Een schipper vreest de wal

EEN BUITENLANDSE kunstschilder in een Noordhollands boerendorp in de polder, wat mot dat? Paulo moet hij heten, een klein kereltje uit Frankrijk, die in 1905 voor een tijdje het leegstaande doktershuis in Koedijk komt bewonen....

Voor zulke gasten moet je op je hoede zijn. De Koedijkers mogen dan nog zo'n aanlokkelijke wolkenlucht boven hun koppen hebben hangen, ze zijn gesteld op een eerzaam bestaan. Afwijkend gedrag is reden genoeg voor roddel en achterklap, die het slachtoffer prompt in een isolement doet belanden. Als in Koedijk dan ook spoedig het praatje rond gaat dat die onverstaanbare Paulo een naaktportret heeft vervaardigd waarvoor de dochter van de smid zou hebben geposeerd, zijn de rapen gaar.

Op het omslag van De aanstoot, het zevende boek van de ten onrechte nog weinig bekende Gijs IJlander (die niettemin reeds drie literaire prijzen in de wacht sleepte), staat het verre van kubistische schilderij La belle Hollandaise dat Pablo Picasso in 1905 te Schoorldam maakte. Een forse jonge vrouw, poedelnaakt, maar met een zedig kapje op het hoofd, kijkt enigszins dromerig naar iets of iemand ter linkerzijde van de toeschouwer. Ze vindt er zelf niets onbehoorlijks aan, zo te zien, dat ze er zo bij zit.

Het historische gegeven van het kortstondige verblijf in Nederland van Pablo Picasso (die weliswaar vanuit Frankrijk kwam, maar natuurlijk een Spanjaard was) heeft Gijs IJlander geïnspireerd - maar ook kan de blik van die 'belle Hollandaise' hem heel wel hebben geraakt. De betrekkelijke onaangedaanheid waarmee IJlander een tamelijk bijzondere geschiedenis vertelt, ademt een sfeer die vergelijkbaar is met die van het schilderij.

Ook IJlander is een kunstenaar die de uitzonderlijkheid van de Hollandse luchten onderkent, zo bewees hij hiervoor al met zijn roman Twee harten op een schotel (1998), waarvoor hij de Bordewijk-prijs kreeg. Met woorden schildert hij een tijdsbeeld, maar door zijn liefdevolle aandacht voor eeuwigheden als wind en weer lijkt zijn portret van de bedrukte vaderlanders daarbeneden zelfs iets van de Hollandse existentie tout court weer te geven.

Waarbij die beheerste penseelstreek het meest in het oog springt. Hoe gemakkelijk zou het immers zijn, de benepen boeren en burgers in een winderig gehucht uit te lachen, omdat ze de grootheid van de (later) wereldberoemde excentrieke schilder niet op waarde wisten te schatten. IJlander bespot niemand, hij legt een gemeenschap vast die door angst voor schande wordt ingesnoerd.

Net als Hugo Claus in De Geruchten (1996) voert hij een gefrustreerde postbode op die het geile loeren (en meer) niet laten kan. Echter, waar de Vlaming ostentatief boertig opereert, stelt IJlander zich waardevrij op. Zijn positie is niet die van de schrijver die achter de rug van de personages om knipoogt naar de lezer, maar eerder die van skymaster die op het gewoel en gewemel neerziet als een milde god.

Veel scènes lijken een beetje op de oerhollandse speelfilm Fanfare (1958) van Bert Haanstra, maar dan zonder de nostalgie naar dorpse gein en ongein. IJlander excelleert in zinnetjes over het varen, het weer, het ijs waarin de schipper Wijnand Kops vast komt te zitten, en de zoele vrijheid die de dienstbode Neel Muntjewerf ervaart als ze ontkleed - op het hoofdkapje na dan - voor Paulo plaatsneemt. Wat zouden de mensen er wel niet van denken? Die zouden enkel een blote sloerie zien. 'Dat ze in licht en liefde gekleed ging werd niet opgemerkt.' Rakelings scheert IJlander langs de kitsch, maar zijn twaalf jaar ervaring als prozaïst behoedt hem voor een duikeling in de richting van de streekroman.

