Een permanente roes van verbazing Musée d'Orsay toont glimp van recente aankopen

In het Parijse Musée d'Orsay hangt de sfeer van een Sinterklaaspartij. Het museum verwierf de afgelopen zes jaar onder meer vierhonderd schilderijen, vijftienhonderd tekeningen en ruim twaalfduizend foto's....

TIEN JAAR bestaat het Musée d'Orsay, het onverbiddelijke eindstation van de negentiende eeuw. Tien jaar lang heeft het door middel van uiterst gedegen, maar bovendien vaak prachtige tentoonstellingen, de aandacht gevestigd op allerlei zaken, stromingen en kunstenaars die buiten de context van het museum eventueel ook wel aan bod waren gekomen, maar die juist binnen de muren van het voormalige stationsgebouw het reliëf van plezier en waardigheid kregen dat de negentiende eeuw zo wezenlijk van andere tijdperken onderscheidt. Tien jaar lang heeft het de geschiedenis geboekstaafd van de cultuurperiode die afbreekt bij de Eerste Wereldoorlog - door W.F. Hermans ooit omschreven als het meest optimistische tijdperk van de westerse beschaving.

Officieel bestaat het museum al iets langer, sinds 1978, maar de eerste acht jaar werden uitsluitend besteed aan het opzetten van de collectie. Pas bij de opening, en bij de rangschikking van de voornaamste stukken - De begrafenis bij Ornans van Courbet, De decadentie bij de Romeinen van Couture, De kaartspelers van Cézanne, om het even tot de 'C' te beperken -, kreeg de bezoeker een indruk van de manier waarop de tijdsperiode in kaart werd gebracht: niet in de vorm van een gereconstrueerde artistieke chronologie, maar als een verzameling van verzamelingen die parallel naast elkaar hadden bestaan, zoals dat ook gold voor de paardentram, de stoomlocomotief, de Métro en de onderzeeboten die door vergeten ingenieurs als Dupuy de Lome of Maxime Laubeuf in elkaar werden gezet.

Dat het daarbij niet is gebleven, wordt bewezen op de tentoonstelling De l'Impressionisme à l'Art nouveau, de inmiddels derde tentoonstelling waarop het museum een glimp laat zien van wat er in de afgelopen zes jaar aan de collectie is toegevoegd. Tussen juni 1990 en juni van dit jaar, en ik citeer de catalogus, zijn meer dan vierhonderd schilderijen verworven, circa vijftienhonderd pastels en tekeningen, een honderdtal beeldhouwwerken en medailles, een gelijk aantal meubels en kunstvoorwerpen, zo'n ('quelque') 5800 architectuurtekeningen en près de 12300 photographies.

La France existe par sa grandeur, zou Charles de Gaulle hebben gezegd, en het moet werkelijk geen eenvoudige opgave zijn een ander Europees museum aan te wijzen waar de collectievorming met een vergelijkbaar gebrek aan gezapigheid ten uitvoer wordt gelegd. Over geld wordt in de catalogus nergens gesproken, en men zou de veilingcatalogi moeten napluizen om het bedrag te becijferen dat in die zes jaar van de rekeningen van het Orsay is afgeschreven. Wel wordt uitvoerig melding gemaakt van de schenkingen en legaten die het museum heeft gekregen, waaruit kan worden geconcludeerd dat particuliere vrijgevigheid in Frankrijk zeer hoog staat aangeschreven. Schilderijen van Monet en Renoir, van Daumier en Van Gogh, zijn soms zelfs anoniem aan het museum afgestaan, in een tijd waarin de tarieven voor de late negentiende eeuw opklommen naar schrikbarende niveaus.

De sfeer van de tentoonstelling heeft daarom ook iets van een gigantische Sinterklaaspartij, en alleen al de gedachte dat al die kunstwerken zijn uitgepakt, is even fabelachtig als betoverend. Op de bezoeker (op mij althans) wordt de sensatie van hebzucht overgebracht, alsof hij zelf al die catalogusnummers cadeau heeft gekregen. Het is het grote Voilà dat aan deze inventarisatie zo'n inspirerende vrolijkheid verleent. Meerdere keren betrapte ik mijzelf erop dat ik bij de afmetingen van een voorwerp uitrekende of het in de kofferruimte zou passen van de auto waarmee ik naar Parijs was gereden.

Nu ja, in die kofferbak zouden zich onder meer de volgende dingen bevinden. Een tekening van Edgar Degas, voorstellende een vleugelpiano - niet eens omdat het een typische Degas is, maar omdat zij laat zien welke problemen Degas wenste op te lossen. De foto die Édouard Baldus in 1855 maakte van het spoorwegstation bij Picquigny, waarvan alleen al de ontstaansgeschiedenis boekdelen spreekt: toen Napoleon III de Britse koningin Victoria voor een officieel bezoek uitnodigde, liet hij een foto-album maken van de belangrijkste plekken die zij onderweg naar Parijs zou passeren. Dat station, op de lijn tussen Abbeville en Amiens, stond er nog maar net, en op de plaat van Baldus lijkt het alsof er nog geen trein doorheen is gereden, alsof allerlei essentiële onderdelen van de negentiende eeuw nog moeten worden wakker geschud.

Al die voorstellingen of ontwerpen die toen voor het eerst werden bedacht, de kristallen paleizen, de jardins publics, de manier waarop de binnen- en buitenwereld met elkaar werden vermengd - daarin schuilt het onzichtbare cement dat de kunstvoorwerpen van de vorige eeuw aan elkaar verbindt. Het is te zien in de ontwerptekening van Owen Jones (van The Grammar of Ornament), waar naar het voorbeeld van Crystal Palace een glazen paleis voor in het park van Saint-Cloud wordt voorgesteld. Het is de sfeer van: we gaan nu iets bouwen wat nog niet eerder is gebouwd, we brengen het publiek in een permanente roes van verbazing.

De kofferruimte is nog lang niet vol. In elk geval is er nog voldoende ruimte voor een schilderij van Édouard Vuillard, Le Placard à linge ('De linnenkast'), waarop de intieme binnenwereld die tot dan toe nauwelijks als onderwerp was herkend, in al haar onschuld en gewoonheid is weergegeven. Ook hier: dit is niet eerder zo geschilderd - maar dat komt doordat men vroeger ongevoelig was voor de poëzie van deze voorstelling. We maken een andere wereld door de zintuigen te veranderen.

De uiterste consequentie van een dergelijke ingreep wordt gevormd door het schilderij L'Origine du monde, van Gustave Courbet, het eerste olieverfschilderij in de geschiedenis dat zo liefdevol zo'n voor de hand liggend onderwerp nabootst: dat gedeelte van de vrouwelijke anatomie dat op alle eerdere voorstellingen verhuld, meer of minder bedekt, meer of minder terloops, was weergegeven. Die uiterste consequentie betekende een revolutie voor de schilderkunst die niet als revolutie hoefde te worden geafficheerd - dat was immers niet nodig, en misschien schuilt juist daarin de echte vernieuwing.

De l'Impressionisme à l'Art nouveau is daarmee een van die zeldzame tentoonstellingen die hun doel op een bijna achteloze manier bereiken: door de voorwerpen tot uitgangspunt te nemen krijgt men de periode cadeau.

Musée d'Orsay, Parijs: De l'Impressionisme à l'Art nouveau. Tot en met 5 januari.

Céline Julhiet-Charvet et alii (red.): De l'Impressionisme à l'Art nouveau. Acquisitions du musée d'Orsay 1990-1996. Réunion des Musées nationaux, FF 290,-.

Meer over