Een soort familie

Op z'n kop in de palington geduwd

Serdijn Danielle

Het is bijna een jaar geleden dat de 16-jarige Tano Jansen om het leven kwam. Leeftijdgenoten hadden de dove jongen opgesloten in een container. Er was vuur ontstaan en kort daarna was de jongen dood.



In kranten werd de zaak aangeduid als 'de containermoord', maar al snel werd duidelijk dat Tano zelf het vuur had aangestoken. Van moord was geen sprake, wel van een verschrikkelijke samenloop van omstandigheden.



Deze gebeurtenis roept Kees van Beijnum (Amsterdam, 1954) in herinnering in Een soort familie, de achtste roman sinds hij in 1991 de journalistiek verruilde voor het schrijverschap. Van Beijnum begint zijn verhaal in de jaren tachtig, te Wieringen. Daar volgen we de in-keurige familie Draaijer, bestaande uit vader, moeder en de broers Teun en Hans. Het van buiten Wieringen afkomstige gezin wordt door de autochtone bevolking nadrukkelijk beschouwd als import - iets wat je vaker ziet in plattelandsgebieden en wat dikwijls uitsluiting tot gevolg heeft.



Ook in dit geval.
De positie van het gezin wordt verder bemoeilijkt door zijn pacifistische levenshouding, en het gevoel beter te zijn dan anderen. Wekelijks gaan de Draaijers erop uit om met geestverwanten over vrede te praten, terwijl de autochtone Wieringers bijeen komen om te drinken en te roken. Pummels noemt moeder deze lui, en kleine Teun zegt het haar na.



'Jullie bin toch tee'hn karnwoapens, toch?', vraagt een Wieringse boer, wat Teun bevestigt. In dezelfde ademtocht ontzenuwt hij wat altijd verondersteld wordt: dat ze communisten, rooien of Jehova's zijn.



De geschiedenis in Wieringen ligt ingebed in een actueler verhaal. Hierin volgen we de volwassen Teun die zojuist gescheiden is en daarna ontslagen als verkoper van kopieermachines. Wel heeft hij een minnares, al klinkt die betiteling spannender dan de beschreven feiten. Traag pelt Van Beijnum deze taaie schil van het kernverhaal. Lezen is hier zwoegen. Waarom deze fletse verhandeling verteld moet, blijft onduidelijk.



Vele malen boeiender is het drama dat zich in Wieringen voordoet. Ook hier neemt Van Beijnum rustig de tijd om op te bouwen: we volgen de jongens en hun bezigheden. Het gaat van opstelwedstrijd over vrede, naar spreekbeurt over Gandhi. Van hun ouders leren ze in redelijkheid te argumenteren, maar eenmaal op de middelbare school worden de broers geconfronteerd met de afschrikwekkende hardheid van hun klasgenoten.



Treffend toont Van Beijnum hoe dat proces van uitstoting werkt, en ook wat de broers doen om het te ondervangen. Als Teun een paar treden in de pikorde is gestegen omdat hij aardig voetbalt, wil hij hoe dan ook voorkomen weer in aanzien te dalen. Wanneer zijn vriend, de Joodse Avrom, eveneens een buitenbeentje, op zijn kop in de palington wordt geduwd door Wieringse visserszonen, geeft Teun geen kik.



Hij is immers pacifist, wat een goed excuus is voor zijn angsthazerij.
Er volgen meer van dit soort dubbelzinnige scènes. Teun leert van broer Hans om overal te zwijgen: thuis over het geweld op school, en op school over het werk voor de vrede. De opeenvolging van deze scènes maakt steeds duidelijker dat de broers gevangen zitten in hun milieu.
Hoe verstikkend, tragisch en desas-treus het is als kinderen mee moeten in de strikte levensbeschouwelijke overtuigingen van hun ouders. Laat kinderen vrij, is het pleidooi dat uit deze roman spreekt.



Hoe verstikkend het ouderlijk milieu is, ondervindt Hans. Wanneer hij verliefd wordt, en bruist van de energie, kan hij niet langer geloven in de van lol gespeende opvattingen van zijn ouders. Hij vertrekt van huis, naar een feest. Pa spoort hem op, trekt hem van zijn fiets en slaat hem in elkaar, waarop Hans een openstaande container in vlucht.



Het is voor het eerst dat Van Beijnum zich concentreert op iets dat groter is dan de relationele besognes van zijn personage. Eindelijk. Het gevolg is een thema

tisch aangrijpende roman, met ijzersterke scènes, een kruising haast tussen de wrede tienerroman Wij (2008) van de Vlaamse Elvis Peeters en het huiveringwekkende Uitgesloten (1997) van Paulo van Vliet, over een verliefde tiener die uitgesloten wordt uit de kring van Jehova's Getuigen.



Een soort familie is even geëngageerd. Als we de buitenste laag buiten beschouwing laten, dan heeft Van Beijnum werkelijk iets te zeggen.


Kees van Beijnum: Een soort familie. De Bezige Bij; 440 pagina's; € 19,95. ISBN 978 90 234 587 6.

Meer over