Een ontplofte muziekcultuur

Boulez, die leeft nog. Maar verder zijn ze dood: Cage, Kagel, Stockhausen en al die avant-gardistische componisten die bijna vijftig jaar lang het gezicht van het Holland Festival bepaalden....

De componist Karlheinz Stockhausen zou nu 82 zijn geweest, ware hij niet in 2007 gestorven aan een hartstilstand – met achterlating van een ensemblewerk (Glanz) dat in het Holland Festival 2008 alleen nog postuum in première kon worden gebracht. Het was de afscheidsgroet van een typische Holland Festivalcomponist, en dat voelde raar aan.

Een andere typische Holland Festivalcomponist, Mauricio Kagel, zou nu 78 zijn geweest als hij in 2008 niet gestorven was – met nalating van een ensemblecompositie (In der Matratzengruft, uitvoering HF 2009) waarin hij zijn naderende dood op muziek bleek te hebben gezet.

Pierre Boulez is al sinds 1962 een Holland Festivalpersonage. En Boulez, die is er nog. De 85-jarige veteraan komt 17 juni naar Amsterdam om een concert te dirigeren van het Ensemble Intercontemporain uit Parijs.

Maar Boulez’ avant-gardegenoot Luigi Nono – die dronk zich dood in 1990. Hij zou nu 86 zijn geweest. En Luciano Berio, die met Stockhausen, Kagel en Boulez tot de meest gespeelde componisten in de Holland Festivalgeschiedenis hoorde, is zeven jaar geleden doodgegaan aan kanker. Hij zou nu 84 zijn geweest. György Ligeti (1923-2006): 87. John Cage, de veteraan van het stel: 97, als hij nu niet al 18 jaar dood was.

Zo gaat dat dus, zelfs met naoorlogse avant-gardisten die vier, bijna vijf decennia lang met composities en aanwezigheid het muzikale gezicht hebben bepaald van het Holland Festival.

En waar zijn de hoeren van het Amsterdamse Oudekerksplein? Die zijn er nog. Alleen, voor de nachtelijke openluchtscène van Stockhausens operawerk Samstag aus Licht – wereldpremière Holland Festival 1984 – zullen ze hun peeskamers niet meer uit komen, strompelend op naaldhakken over de hobbelkeien. Want Samstag van Stockhausen, met zijn slotritueel van kokosnoten kapotsmijtende monniken – de noten zijn er nog, kokosnoten ook, maar hun hogepriester en voornaamste aanjager is er niet meer, sinds hij in 2007 de reis heeft ondernomen naar Sirius – volgens Stockhausen de eindbestemming van elke musicus, mits van kaliber.

En intussen, waar zijn de postzegels van 30 en 45 cent die het HF eerden tijdens het jubileumjaar 1972, dat tevens hét jaar was van de componist Berio? Die abstract ontworpen postzegels zullen onder verzamelaars nog wel te vinden zijn. Maar een Berio (1925-2003) zal hier zijn spektakelstukken niet meer dirigeren of superviseren.

En waar zijn ze, de radioluisteraars die huilend de VPRO opbelden met de vraag of het afgelopen mocht zijn met dat urenlange geknisper en geklots? Radio 4 is er nog. Maar een Holland Festival-Nacht van Cage als in 1988 is niet zo waarschijnlijk meer op de klassieke zender. Laat staan een Cage-Sounday à la 1978 in Theater Bellevue, met Cage (1912-1992) als regisseur van een – door Asko-leden tamelijk behoedzaam bespeeld – schelpen- en cactusensemble.

De klank van het Holland Festival was altijd al in beweging. Maar met het rondwaren van de zeis onder vaste festivalcoryfeeën is het gevoel bij de klank drastisch veranderd.

Natuurlijk, in het Holland Festival hebben sinds 1947 honderden levende muziekpersonages op het programma gestaan. Glass, Reich, Adams. Andriessen, Schat en andere Hollandse meesters. Zuidam en Janssen. Oestvolskaja, Goebajdoelina en andere Russen. Rihm, Goebbels en andere Duitsers. Kurtág en andere Hongaren. Carter, Nancarrow en andere Amerikanen. Spanjaarden.

