschappij, tegen een toenmalig topsalaris waar geen Tabaksblat naar kraaide) en algauw ook in de politiek. In het jaar van Hitlers machtsovername bereikte hij daarin de top om er tot 1939 te blijven. Dus schreef Langeveld aan het eind van zijn eerste deel, als om de spanning er in te houden: 'Hoe zou Nederland zich onder Colijns leiding in deze moeilijke omstandigheden staande houden?'

De cliffhanger leek volmaakt. En niemand had het vervolg natuurlijk al 'volgende week in de bioscoop' mogen verwachten. Maar zes jaar later? Uit het vorige week verschenen deel II van de biogafie werd meteen wéér een detail tot nieuws verheven. 'Colijns liefje vertrok met zwijggeld naar Argentinië', kopte de Volkskrant handenwrijvend - maar het ziet er niet naar uit dat de Vrije Universiteit andermaal in rep en roer zal raken. Het bestaan van Hella Schultz was bekend, en dat Colijn werkelijk een ontuchtige relatie met haar zou hebben onderhouden (zelf heeft hij altijd volgehouden dat hij die Dirne aus Berlin bij haar vlucht uit Hitler-Duitsland slechts een financiële handreiking heeft gedaan) acht Langeveld weliswaar waarschijnlijk, maar lang niet zo bewijsbaar als de welbewuste moord op twaalf of meer onschuldige inlanders.

En los daarvan: Hella was op z'n ergst een incidentele faux pas van de eerbiedwaardige staatsman. 'Lombok' zei iets fundamenteels over z'n karakter, dat in de volgende vijftig jaar ook niet zou veranderen. 'Dit leven van krachtig handelen' luidde dus de ondertitel van Langevelds deel I: het adagium van de krijgsman, de houwdegen, de ijzervreter die de schietpartij 'onaangenaam werk' had genoemd, en er nog aan toevoegde: 'In den oorlog kan men geen jongejuffrouwen gebruiken.'

Veertig jaar later is de meedogenloze luitenant, zonder z'n streken te hebben verloren, gelouterd als de sterke man om wie het bange vaderland tegenover de boze buitenwereld van de jaren dertig intens verlegen zit. Zodra het nieuws van de muiterij op de Zeven Provinciën in februari 1933 bekend was geworden, liet Colijn - nog geen premier - in zijn eigen Standaard weten dat de vloot moest worden gezuiverd 'van alle opstandige gespuis'. En daags daarna, in een interview met Het Vaderland, pleitte hij ervoor de gekaapte boot 'zoo noodig met een torpedo naar den bodem van den Oceaan te zenden'.

Dat wilde het land horen. Hier sprak de Schipper naast God: de ondertitel die Langeveld aan zijn tweede deel meegaf.

In mei 1933 had Colijn het eerste van z'n vier (eigenlijk vijf) crisiskabinetten gereed, en kon het antwoord beginnen op de vraag hoe het koninkrijk zich onder zijn leiding zou houden in de 'moeilijke omstandigheden' die het decennium voor de wereld in petto had.

Anders dan in het overwegend chronologisch vertelde verhaal van deel I heeft Langeveld zijn tweede deel half-thematisch gestructureerd naar de wijze waarop Colijn het hoofd heeft geboden aan de drie of vier grote nationale en deels internationale problemen die om een oplossing of op z'n minst een modus vivendi vroegen:

Hoe moest hij (of moest het land) zich opstellen tegenover het nationaal-socialisme in Duitsland? Hoe kon de economische crisis beheerst of liefst gekeerd worden, zonder dat Nederland de gouden standaard zou hoeven verlaten, die voor Colijn in termen van nationaal prestige en bankierswijsheid meer dan een Heilig Huis betekende? Hoe kon in tijden van neergang de verdediging van het vaderland - en belangrijker nog: van Indië - worden gefinancierd? En ten slotte: hoe kon hij zich, steeds meer eenling in het politieke landschap, en zelfs van z'n eigen partij enigszins vervreemd, handhaven aan de top? Want we weten: aan macht was hij net zo verslaafd als aan dure sigaren.

Langeveld heeft elk van die thema's aangepakt en uitgewerkt met de precisie, de consciëntie en de omzichtigheid die hij zes jaar geleden in z'n eerste deel ook al aan de dag had gelegd. Als je een aangekoekt standbeeld wilt afbikken - en de sporen wilt verwijderen van zowel de hagiografen als de fanatieke tegenstanders zonder het origineel te beschadigen - moet je met overleg te werk gaan.

Je ziet het onmiddellijk aan het eerste caput dat onder handen wordt genomen, en waarover nog altijd veel mythen en legenden de ronde doen: de relatie tot fascisme en parlementaire democratie.

