Een man en zijn hond

Is een hond zich van zichzelf bewust? Beseft hij dat hij sterfelijk is? Schrijver Jan Siebelink kon een hoop kwijt aan zijn hond Tikker....

In de keuken van Jan Siebelinks huis in Ede hangt een tekening van Tikker. Gemaakt door Siebelinks schrijversvriend Jean Paul Franssens. In de bijkeuken heb ben Siebelink (61) en zijn vrouw Gerda de naam van Tikker bij die van henzelf onder de keukenmat in het cement gegraveerd. Met datum van oplevering van de bijkeuken: mei 1998.

Niet lang daarna stierf Tikker. Hij viel eigenlijk gewoon om. Hij had zijn baas, die aan zijn bureau zat te typen, nog even strak aangekeken. Het was alsof er een waas over de ogen van de hond trok. Toen viel hij pardoes van zijn stoel. Siebelink legde hem op de rand van zijn bed, hij zei nog: 'Tikker', en toen blies de hond zijn laatste adem uit. Tikker was 14 jaar geworden. Een mooie leeftijd voor een whippet, een hazewindhond.

Jan Siebelink heeft nu een andere hond op schoot: Jip. Jip lijkt trouwens sprekend op Tikker, maar heeft toch een wat ander karakter, verzekert de schrijver. Zo is Jip waaks, hij blaft als er een vreemde auto voorbij komt. Dat deed Tikker niet. Wat hem betreft was iedereen welkom in huize Siebelink. Nu kijkt Jip de schrijver en de verslaggever om beurten aan. 'Hij zit gewoon te luisteren', oppert Siebelink. 'Hij wil weten wat ik allemaal over zijn voorganger zeg.' En, lachend: 'Ik vraag me altijd af wat ze denken. Misschien denkt-ie nu wel: vertel toch niet alles. Je weet het niet. Is een hond zich van zichzelf bewust? Beseft hij dat hij sterfelijk is? Soms zat Tikker langdurig in de spiegel van ons fornuis te staren. Dan dacht ik: zou hij buiten zichzelf kunnen treden? Dat hij zichzelf ziet en denkt: hé, wat raar. Of is het alleen maar een spiegeling en meer niet?'

Hij kreeg het idee om een roman te schrijven over zijn hond (Mijn leven met Tikker, Meulenhoff) toen de eerste tekenen van verval intraden. Tikker kon opeens niet meer zelfstandig in de auto springen. En hij kreeg andere klachten. Dat appelleerde sterk aan Siebelinks eigen angst voor het ouder worden, zijn obsessie met de eigen gezondheid. Een half jaar na de dood van de hond, toen het verdriet wel zo'n beetje was verwerkt, schreef hij voor HP/De Tijd een stukje: Hond en Gevoelens. Daarna legde hij de roman waaraan hij werkte terzijde en schreef in twee maanden tijd Mijn leven met Tikker. 'Dat ging bijna vanzelf. Ik schreef gewoon van scène naar scène. Op basis van gebeurtenissen die ik zelf met Tikker had meegemaakt.'

In Mijn leven met Tikker maakt de ik-figuur dagelijks lange boswandelingen met zijn hond. Hij praat met Tikker, hij observeert het beest en projecteert er zijn eigen angsten op. Samen leiden hond en baas een intiem, eenzaam bestaan. Ze worden ouder, gaan gelijk op met hun kwalen en klachten en het wordt voor allebei steeds moeilijker de dagelijkse routine vol te houden. Ook het kleine wereldje waarbinnen ze opereren, dreigt teloor te gaan omdat het dorp E. een hoge vlucht wil nemen en een obsessie ontwikkelt met afbraak en nieuwbouw.

Het boek eindigt onherroepelijk met de dood. Siebelink: 'Als ik al een bedoeling had, dan was het dat de lezer, als het hondje er niet meer zou zijn, diep geroerd zou zijn. Niet om de baas, maar om de hond. Of om die twee, man en hond, die toch vrij eenzaam zijn met zijn tweetjes. Ze hebben elkaar nodig en nu blijft alleen de baas over.'

