Een lijkrede voor God die ‘nog steeds ademt’

Paul Depondt

Er is niet het geringste bewijs voor dat God dood is. Zijn verscheiden, dat al eind 19de eeuw door Friedrich Nietzsche in een van de paragrafen van Die fröhliche Wissenschaft met de hamer was afgekondigd, heeft ‘geen vruchtbaar terrein blootgelegd’. Integendeel, zegt Onfray, Gods laatste ademstoot leidde tot een ‘cultus van het niets, passie voor het niet-zijn, een morbide voorkeur voor de nacht van het einde der beschavingen’, kortom tot een sinister en deprimerend nihilisme.

De ‘dood van God’ is een gadget en een goocheltruc in een eeuw die overal de dood zag: dood van de filosofie, van de metafysica, van de geschiedenis, van de kunst, van de roman en van de tonaliteit. Maar tegelijk, merkt Onfray op, ‘zorgde de dood van de filosofie voor boeken over filosofie, de dood van de roman genereerde romans, de dood van de kunst kunstwerken, en ga zo maar door’.

God echter is dood noch stervend, omdat een verzinsel niet dood gaat, ‘een illusie sterft nooit, een sprookje wordt nooit weerlegd’. God is springlevend, er wordt over Hem geschreven en gefilosofeerd. Want wie heeft zijn lijk gezien? Alleen Nietzsche misschien, of wellicht ook Onfray?

Zijn blasfemisch en pamflettistisch geschreven betoog – zeg maar: de lijkrede voor God –, waarin hij jodendom, christendom en islam met willekeurig bijeengeharkte argumenten ‘deconstrueert’, is een bestseller in Frankrijk. Anders dan in vorige boeken schrijft hij dit keer heel toegankelijk, schuwt geen clichés of postmodern gebabbel, hij preekt en wil overtuigen, spreekt recht voor zijn raap. Onfray is een discipel van de als gelovig protestant opgevoede Nietzsche, die in weer een andere paragraaf van zijn ‘vrolijke wetenschap’ de voorwaarden van God opsomt: ‘Hij kan niet zonder wijze mensen bestaan – heeft Luther gezegd, en met goed recht; maar God kan nog minder zonder onwijze mensen bestaan – dat heeft die brave Luther niet gezegd!’

Het monotheïsme is op zand gebouwd. Onwijze mensen – ‘naïeve onnozele gelovigen’, schrijft Onfray – fabuleren ‘om de werkelijkheid niet onder ogen te zien’. Het Godsverhaal is een rustgevende fictie, de ‘handel in achterwerelden schenkt degene die ze voorstaan geborgenheid’.

De fictie van het geloof moet bestreden worden, dan pas ontstaat er een ‘metafysisch maagdelijk terrein’ waarin een volkomen nieuwe discipline het licht kan zien, de atheologie, een concept dat hij aan Georges Bataille ontleende, een discipline die talloze vakgebieden wil mobiliseren met als inzet: een physique de la métaphysique – zoals de oorspronkelijke Franse ondertitel van het Traité d'athéologie luidt, een ‘fysica van de metafysica’.

Nog steeds bevinden wij ons in een theologisch of religieus stadium van de beschaving. Maar er zijn tekenen van bewegingen die volgens Onfray ‘wat weg hebben van schollentektoniek’: toenaderingen en verwijderingen tussen gelovigen en niet-gelovigen, verschuivingen, overlappingen en barsten in de rijk geschakeerde cartografie van de wereldgodsdiensten. Op die kaart onderkent hij een ‘heidens’ prechristelijk continent, het christelijke van de kerkvaders tot het wereldlijk deïsme van de Verlichting, en een derde tijdperk, dat van het postchristelijk continent ‘waarnaar we nu op weg zijn’.

Het gaat in die tektoniek helemaal niet over westerse, vooruitstrevende, verlichte, democratische joods-christelijke tradities tegenover een oosterse, traditionalistische, obscurantistische islam, Bush of Bin Laden, maar om een radicale ontrafeling en ontmaskering van godsdienstige mythen en ficties, Mozes, Jezus, Mohammed versus ‘de ontmaskeraar’ baron d’Holbach, ‘de deconstructeur’ Ludwig Feuerbach en ‘de doodgraver van God’, Nietzsche.

Door de historische dominantie van de aanhangers van God, vindt Onfray, is de atheïstische woordenschat beperkt; ook de historiografie van het atheïsme is karig en nogal beroerd. Wordt d’Holbach (‘de sacrale besmetting’) nog gelezen, of de ‘analyse van een hersenschim’ van Feuerbach?

Zowel gelovigen als niet-gelovigen analyseren de bijbel, de thora en de koran. Sommige atheïsten – Luc Ferry en Alain Finkielkraut – smeden een halfbakken ‘christelijk atheïsme’. Onfray echter propageert – met aanmatigende retoriek – het authentieke ‘atheïstisch atheïsme’. Met die pleonastische term verklaart hij niet alleen God dood, maar ontwricht hij ook waarden en normen: ‘Het postmoderne atheïsme schaft de theologische maar ook de wetenschappelijke referentie af bij het construeren van een moraal.’

