Een onafzienbare stoet misbaksels en halvegaren

Het eerste hoogtepunt in de meesterlijke roman De Onderkoningen van de Italiaanse schrijver Federico de Roberto komt aan het einde van het eerste deel....

Michaël Zeeman

We zijn dan al bijna driehonderd pagina’s onderweg, van de zevenhonderd die het boek ook in de Nederlandse vertaling omvat, en we zijn tot dan toe vrijwel ononderbroken getuige geweest van een van de misselijkste erfeniskwesties uit de wereldliteratuur. Het eerste hoogtepunt in de meesterlijke roman De Onderkoningen van de Italiaanse schrijver Federico de Roberto komt aan het einde van het eerste deel.

We zijn dan al bijna driehonderd pagina’s onderweg, van de zevenhonderd die het boek ook in de Nederlandse vertaling omvat, en we zijn tot dan toe vrijwel ononderbroken getuige geweest van een van de misselijkste erfeniskwesties uit de wereldliteratuur. We hebben een familie leren kennen, een adellijke familie van Sicilië, midden 19de eeuw, de prinsen van Fracalanza uit Catanië, aan de voet van de Etna. Erfgenamen en nakomelingen van de zetbazen die de Spanjaarden op Sicilië installeerden om de wind eronder te houden bij de gekoloniseerde bevolking; zij zijn de onderkoningen uit de titel.

Op dat moment zijn de jaren 1855-’60 de revue gepasseerd, de rommelige jaren waarin de Bourbons, die heersten over ‘het koninkrijk van Napels en de beide Siciliën’, geprobeerd hebben tot een akkoord te komen met de raddraaiers van 1848, de enthousiaste pleitbezorgers van de grote democratische revolutie van de 19de eeuw, de revolutie die Karl Marx en Friedrich Engels als ‘het spook’ betitelden dat dat jaar door Europa waarde. Het is een lam akkoord dat de Bourbons sloten, en de Italianen in hun Zuid-Italiaanse en insulaire koninkrijk, dat het gehele gebied van Napels tot de zool van de laars en zowel Sicilië als Sardinië omvatte, hebben er geen vrede mee.

In het noorden, in het eindeloos veraf gelegen Piëmonte en in Savoye, worden politieke voorbereidingen getroffen voor een Italiaanse onafhankelijkheid en hereniging, de samenvoeging van al die staatjes en steden, van de Alpen tot aan de Ionische Zee, tot een haast mythologisch land onder een nieuwe kroon. Elders broedt Giuseppe Garibaldi op de praktische verwezenlijking van die illusie en in de grote wereld probeert hij de publieke opinie ertoe te bewegen die onderneming te steunen.

Dat is gelukt, dat is bekend: in het verre noorden knutselt de politicus Cavour een staatsbestel in elkaar, buitenslands verhandelt Mazzini de droom en vanaf Palermo, op Sicilië, begint de opmars van Garibaldi met ‘de duizend’ om de droom werkelijkheid en de staatsinrichting werkzaam te maken. ‘Goed, we hebben nu Italië’, zou Metternich, de eeuwige minister van Buitenlandse Zaken van de Donau-monarchie, als commentaar hebben gegeven, ‘er zijn alleen nog geen Italianen’. Onder die omstandigheden van strijd en staatsstichting, van een ongehoorde diversiteit aan culturen en tradities en de ambitie die tot een eenheid te smeden, speelt zich de geschiedenis af die in De Onderkoningen wordt verteld.

Vooral op Sicilië is de strijd tussen Bourbon-gezinden en liberalen – socialisten kwamen er pas later – ongemeen fel geweest. Maar een van de leden van de familie van de prins van Fracalanza, de hertog Gaspare Uzeda, heeft de indruk weten te wekken aan de kant van de opstandelingen te staan. Dat is zeker niet ondubbelzinnig geweest, want lang heeft hij verscheidene ijzers in het vuur gehouden – en ook dat is kenmerkend. Maar de bevolking van Catanië, eenmaal verlost van de Bourbons, meldt zich bij hem, met het verzoek of hij hun afgevaardigde wil worden in het nieuw gegrondveste parlement in Turijn.