Dat Colijn lange tijd een bewonderaar is geweest van Mussolini (met wie hij in de jaren twintig ook contact had gezocht: hij was een groter kosmopoliet dan het hele Binnenhof bij mekaar) staat vast. Hij zal realist genoeg zijn geweest om te beseffen dat zelfs het Nederland van de jaren dertig niet op een duce zat te wachten - maar toch. Ook Churchill trouwens, met wie Colijn eveneens vriendschappelijke betrekkingen onderhield, vond Mussolini aanvankelijk een zegen voor Italië.

Colijns 'flirt' had ook niet met het fascisme als zodanig te maken, maar met één facet: de afkeer van misschien wel de hele 'politiek', maar zeker met de bevoegdheden die de volksvertegenwoordiging stapje voor stapje had veroverd op de regering. In dat opzicht paste hij perfect in het overwegend anti-democratische klimaat dat kenmerkend was voor die dagen, waarin autoritaire regimes in Rome of Berlijn als een stuk minder dreigend golden dan het staatssocialisme van Moskou. Het Duitse nazisme heeft Colijn overigens van meet af aan verworpen vanwege z'n goddeloosheid, en vooral ook het antisemitisme.

En typerend voor misschien de 'Hollandse' cultuur waarin al die belangen, voorkeuren en angsten hun rol speelden: ondanks z'n grote, nationale stuurmansmandaat heeft Colijn nooit geprobeerd de invloed van het parlement metterdaad in te perken. Daarvoor had hij toch te veel ontzag voor z'n democratische achterban, redeneert Langeveld. Daarvoor, zou je kunnen zeggen, was hij toch te weinig een echte duce.

Zeer omstandig gaat Langeveld in op de kwestie van de gouden standaard en de late devaluatie van de gulden, waarvan intussen wel vaststaat dat die de werkloosheid jarenlang op een dubbel zo hoog niveau heeft gehouden als nodig was. Colijns dédain jegens Keynes (die lag wel op z'n nachtkastje, maar hij las Havank) en z'n tegenzin tegen het Plan van de Arbeid ('geldinspuitingen' noemde hij in sarcasme de roep om overheidsinvesteringen) komen uitvoerig aan de orde. Langeveld vat dat hoogstpersoonlijke beleid samen in het begrip 'bancair-gouvernementeel complex' - en moet concluderen dat het in dubbel opzicht mislukte: de regering ontwikkelde geen enkel alternatief voor de recordwerkloosheid die Nederland teisterde, en de gulden moest ten slotte toch vallen.

In feite is het ook met de andere twee uitdagingen waarvoor Colijn zich gesteld zag faliekant misgegaan. Omdat hij tot bijna vijf voor twaalf niet geloofde in een Duitse schending van onze neutraliteit, bleef de defensie hopeloos achter, en de plannen om vooral de positie in de Oost te versterken (hij wantrouwde Japan meer dan Duitsland) liepen ook op niks uit: in juli 1942 moest hij nog meemaken hoe zijn Indië in een paar weken tijd onder de voet werd gelopen.

En ondanks alle evenwichtskunsten op het Binnenhof, waar hij van meet af aan liever met de liberalen dan met de katholieken regeerde, was het de politieke wraak van de jonge Romme die hem uiteindelijk de das omdeed. Daarna moest hij toezien hoe z'n christen-historische rivaal De Geer - en dat was om de dooie dood géén 'sterke man' - een oorlogskabinet mocht leiden.

Spijt en wrok hebben hem misschien mede gebracht tot het defaitistische pamflet van juli 1940 waarin hij verkondigde dat we ons - op de grens van twee werelden - maar moesten verzoenen met een door de Nieuwe Orde gedomineerd Nederland waarin het huis van Oranje misschien nog een ceremonieel rolletje zou mogen spelen.

Het politieke einde, de herinnering aan feitelijke echecs, de verbanning naar het Thüringse Ilmenau waar hij in september 1944 aan een hartaanval overleed - het heeft bij mekaar opgeteld, na zo'n luisterrijke carrière, iets tragisch.

Was hij dat ook?

Langeveld doet geen uitspraak: z'n biografie is immers vooral een politieke biografie.

Helemaal aan het eind lijkt even iets persoonlijks om de hoek te komen.

'Terwijl Schouten', schrijft hij over Colijns latere opvolger, 'op een ongezellige bovenwoning in Rotterdam huisde, en daarmee het prototype van de sobere calvinist was, voerde Colijn in zijn riante villa aan de Haagse Stadhouderslaan de staat van een grand seigneur met een privé-secretaris, een particuliere chauffeur, twee inwonende dienstboden en een gezelschapsdame voor zijn vrouw. In veel opzichten was Colijn een on-antirevolutionaire anti-revolutionair.'

In veel opzichten was hij ook een reus. Maar dat kan gezichtsbedrog zijn, vanwege de dwergen om hem heen.

Herman Langeveld: Schipper naast God - Hendrikus Colijn, 1869-1944 - Deel twee 1933-1944.
Balans; 687 pagina's; euro 37,50.
ISBN 90 5018 717 X.

Meer over