Strijdvaardig slaat Onfray om zich heen, zijn betoog ontspoort, zijn boek is een scheldkanonnade. Hij maakt het zijn tegenstanders makkelijk, zijn argumenten zijn eenzijdig en simplistisch. In L’anti-traité d'athéologie – Le système Onfray mis à nu demystificeert schrijver en essayist Matthieu Baumier de demagogie van Onfray, zijn sofisterij en zijn syllogismen, zijn spitsvondige maar weinig steekhoudende redeneringen, rumeurs de bistrot, borrelwijsheden. Filosofe Irène Fernandez noemt zijn atheologie in haar Dieu avec esprit – Réponse à Michel Onfray ‘een mager intellectueel debat’. Het is ‘verbaal gejongleer’; Onfray kan geen maat houden, het is weinig accuraat en ook smakeloos scheldproza, vindt Fernandez.

Vooral het christendom moet het ontgelden. In zijn boeken is Onfray vaak openhartig over zijn bedwelmende opvoeding in een katholieke kostschool (in L’archipel des comètes en Théorie du corps amoureux – Pour une érotique solitaire). Het tekende hem, zoals het protestantisme Nietzsche heeft getekend. Hij rekent af met ‘Jezus met de zweep’ in de tempel, met Paulus en zijn theorie dat de macht van God komt, en met Augustinus en zijn rechtvaardige oorlog. Het christendom is de oorzaak van alle plagen: kolonialisme, genocide, etnocide. Dat christendom maakte ook het nazisme mogelijk. ‘De gaskamers kunnen dus worden ontstoken met het Sint-Jansvuur.’

Christenen, zegt Onfray, staan afkerig tegenover lichamelijkheid, verlangens, hartstochten, driften, vrouwen, liefde, seks, het leven in al zijn vormen, tegenover ‘datgene wat de aanwezigheid in de wereld verheft, namelijk de rede, de intelligentie, de boeken, de wetenschap en de cultuur’. Hij schrijft het allemaal ongenuanceerd op.

Zijn betoog over ‘christendom en nazisme’, over de houding van de paus tijdens de Tweede Wereldoorlog tegenover het leed van de joden, haalt hij vooral uit Daniel Goldhagens boeken. Ook al heeft hij de Gewijde Boeken gelezen, hij is geen exegeet. Alleen fundamentalisten lezen, zoals kennelijk ook Onfray, wat er staat; de spirituele kracht van grote verhalen en mythes is iets anders dan goedgelovigheid.

Hij beschimpt ook het doe-het-zelfmonotheïsme: de jood, de christen en de moslim ‘kunnen naar wens uit de thora, de evangeliën en de koran putten, zij vinden erin wat ze nodig hebben om zwart en wit, dag en nacht en deugd en ondeugd te rechtvaardigen’. De islam is echter ‘structureel archaïsch’, dat kun je niet moderniseren, zegt hij in Atheologie. Praten over een wereldlijke islam, die republikeins is, gelaïciseerd, is gebeuzel. Natuurlijk kunnen we ook christen zijn en niet werkelijk in God geloven, pauselijke bullen beschimpen en spotten met mysteries en dogma’s, maar ook dat is in de ogen van de atheoloog ‘incoherente logica’.

Zijn ‘tabula rasa’ is een illusie; je kunt niet – zoals de Franse revolutionairen – een nieuwe politiek of godsdienst construeren vanaf het jaar nul. We zijn allemaal erfgenamen, of we dat willen of niet. Religie, religare, beweren sommige etymologen, betekent ‘met elkaar verbinden’. Dat woord is flink geërodeerd. Régis Debray hanteert daarom in Les communions humaines – Pour en finir avec ‘la religion’ het begrip ‘communion’. In zijn briljante bespiegeling over het geloof legt hij uit hoe een collectieve identiteit mensen bindt. De term ‘communion’ maakt het ook makkelijker om zowel met gelovigen als ongelovigen over zingevingsvragen te filosoferen. De atheïst Debray speurt naar symbolieken, verhalen en referenties, naar overtuigingen en intenties die mensen met elkaar verbinden.

Godsdienst is in de ogen van Debray ‘geen kinderziekte van de rede’; het ‘sacrale vuur’, in welke vorm ook, dooft nooit uit.

Eigenlijk bestrijdt Onfray in zijn Atheologie vooral een hersenschim. Of God er nu is of niet, ‘Dieu est Dieu, nom de Dieu!’ – naar het woord van journalist en filosoof Maurice Clavel.

Michel Onfray: Atheologie – De hoofdzonden van jodendom, christendom en islam. Vertaald uit het Frans door Anneke van der Straaten en Harrie Nelissen. Mets & Schilt; 269 pagina’s; ¿ 20,-. ISBN 90 5330 458 4.

Régis Debray: Les communions humaines – Pour en finir avec ‘la religion’. Fayard, import Nilsson and Lamm; 159 pagina’s; ¿ 13,-. ISBN 2 213 62439 9.

Irène Fernandez: Dieu avec esprit – Réponse à Michel Onfray. Philippe Rey; 163 pagina’s; ¿ 14,-. ISBN 2 84876 037 0.

Matthieu Baumier: L’anti-traité d’athéologie – Le système Onfray mis à nu. Presses de la Renaissance; 245 pagina’s; ¿ 17,-. ISBN 2 7509 0165 0.

Meer over