Toegewijde lezers van de Siciliaanse tak in de Italiaanse literatuur herkennen de scène: doet zich in De Tijgerkat, van Giuseppe Tomasi di Lampedusa niet precies zo’n scène voor, wanneer de prins van Salina door de Siciliaanse liberalen wordt gevraagd senator te worden?

Zelfde tijd, zelfde eiland, zelfde verzoek, zelfde parlement, zelfde geschiedenis – alleen weigert de prins van Salina in De Tijgerkat, met een van de meest relativerende toespraken uit de Italiaanse literatuur, terwijl de hertog in De Onderkoningen sprakeloos toehapt. Maar de gedachte die er in beide gevallen aan ten grondslag ligt is dezelfde: ‘Alles verandert, opdat alles hetzelfde blijft’, die beroemde frase waarmee Tomasi di Lampedusa het karakter van de Siciliaanse cultuur samenvatte.

De Onderkoningen is een van de grote klassieken in de Italiaanse literatuur. De auteur, Federico de Roberto (1861-1927), geboren in Napels maar het grootste deel van zijn leven woonachtig in Catanië, geldt als een van de grondleggers van het ‘verisme’, een mengvorm van realisme en naturalisme, waarvan de pleitbezorgers de literatuur aanwenden om een nauwgezette beschrijving van de sociale werkelijkheid te bieden.

Bij De Roberto is die volslagen gedetermineerd en voltrekt de geschiedenis zich onder het gesternte van het noodlot. De erfgenamen van het vermogen van Teresa Uzeda, prinses van Fracalanza, verdelen de boedel volgens een middeleeuws erfrecht, de ‘fideï-commis’, dat het familiebezit voor onvervreemdbaar houdt: de stamhouder krijgt alles, diens broers en zusters vrijwel niks. De regeling is symbolisch en dus zijn de hoofdstukken over de boedelverdeling dat ook. Er lijkt wel een nieuwe tijd aan te breken, een tijd die streeft naar sociale hervorming en rechtvaardigheid, maar als het eropaan komt, verandert er niets. De hertog wordt parlementariër, maar de klasse waartoe hij behoort, een klasse die zich opstelt als een gesloten kaste, houdt de macht.

Ondertussen zijn de leden van die klasse eerder marionetten van de traditie dan individuen. Zij leveren, na de stamhouder, kloosterlingen die een magnifieke loopbaan binnen hun orde tegemoet gaan, generatie op generatie. Zij leveren de gebruikelijke losbollen op, die in hun jeugd proberen, vaak met succes, een gat in het familievermogen te slaan. En zij leveren, dat vooral, een onafzienbare stoet halvegaren op, landbouwhervormers en godsdienstwaanzinnigen, promiscue priesters en schraperige oude vrijsters.

Dat huist daar allemaal bij elkaar, in een collectie ruim bemeten onroerend goed in Catanië en op de flanken van de Etna. Hun voornaamste levensvervulling bestaat in het handhaven van de status quo, dat wil dus zeggen: in het treiteren van elkaar en de lokale bevolking.

Dat is onweerstaanbaar gezellig, want familievetes worden het best onderhouden met een stevig vermogen en flink wat personeel achter de hand. Er wordt getrouwd en er wordt gebaard, het eerste steevast met de verkeerde partij en het tweede met praktiserende monstertjes of werkelijke misbaksels als uitkomst.

De Roberto heeft het genoteerd als was hij de middeleeuwse kroniekschrijver van het Siciliaanse adellijke leven, zij het dat hij zich niet als slippendrager opstelt, maar als dokter. Een oude, vermoeide en ontgoochelde dorpsdokter, dat wel: hij kent de kwaal, maar hij weet dat hij niet op de wereld is om die te verhelpen. Zijn beschrijvingen ademen gelatenheid, de geschiedenis is niets dan een eeuwige herhaling van sjablonen.

Het is een cultureel evenement dat zijn boek nu ook voor Nederlandse lezers beschikbaar is – en dat in een vorstelijke vertaling, die door haar vindingrijkheid op zichzelf al een genoegen is om te lezen.

Federico de Roberto: De Onderkoningen. Vertaald uit het Italiaans door Els van der Pluijm. De Bezige Bij; 702 pagina’s; ¿ 39,90. ISBN 90 234 1777 1.

Meer over