Hij was eigenlijk altijd meer een poezenliefhebber, Jan Siebelink, zoals wel meer schrijvers. Maar omdat zijn dochters astmatisch waren, konden ze katten niet verdragen. De gladharige whippet bleek een mooi alternatief. Het is ook net een poes, zo'n whippet, meent Sie belink. 'Hij likt zich altijd schoon, hij ruikt ook niet honds. En hij springt graag bij je op schoot.'

Je kunt een hoop kwijt aan zo'n hond, heeft hij ontdekt. 'Ik vertelde Tikker, en nu Jip, van alles tijdens het wandelen. Over waarmee ik bezig was bijvoorbeeld. Of ik zat zomaar wat te mompelen en te mijmeren. Dat kan, als je met een hond bent.'

Een hond heeft wel meer voordelen. Je loopt niet voortdurend als een zonderling alleen in het bos. En omdat een hazewindhond goed moet rennen, moet de baas wel mee, hetgeen erg gezond is en stressverminderend schijnt te werken. Een hond maakt het leven ook wat relatiever, gelooft Siebelink. 'Soms, als ik bijvoorbeeld een artikel af moet hebben, dan kijkt ie mij zo aan van: laten we nou maar gaan, het is hartstikke mooi weer. Dat relativeert je eigen ernst nogal. Ik word bij zo'n hondje heel lichtzinnig. Als een klein jongetje loop ik er naast te hollen, ik gooi stokken en ik zie hoe-ie daar op reageert. Op je werk speel je toch altijd een rol. Bij zo'n hond hoeft dat niet.'

Al met al bleef Tikker voor Siebelink een verbazingwekkend wezen waar over hij eigenlijk nog steeds niets weet. Waarom was hij bij de ene hond dominant en ging-ie bij de andere op de grond liggen, vroeg hij zich bijvoorbeeld vaak af. En waarom stond hij bij de ene graspol wel stil en bij de andere niet? Hoe komt het dat zo'n hond soms per se een ander pad wil inslaan dan de baas? Siebelink: 'Ik heb geprobeerd in het boek niet al te veel te interpreteren, te denken van: nou begrijpt-ie mij. Mis schien denkt hij wel helemaal niks. Maar soms kon Tikker je toch aankijken op een manier waarvan ik dacht: dit is toch iets meer dan zomaar een rechte blik. En als ik mijn stem verhief, of een beetje geëmotioneerd ging praten, dan werd hij heel nerveus of ging hij blaffen. Of hij keek je aan met een blik van: doe nou rustig aan, het valt toch wel mee?'

Jip kijkt op, Siebelink schiet in de lach. 'Dat vleien is ook zo mooi. Dan houdt hij zijn kop scheef, hij probeert je echt... het is een groot verleider. Waar heeft-ie dat dan geleerd? En wat heeft hij nou eigenlijk voor een beeld van mij. Ziet-ie een kleur, ziet-ie mijn bril. Dat soort dingen vraag ik me steeds af. Andere mensen hebben een hond en denken: nou ja, leuk zo'n beest.'

Hij heeft zijn dierenarts de oren van het hoofd gevraagd, maar ook die kon geen uitsluitsel geven. Hij wist weliswaar veel van injecties en pilletjes, maar over het wezen van de hond, over wat zo'n beest nou bezielde, tastte hij ook in het duister. 'Er zijn wel theorieën dat de hond de baas als een soort beta-hond ziet, een soort roedelleider die hij volgt, maar ook dat staat niet vast.'