De aanstoot brengt de drieste gevolgen in kaart van het bezoekje dat het schilderbeest Paulo aan het Noordhollandse bracht. Postbode Klaver vindt het heerlijk om vanuit de tuin door het venster toe te kijken hoe Neel zich geeft aan de schilder - maar hij heeft zijn hielen nog niet gelicht, of hij spreekt er schande van. Zo zijn de mores van zijn tijd en omgeving.

Ineens gaat alles snel. Paulo poetst de plaat, Neel keert in zichzelf, haar vader de smid zegt de kwaadsprekende postbode de wacht aan, en een tijdje later vindt schipper Wijnand Kops onderweg naar Alkmaar een dooie in de plomp: met algen overdekt, opgezwollen kop, gat in het achterhoofd, zonder schoeisel.

En vanaf dáár neemt IJlander het van de historie over. Niet de schilder of zijn model zijn de hoofdpersonen van De aanstoot, maar de schipper die niets van de gebeurtenissen in Koedijk weet, die het lijk ter plaatse aflevert en verder koerst naar Alkmaar, waar hij in het ijs vast komt te zitten.

Muurvast.

Een beeld voor de fase in zijn leven. Zijn vrouw is zes jaar terug gestorven, en zo lang zijn schuit in beweging is, heeft zijn leven op koers gelegen. Nu kan hij geen kant op. Hij gaat een journaal aanleggen, om de tijd te doden schaatst hij wat, ook naar Koedijk, waar hij in taveerne Het Jagertje wordt bediend door een zwangere Neel. Door de smid en zijn vrouw is zij uit huis gezet toen duidelijk werd, dat Paulo haar met kind had geschopt. Wijnand wil weten wie de dode was die hij in het water heeft aangetroffen. De naamloze moet weer een gezicht aannemen. Hij bezoekt de weduwe van de postbode, in Koedijk vindt hij het gewraakte naaktportret van Neel, en daarmee schaatst hij naar zijn schip, om het boven zijn bed te hangen.

Een schipper vreest de wal, die staat voor stilstand en beklemming. Zijn roeping is de stroom opvaren, meedeinen op de golfslag die ruimte schenkt. De mensen met hun gepieker en geruchten, schipperen altijd tussen wal en sloot; zo zou je De aanstoot kunnen samenvatten. Maar die karakterisering is hopeloos zouteloos, omdat ze geen recht doet aan de vloeiende beweging waarmee Gijs IJlander de Hollandse taferelen aaneenrijgt. In zijn boeken van vóór Twee harten op een schotel kon deze auteur je nog wel eens onderdompelen in de hersenspinsels van de eenlingen naar wie zijn hart uitgaat. In zijn laatste twee boeken heeft hij een nieuw evenwicht gevonden. Even dreigt Wijnand in koortsige hunkering naar een vrouw te vallen voor de weduwe van de postbode Alie (die aan boord van zijn vastgelopen schip direct begint te redderen), maar juist op tijd beseft hij dat een vrouw nog niet dé vrouw hoeft te zijn.

Juist op tijd stuurt IJlander de bevrijdende ijsbreker Alkmaar langs, zodat Wijnand Kops zijn roeping weer kan gehoorzamen. Op volstrekt natuurlijke wijze wordt tenslotte de kwestie van de moord op de postbode van een verklaring voorzien; alsof het een bijkomstigheid was, niet een schokkende zaak die rechtstreeks in verband staat met de verstoring van de dorpse orde die 'Paulo' met zijn scandaleuze portret teweeg had gebracht.

Het knappe is nu, dát die moord in De aanstoot ook waarachtig iets van voorbijgaande aard is. IJlander bewerkstelligt dat je al gauw stukken nieuwsgieriger bent geworden naar Neel en Wijnand dan naar Paulo en Klaver. Hoe kunnen die eerste twee hun levens zodanig richting geven, dat hun wensen samenvallen met hun gedragingen?

Die belangstelling voor het lot van twee simpele Nederlanders anno 1905 en 1906, onder dezelfde wolkenlucht die op dit moment boven onze kanissen hangt, wordt door IJlander met kalm vakmanschap opgeroepen. Je hebt niets met ze, je kríjgt wat met ze, omdat de vraag van hun leven - hoe weer energiek van wal te steken wanneer de omstandigheden je in een ijzeren houdgreep hebben - niet aan hun tijd gebonden is.

Meer over