Een literatuur uit riet en klei

IN ZIJN 'Woord vooraf' bij Helden en goden van Sumer schrijft de assyrioloog Herman Vanstiphout: 'Dit werk is een daad van eenvoudige rechtvaardigheid....

Een sterke opening. Een ware defence of poetry, met als bijzonderheid het argument dat de dichters van wie we het werk te lezen krijgen, de scheppers waren van een 'gestructureerd en gearticuleerd literair systeem' ('het eerste'!), dat tot op de dag van vandaag zijn invloed uitoefent op 'de wereldliteratuur'.

Vanstiphout, die semitistiek en assyriologie doceert aan de Rijksuniversiteit Groningen, heeft bepaald iets te verdedigen. Toch kijk je even op van dat 'eerste gestructureerde en gearticuleerde literaire systeem'. Wat moet je je daarbij voorstellen? Stijgen we met die definitie niet op naar zodanig hogere sferen dat van die arme, vierduizend jaar oude, en toch al onbekende poëten zelfs geen schim meer overblijft en hun kleitabletten nog slechts dienen als bouwstenen voor de carrière van een twintigste-eeuwse onderzoeker?

Voordat je het weet, kom je weer bij Karel van het Reve uit, die in het algemeen gesproken niet zo verrukt was van zulke quasi-wetenschappelijke frasen en in de elkaar opvolgende letterkundige theorieën - even wisselvallig als de roklengte van de vrouw - alleen malle fratsen bevroedde. Dat is iets anders dan kennis hebben van de literatuur, belezenheid, eruditie, en die 'vertalen' in leesbare (en dus overtuigende en stimulerende) stukken.

Met die laatste, zeg maar 'traditionele' methode (of houding) zijn in het verleden aardige resultaten behaald doordat letterkundige beschouwers dicht bij de afzonderlijke kunstwerken bleven, en zich niet verloren in potsierlijke, bèta-achtige capriolen in een van elke literaire werkelijkheid losgezongen verbaal laboratorium, waar de retorten weliswaar steriel bruisten, maar niets meer rook naar het bloed, zweet en tranen van de 'holde Kunst'.

Om dat laatste gaat het, vanzelfsprekend.

Dat het kán, iets waardevols zeggen óver literatuur, zelfs als je probeert de Sumerische dichtkunst wat dichterbij te halen, bewees twee jaar geleden de Oostenrijkse dichter en essayist Raoul Schrott met zijn prachtige bloemlezing Die Erfindung der Poesie, die in de 'Andere Bibliotheek' van Hans Magnus Enzensberger uitkwam. Gedichte aus den ersten viertausend Jahren luidde de ondertitel van zijn boek, en binnen dat tijdsbestek kwam óók een mooie ruiker Sumerische poëzie ter tafel. Meeslepend, en indrukwekkend. Ik zeg het maar zoals het is, en wens me nauwelijks te verbazen over het feit dat zulke verzen je kennelijk evenzeer kunnen treffen als bijvoorbeeld die van Gerrit Kouwenaar, of Paul Demets (die hooguit wat 'moeilijker' zijn).

Het boek van Vanstiphout heeft niet de poëtische bevlogenheid (en dwingende kracht) van Schrotts anthologie, en de verklaring daarvoor zit in het feit dat hij expliciet van alles te verdedigen heeft (behalve die poëzie ook zijn bijna wegbezuinigde vak). Bovendien is hij vergeten zijn academische stofjas uit te doen. Daardoor wekt zijn boek de indruk meer bedoeld te zijn voor eerstejaars assyriologie (?) dan voor degenen, die - als de poëzie in het geding is - maar niet van ophouden weten; er bij wijze van spreken nooit genoeg van krijgen.

De (gewone) lezer zal Vanstiphouts benadering ervaren alsof hem vooral iets moet worden bijgebracht. Een didactisch verantwoorde cursus Sumerische letterkunde. Je léért wat uit dit boek. Wat het Sumerisch eigenlijk is. Een taal, ja, maar wat voor een? Wie de Sumeriërs waren. Een volk, woonachtig in de moerasachtige streken bij Eufraat en Tigris in het zuiden van Mesopotamië. Stedenbouwers, 'uitvinders' van het schrift, die met 'riet en klei' (de kleitabletten) hun indrukwekkende beschaving vormgaven.

Allemaal hoogst interessant, dergelijke kennis, en voor belangstellenden nog niet zo gemakkelijk op te zoeken in encyclopedieën of op het internet. En het ís ook uiterst leerzaam iets te horen over het Sumerisch, een taal die tot in onze eeuw haar zelfstandigheid ontzegd bleef. In Engeland twijfelde men zozeer aan de gevonden Sumerische teksten dat vier geleerden van naam de opdracht kregen onafhankelijk van elkaar een stuk te vertalen. Toen bleek dat zij overwegend met hetzelfde resultaat afkwamen, werd het Sumerisch geaccepteerd, maar de 'uitmuntende' (Vanstiphout) Franse semitist Joseph Halévy bleef 'tot aan zijn dood in 1917 het bestaan van het Sumerisch als taal bestrijden'. 'In zijn ogen was het Sumerisch slechts een speciale vorm waarin het Akkadisch (hij sprak van 'Assyrisch') werd geschreven: een soort gekunsteld 'geheimschrift' dat wel gebaseerd was op de eerste of gewone vorm van het schrift, maar dat door de priesters naast het 'gewone' Akkadisch in stand werd gehouden om redenen van geheimhouding, eerbied en ook wel ijdelheid.'