Ook een ander, meer fysiek vraagstuk, kon de dierenarts niet oplossen. Tikker leek dan wel een gezonde reu, maar in zijn hele veertienjarige leven bedreef hij niet eenmaal de liefde met een andere hond. 'Hij interesseerde zich niet voor andere honden', veronderstelt Siebelink. 'Maar het gekke was: hij had de prachtigste erecties, om het minste of geringste. Hij klemde zich vast om je arm of been en dan pats boem spoot hij over je heen. Vooral bij mijn dochters deed-ie dat. Bij mijn jas deed-ie het trouwens ook. Maar bij honden, nee.'

Het kwam de schrijver Siebelink goed uit. In Mijn leven met Tikker stelt

hij het voor alsof die seksuele tekort ko ming voortkomt uit het feit dat baas en hond zo intiem leven; ze hebben genoeg aan elkaar. Zo blijkt Tikker ook intens verdrietig als zijn baas er goed aan meent te doen een speelkameraadje te kopen; Tikker verstopt zich dagenlang boven in huis en trekt pas weken nadat het nieuwe hondje is teruggebracht weer bij.

Siebelink schetst een bijna menselijke relatie tussen hond en baas. En de meest emotionele momenten in zijn leven beleeft hij met Tikker. Als de ik-persoon op een nacht de slaap niet kan vatten omdat de hond om onverklaarbare redenen onrustig is, geeft hij de hond in zijn wanhoop een paar tikken. De droeve, niet-begrijpende blik van de hond blijft daarna nog dagen op zijn netvlies hangen. 'Ik moest de volgende dag naar school, ik had een zware dag voor me', zegt Siebelink, bijna schuldbewust. 'Net toen deed-ie heel vervelend. En ja, ik begreep hem niet, dus kreeg ik ruzie met hem. Dat heeft me erg dwars gezeten.'

Maar ook de mooie momenten delen de twee samen. Ze verdelen een maïskolf in het veld, ze plassen kruiselings door elkaar heen en ze liggen in het midden van de zomer te slapen in de berm. 'Als ze daar zo liggen in die hitte, dan is alles volmaakt. Hij waant zich dan ook even God. Op dat moment valt alles samen in het leven, natuur, man en hond. En dan komt er opeens een milieu-inspecteur die zegt dat de hond aan de lijn moet.'

Het schrijven van Mijn leven met Tikker was voor Siebelink wel degelijk een noodzaak, zegt hij. 'Zo'n beest wordt in het boek toch een metafoor voor alles waar je in je leven bang voor bent. Het gaat dan al snel om het inzicht dat dingen en mensen in het leven langzamerhand van je weggaan. En dat je zelf ook weggaat.' En zo komt ook het geloof weer om de hoek kijken. Siebe link: 'Is het wel zeker dat er niets is hierna? Mijn ouders zijn allebei overleden en waarschijnlijk is het dus voorbij. Zo'n hond gooi je ook in een kuil en dan is het voorbij. Maar je blijft je toch altijd afvragen: is dat wel zo, is het wel afgelopen?'

Een jaar nadat Tikker was overleden, kocht het gezin Siebelink een nieuwe hond. Ongeveer het eerste wat de schrijver/leraar zich afvroeg was: gaat Jip eerder dood dan ik. 'Ik heb de neiging om meteen te denken: dit is waarschijnlijk de laatste hond in mijn leven. Dat zegt iets over mijn constitutie, maar ook over mijn afkomst.

'Mijn zeer christelijke vader zei ooit tegen mij, toen ik de volgende dag op een schoolreisje zou gaan: heel fijn, ik hoop voor jou dat er nog een morgen is. Dus dacht ik: vannacht gaat het gericht beginnen.'

In het boek staat niet wat er na de dood van Tikker gebeurde. Siebelink moest de dierenambulance bellen en een uur later droegen twee dametjes Tikker op een heel klein draagbaartje, met een lakentje erover, de trap af. Het gezin Siebelink huilde. 'Het was net of mijn vader en moeder werden weggebracht.'

Dan legt Jip zijn kop op Siebe links been en kijkt zijn baasje aan. Die schiet weer in de lach. 'Hij zit nou wel heel curieus te kijken, vind je niet?'

Meer over