Maar, afgezien van Andriessen en voorheen Benjamin Britten, zijn er geen componisten geweest die zo vaak in het Holland Festival aan de orde waren als Stockhausen, Berio en Kagel – alle drie rond de veertig keer, met in hun kielzog hun avant-garde-clubleden Boulez, Cage, Ligeti en Nono. Achtereenvolgende HF-programmeurs als Jo Elsendoorn, Frans de Ruiter, Ad ’s-Gravesande en Jan van Vlijmen hebben zich in dat opzicht opmerkelijk eensgezind getoond. Met Ivo van Hove als betrekkelijke uitzondering, en zijn opvolger Pierre Audi, wat de muzikale avant-garde betreft, als noodgedwongen leegverkoper.

Levende personages worden ‘repertoire’. Er zit niets anders op. Zo staat Berio’s Laborintus II, gelaagd muziek- en teksttheater naar Dante en Sanguineti, in het komende Holland Festival op het programma in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Met zangers en ensemble onder leiding van George Octors, en met een entourage van geciviliseerde jazz- en rockspecialisten als Han Bennink, Uri Caine en Mike Patton. Het zal beslist anders aanvoelen (en zeker anders klinken) dan in het Berio-Holland Festival 1972, toen Laborintus II ‘actuele muziek’ heette, en met mega-opblaaspop en een decor van afgedankte autobanden in Theater Carré onder leiding stond van Berio zelf.

Nu Pierre Boulez naar het Amsterdamse Muziekgebouw komt om tijdens een bliksembezoek het Ensemble Intercontemporain te dirigeren, is er aanleiding deze mededeling even op de tong te proeven. Twee reacties zijn mogelijk. 1) Een geeuw. Immers: was Boulez al niet vaker in Amsterdam, om briljante concerten te dirigeren van het Ensemble Intercontemporain uit Parijs? 2) Opwinding. Immers: Boulez was al vaker in Amsterdam, en zijn concerten met het Ensemble Intercontemporain waren altijd briljant.

Het punt is dan ook niet dat Boulez er in 2010 weer is. Het punt is dat hij er nog steeds is. Boulez’ Holland Festivalhistorie reikt terug tot 1962, toen hij het Südwestfunkorkest Baden-Baden en de sopraan Eva Rogner dirigeerde in zijn eigen Pli selon pli (het HF-bestuur protesteerde vooraf tegen de zeer hoge kosten en ‘lage geraamde inkomsten’). In het HF dirigeerde Boulez van datzelfde stuk inmiddels drie versies, onder andere tijdens een grootschalig Boulez-retrospectief in 1996.

En nu is hij de sole survivor van een groep die vanwege allerlei artistieke en persoonlijke tegenstellingen eigenlijk geen groep kan worden genoemd. Maar die toch markante samenhang heeft via een onzichtbare draad. Die draad heet Darmstadt.

Ofwel voluit: de Darmstädter Ferienkurse. Dat is een componistenevenement dat sinds 1946 elke zomervakantie dienst doet (in de klaslokalen van een Darmstadts schoolgebouw) als internationaal forum voor uitwisseling van ideeën en technieken. De namen van Stockhausen en Boulez, en van de Italianen Nono en Berio, de Hongaarse Duitser Ligeti, de Argentijnse Duitser Kagel en de Amerikaan Cage; ze hebben er sinds decennia een sacrale klank.

Zij vormden de stoottroep die in de jaren vijftig, begin zestig een internationaal domein van de nieuwe muziek bezette, dat na de Tweede Wereldoorlog braak lag. In een tijd van wederopbouw, technocratie en Fortschrittsglaube vonden zij de kunst opnieuw uit, de breinen Boulez en Stockhausen voorop. Die zochten het, met Luigi Nono, in seriële technieken en elektronica – al heeft hun decennia lang gevreesde ‘serialisme’ volgens Boulez feitelijk maar twee weken bestaan. John Cage deed het met toevalsprocedures. Berio met taalexperimenten en montagetechniek. Ligeti met ‘micropolyfonie’.

