Eén nacht geluk onder de parasol

Ze moéten praten, de personages in Tsjechovs verhalen, uit verwondering over het leven waar ze in zijn geplonsd...

Vaak praten ze te veel, de personages in de verhalen van Anton Tsjechov (1860-1904), en als ze daarbij ook nog niet goed luisteren, want hoe dikwijls gaat spraakzucht niet met doofheid gepaard, verliezen ze het zicht op de werkelijkheid. Beter gezegd: ze horen de werkelijkheid niet meer. De schrijver maakt dankbaar gebruik van het zo herkenbare type der graagpraters; hij hoeft ze maar hun monologen te gunnen, en elk commentaar is overbodig. Die gaat de mist in, denken wij, en even voelen we ons op gelijk niveau met de auteur.

Wij samen weten wel beter. Die verstandhouding met de lezer kweekt Tsjechov keer op keer, zoals ook te zien is in de vijfde en laatste bundeling van zijn verzamelde verhalen, een vertaalproject van uitgeverij Van Oorschot. ‘Als in zijn bijzijn anderen aan het woord waren, onderging hij dat met een soort jaloezie.’ Dat schrijft Tsjechov over een vader die een jonge rechercheur op bezoek krijgt, omdat die een oogje op een van zijn dochters heeft. Die vader zal een misstap begaan, juist door dat ongebreidelde praten, dat hem tot extremistische uitspraken aandrijft waar hij later spijt van krijgt. Te laat!

Zo gaat het vaker. ‘De stem van de oude baas galmde onophoudelijk. Omdat hij niets omhanden had, onderrichtte hij de klant hoe die moest leven en zakendoen, waarbij hij aldoor zichzelf ten voorbeeld stelde.’ Geen wonder dat het die firma niet florissant gaat.

Soms belicht Tsjechov de tragische kant, als er volop wordt gepraat zonder dat er wordt geluisterd: ‘Kisj begon berouwend en een beetje nasaal de inhoud te vertellen van een verhaal dat hij onlangs had gelezen. Hij vertelde omstandig, op zijn gemak; er verstreken drie minuten, toen vijf, tien, en hij ging maar door, en niemand begreep waar hij het over had, en zijn gezicht stond steeds onverschilliger en zijn ogen werden dof.’

Maar het mooiste voorbeeld is dit, uit ‘Over de liefde’, omdat het ook veel over de schrijver onthult: ‘Mensen die een eenzaam leven leiden hebben altijd iets op hun hart dat ze graag kwijt zouden willen. In de stad gaan vrijgezellen speciaal naar het badhuis en naar restaurants om alleen maar te praten; soms vertellen ze aan de badknechten en obers heel interessante verhalen, en op het platteland storten ze hun hart meestal uit bij hun gasten.’

Van aangeklede anekdotes (Tsjechov begon te publiceren in moppenblaadjes) tot gecondenseerde romans, klassiekers in zakformaat en novellen, al zijn verhalen bruisen doordat de schrijver zijn personages zo gul, geestig en soms ontroerend laat praten. Tsjechov, die in zijn korte en productieve leven altijd gasten en familie over de vloer had, moet een begaafd luisteraar zijn geweest.

Het wanhopige en ridicule, goudeerlijke en fantastische praten van zijn personages, de brandstof van Tsjechovs verhalen, maakt hen menselijk en hartverscheurend. We kunnen ze bijna aanraken, zo nabij staan ze ons, wat ook te danken is aan de natuurlijkheid van de stijl. ‘In een klein stadje was een eenzame, onaantrekkelijke heer op leeftijd komen wonen die Thomson of Wilson heette – nou ja, dat doet er niet toe.’ Door het lezen van die zeven laatste woorden die de redundantie uitspreken, wil je meteen weten wat voor verhaal hier gaat komen.