Vanstiphout legt het goed uit, maar zulke kwesties zijn zelfs voor getrainde taalkundigen uiterst ingewikkeld, en in feite niet van belang bij het gebruikmaken van een bloemlezing als de onderhavige. De vraag is natuurlijk of de poëzie die Vanstiphout aanbiedt zo boeiend, opwindend, raadselachtig en onverklaarbaar is dat we al die kennis tot ons willen (of moeten) nemen. Hij verantwoordt zijn keuze, een persoonlijke uiteraard, als volgt: 'Voor deze bloemlezing heb ik mij beperkt tot een aantal narratieve teksten die over helden en goden gaan. De keuze is bepaald door het intrinsieke belang van de stukken, maar ook door de toestand van overlevering.'

In die formulering proef je al het verschil met de selectie die Schrott voorstond. Hij kwam met veel 'lyrischer' poëzie aan, een keuze die mij meer aanspreekt dan de 'narratieve' van Vanstiphout, maar wie afstand neemt van zijn poëtische gevoel en eenvoudigweg iets wil wéten over de Sumerische dichtkunst, zal door deze bundel beslist aan zijn trekken komen. Geboden worden onder meer 'de twee best bewaarde verhalen' uit de cyclus van Gilgames, die we kennen van het wereldberoemde Gilgames epos, dat niet in het Sumerisch, maar in het Akkadisch was geschreven (en waarvan zojuist een nieuwe Engelse vertaling het licht zag); 'verhalen' over de strijd tussen Uruk/Sumer en het welvarende Aratta, en ten slotte twee 'verhalen' uit de, zoals Vanstiphout, schrijft 'uitgebreide Dumuzi-Inana-cyclus', die ik tot de mooiste van de bundel reken, omdat daar het 'narratieve' regelmatig tot incantatie of lyriek transformeert.

Zo begint bijvoorbeeld De hellevaart van Inana, 'een van de meest 'volledig' uitgeschreven mythische gedichten', zoals Vanstiphout schrijft in zijn commentaar bij deze tocht naar de onderwereld van Inana, 'de god geworden tegenspraak':

Vanuit de hoge hemel had zij haar zinnen op de hel gezet;

vanuit de hoge hemel had de godin haar zinnen op de hel gezet;

vanuit de hoge hemel had Inana haar zinnen op de hel gezet!

Mevrouw verliet Hemel en Aarde en daalde af naar de hellekrocht:

Inana verliet Hemel en Aarde en daal de af naar de hellekrocht;

zij verliet heerschappij en gezag en daalde af naar de hellekrocht.

In Uruk verliet zij het E-ana en daalde af naar de hellekrocht;

in Bad-tibira verliet zij het E-muskala ma en daalde af naar de hellekrocht;

in Zabalam verliet zij het Gi-guna en daalde af naar de hellekrocht;

in Adab verliet zij het E-sara en daalde af naar de hellekrocht;

in Nibru verliet zij het Bara-durgara en daalde af naar de hellekrocht.

Om dan over te gaan in een passage als deze:

Zij bond de Zeven Machten aan,

pakte ze samen en hield ze klaar in de hand;

alle Machten nam zij mee voor de reis.

Op haar hoofd schikte zij de hoofd doek, de tooi van de woestijn;

het diadeem van haar voorhoofd bond zij aan;

lazuurstenen hing zij om haar nek;

Dubbele parelrijen bevestigde zij op haar boezem;

haar lichaam hulde zij in de pala, de koningsmantel;

zij sierde haar ogen met de kohl (die heet:) 'Dat hij kome! Dat hij kome!';

over haar borsten plaatste zij de buste houder (die heet:) 'Man kom, kom!';

aan haar polsen deed zij gouden ban den

en in de hand hield zij de ellestok en de glanzende meetlijn;

zo opgetooid ging Inana dus naar de hellekrocht.

Haar dienares Nin-subur ging achter haar.

En 'De droom van Dumuzi' worden we op deze wijze binnengeleid:

Het hart vervuld van tranen ging hij weg naar de woestijn;

de jongeling, het hart vervuld van tra nen, ging weg naar de woestijn;

Dumuzi, het hart vervuld van tranen, ging weg naar de woestijn.

Hij droeg een stok op de schouders en jammerde steeds weer;

'Begin een klaaglied, een klaaglied, o woestijn, begin een klaaglied!

Woestijn, begin een klaaglied; moeras, schreeuw het uit!

Kreeften, begin het klaaglied in de stroom;

padden, hef de schreeuw aan in de rivier!

Mijn moeder zal roepen (. . .).

Dat schreef iemand in Mesopotamië, in klei, in spijkerschrift, vier millennia terug. Een wonder?

Dankzij de assyrioloog Vanstiphout kunnen we er tamelijk nuchter over doen, maar diep in ons hart weten we dat het ons verstand te boven gaat.

Meer over