Ieder op hun eigen manier en eigen moment, maar gewapend met elkaars kennis en met de dissonant als heilig gemeenschappelijk goed, droegen ze ‘Darmstadt’ uit via gespecialiseerde concertseries, via noviteitenfestivals als in Donaueschingen en Warschau, via radiorubrieken en tijdschriften als Melos en Die Reihe. Hun invloed had een niet eerder vertoonde reikwijdte, die collega’s in de hele Westerse en Oost-Aziatische wereld bekoorde, irriteerde of intimideerde.

Neem de kersvers uit Buenos Aires overgekomen Kagel, die zich ontpopte tot een specialist van de muziektheatrale ironie. Het Zwei-Mann Orchester dat hij in 1973 in het Holland Festival introduceerde, is een Professor Prlwytzkovski-achtige, door twee man te bespelen installatie van uit elkaar gehaalde, averechts aaneen gekoppelde instrumenten en instrumentrestanten. Het schetst het perfecte beeld van een ontplofte muziekcultuur, rijp voor een museale stofdoek. Dubbele ironie: het Haags Gemeentemuseum heeft het jaren geleden voor tonnen aangekocht en nu staat het meestentijds te verkommeren in een opslag.

Kagel vond Darmstadt een ‘zenith van de humorloosheid’. Maar Berio reikte hem het etiket aan waarmee Kagel zich in avant-gardesferen kon handhaven. Zo staat Kagels kunst voorgoed voor Akribie. Voor obsessieve nauwkeurigheid. Zie Stockhausen. Zie Boulez.

Boulez! Voor zijn komende Holland Festivaloptreden neemt hij behalve zijn Parijse hofhouding ook de Japanse pianiste Michiko Uchida mee, en de Duitse violist Christian Tetzlaff. Zijn programma is typisch Bouleziaans van aanpak (zoals ooit zijn Holland Festivalconcerten met Schönberg, Berg en Webern door het Residentie Orkest), maar nu met persoonlijke bye bye-tinten. Het bestaat uit Kammerkonzerte, gecomponeerd in het kielzog van de vooroorlogse Alban Berg.

Een ervan is van Ligeti. Een ander (Kontra Punkte) van Stockhausen, die in 1960 voor het eerst op een HF-programma stond van het Danzi Kwintet, en hier sindsdien met ijzeren regelmaat aan de orde was – met premières, drie opera’s, een Stockhausen Retrospectief, en Helikopter-Quartett voor strijkers en stuntpiloten. Een derde Kammerkonzert in Boulez’ programma is van Donatoni (1927-2000), een minder vaak gespeelde avant-gardist die zich doodat aan spaghetti carbonara, maar voor het zover was als terminaal bedpatiënt optrad in een opera van eigen hand.

In Darmstadt broedden ze ooit hun kunst uit. In specialistenfestivals als in Donaueschingen en Warschau werd ze uitgeprobeerd. In grotere publieksfestivals als het Holland Festival kon, kort gezegd, bekeken worden welke lapjes en dansjes erbij pasten, en kon gezocht worden naar de ethische, politieke of spirituele context.

Toen de voormalige HF-programmeur Elsendoorn, op zoek naar Nono in diens woonplaats Venetië, op het eiland Giudecca belandde en in een café naar het adres van de compositore vroeg, ontspon zich de volgende dialoog.

Kroegbaas: ‘No?’

Elsendoorn: ‘Nono!’

Kroegbaas: ‘No?’

Elsendoorn: ‘No, Nono!’

Kroegbaas: ‘No, no.’

Elsendoorn: ‘No Nono?’

Kroegbaas: ‘Ah! U bedoelt signor Lenin. Die is hier vaste klant.’

Hiermee vergeleken, dreigt de muziek in het Holland Festival anno 2010 normaal te worden. Bijna griezelig normaal.

Meer over