Twee mannen lopen ’s nachts in het provinciale Sokolniki. ‘Moskou is een stad die nog veel zal moeten lijden,’ zei Jartsev met een blik op het Aleksejev-klooster. ‘Hoe dat zo ineens?’ ‘Zomaar. Ik hou van Moskou.’ Hoe waar, dat zo’n opmerking je in kan vallen op een plek waar niets aanleiding geeft om aan Moskou te denken. Daarom juist! Zelfs het fletse ‘zomaar’ kan, zo bewijst Tsjechov, een fijnzinnige kreet zijn die je terstond van Jartsev doet houden.

Schitterend om de brutaliteit ervan is de opening van ‘Over de liefde’. We komen te laat, lijkt het, en dienen de oren te spitsen om te begrijpen waar we zijn.

De eerste zin zet ons op achterstand. Het is deze: ‘De volgende dag kregen ze bij het ontbijt heel smakelijke pasteitjes, kreeft en lamskarbonade voorgezet; terwijl ze zaten te eten kwam de kok Nikanor naar boven om te vragen wat de gasten voor het middagmaal wensten.’

Drama en successen, maatschappelijk en in de liefde, gaan in Tsjechovs verhalen gelijk op en af, net als in zijn leven (arts en groot schrijver van verhalen en toneelstukken, geplaagd door longtuberculose, zijn vrouw kreeg een miskraam, hij stierf op zijn 44ste), de personages móeten praten uit verwondering over het leven waar ze in zijn geplonsd. In de novelle ‘Drie jaren’ kan de rijke Laptev zijn aanbidding voor de adellijke doktersdochter Joelia niet voor zich houden, en struikelend over zijn woorden doet hij haar een huwelijksaanzoek. En hij geeft haar de zijden parasol terug die ze is vergeten toen ze zijn zieke zus had bezocht, de parasol die hij alleen thuis heeft gekust en opengeklapt, ‘en hij leek het geluk om zich heen te kunnen ruiken’. Maar Joelia wil niet.

Hij heeft spijt. Maar dan komt Joelia terug op haar weigering. Ze aanvaardt het aanzoek, misschien kan ze niets beters krijgen. Zou ze mij alleen om het geld huwen, denkt Laptev droef, een vermoeden dat een doem wordt als ze in Moskou wonen en zij steeds vaker de hort op wil, met zijn vrienden, terwijl hij liever thuis zit. Dan komt toch de beloning, als Joelia zwanger wordt en hun dochtertje Olja wordt geboren. Iedereen blij. Tot Olja vroeg aan difterie sterft.

Tegen zijn zin neemt Laptev de fourniturenzaak van zijn vader over, hij vervloekt het toch een handelsmannetje te zijn geworden, terwijl zijn wereldse vriend Jartsev de chemicus nota bene de vrouw in huis neemt die uit liefde vroeger Laptev had gewild, en die hij heeft laten schieten.

‘Geluk bestaat niet’, stelt Laptev vast, tegenover zijn vrouw. ‘Hoewel, eens in mijn leven ben ik gelukkig geweest, in de nacht dat ik onder jouw parasol zat.’ In de avond loopt hij zijn achtertuin in, en overdenkt zijn vreemde bestaan. Hij neemt plaats op een bankje bij de schutting die grenst aan de binnenplaats van de buren. ‘Achter de schutting, op de andere binnenplaats, klonken lichte voetstappen. ‘Mijn liefste, mijn schat’ fluisterde een mannenstem, zo dicht bij de schutting dat Laptev zelfs de ademhaling kon horen. Er volgde een kus.’ Er staat een flinterdunne schutting tussen zijn leven en de passie.

En o wonder, dan komt er toch nog een verzoening – al houdt Tsjechov het einde open, want de zee en de maan zijn eeuwig, maar de tijdelijke mens reddert en moddert en smacht, meelijwekkend en aanbiddelijk, onophoudelijk in beweging, onophoudelijk onderweg naar verlossing en vervolmaking, zoals het heet in ‘De dame met het hondje’. Wat moet het drietal vertalers een plezier hebben gehad, de afgelopen jaren, en wat is het jammer dat ze dat tintelende geluk nooit meer smaken: dat zij ons de eeuwige verhalen van Tsjechov mogen gaan doorgeven.

Meer over