Een kritiek van de ronde rede

Een van de mannen wijst met zijn staf naar een bol, een sphaira, een wereld- en hemelbol, hét totaliteitssymbool dat sinds de dagen van Empedocles en Parmenides door landmeters en door allerhande metafysici evenzeer vereerd als bestudeerd werd.

Die alomvattende bol is het godenbeeld van de zeven denkers. Het zijn opgewekte 'boldenkers', vermoedelijk afgebeeld tijdens een of ander zomers seminar, zegt Sloterdijk. Ze wenden zich af van de tijd, ze wijden zich 'aan de sferische volheid' van die bolvorm. De wijzen zien 'dat het mogelijk is om zich in de tijd van de tijd los te maken en binnen te treden in de absolute ruimte'. De bol, waar ze naar kijken, trekt die wijzen naar zich toe: 'Kom, denk mij!' En: 'Ga in mij op!'

De directe aanleiding voor het schrijven van zijn trilogie, zegt Sloterdijk in Filosofie Magazine, was niet een of ander wijsgerig traktaat, maar de geboorte van zijn dochter. In de wijsbegeerte, zei hij al eerder in Zur Welt kommen - Zur Sprache kommen (1988), is geboorte een thema dat onderbelicht is gebleven. Sloterdijk filosofeert over de geboorte. We komen, zegt hij, twee keer ter wereld: uit de bolvormige moederschoot, die zachte en beschermende 'sfeer' - een breuk met de moeder; de tweede keer trachten we onszelf ter wereld te brengen, in het 'zur Sprache kommen'. Dát is 'het nieuwe beginnen'; het ons loswrikken uit het kluwen van tradities, het lot zelf in handen nemen.

Plato beschrijft in de toespraak van Aristophanes in Symposium 'het heimwee van de ronde totaliteit': de oermens, die met zijn armen en benen zich kon voortbewegen als een bol, werd door de goden gescheiden; de wederhelften gingen wanhopig naar elkaar op zoek. De seksualiteit, het zich weer herenigen, was een verlaat geschenk van de goden. Mensen zijn op zoek naar de vroegere geborgenheid van de baarmoeder; ze zijn sferenbouwers uit verlatenheid.

'Binnenruimte denken', noemt Sloterdijk zijn filosoferen. Hij hanteert morfologische begrippen en beelden, een vormleer van bollen, globes, bellen, cirkels en sferen. Boek na boek werkt Sloterdijk aan een kritiek op onze tijd. In zijn magistrale Kritik der zynischen Vernunft (1983) rekende hij af met 'het puin van de Verlichting' en met de ideologiekritiek van de Frankfurter Schule. Hij brak met dat filosofische verleden. Sloterdijk polemiseert met verdedigers van het humanistische beschavingside aal, want heeft dat ideaal in 'een wereld van barbaren' wel gewerkt? Kunnen mensen zich wel, geheel en al, voortdurend achter dat ideaal scharen? Bestaat 'de interesse van mensen voor mensen' nog wel, kortom bestaat de solidariteit?

In Sloterdijks denken zijn mensen sferenbouwers: ze komen uit een 'binnenwereld', de baarmoeder, en gaan voortdurend op zoek naar 'nieuwe binnenwerelden'. Met behulp van de vormgedachte van de bol filosofeert Sloterdijk over de globalisering. Sferen, de enigszins ingekorte eerste twee vertaalde delen van zijn 'sferenproject' Blasen en Globen - het derde deel Schäume ('schuim') verschijnt volgend jaar bij Suhrkamp, is een indrukwekkende en meeslepende 'kritiek van de ronde rede'.

Leven heeft met vorm te maken, dát is Sloterdijks these, die hij met de van oudsher door denkers als die zeven filosofen van het mozaïek gehanteerde meetkundige uitdrukking 'sfeer' verbindt. Het leven voltrekt zich niet alleen in de tijd, ook in de ruimte. Sloterdijk breekt met het allesoverheersende tijdsdenken in de filosofie en met denkers die het altijd over ons 'wat', maar nooit over ons 'waar' hebben.

Hij wil in Sferen 'de ruimte denken', de plekken waar de een de ander vindt en waar solidariteit mogelijk is. Zijn 'sferologie' is een filosofie van de ruimte, een topologisch denken.

Sloterdijk kiest allerlei afbeeldingen die hij becommentarieert. De wereld wordt letterlijk beeld. Een kind kijkt op Bubbles, een mezzotint naar een schilderij van Sir John Everett Millais, naar de zeepbellen die het uit een pijpje blaast; tussen die zeepbel en de jonge blazer heerst solidariteit. Het gebied, de open ruimte tussen oog en voorwerp, verandert in 'een bezielde sfeer'. Daar gaat het over in Sphären: de kracht van het bij elkaar horen, die bindende kracht die we met een knarsend woord uit de 19de eeuw 'solidariteit' noemen, de sferen waarin de een zich met de ander verweeft, de sfeervormige liaisons waardoor wederzijdse bezieling tot stand komt. In het filosofische jargon: 'We moeten ons richten op de plaats die mensen creëren om te kunnen zijn die ze zijn.'

Met veel bravoure en woordacrobatiek onderzoekt Sloterdijk in het eerste deel, Blasen, de microsferische eenheid, de 'moederschoot-verhouding' en de geborgenheid in de baarmoeder; in het tweede deel, Globen, speurt hij naar 'de verhouding tot de wereld', naar de macrosfeer van de historisch-politieke wereld en de globalisering, vanaf de vermeetkundiging van de hemel bij Plato en Aristoteles tot en met de omcirkeling van de aardglobe door schepen, kapitalen en signalen. Het derde deel zal 'de hedendaagse catastrofe van de ronde wereld' behandelen, 'de polysferische wereld' die niet langer de bol is maar 'schuim, ophopingen, sponzen, wolken en wervelingen'. Sloterdijk heeft het over 'de pathologie van de sferen'.

Al in Eurotaoismus - Zur Kritik der politischen Kinetik (1989) en Welt fremdheit uit 1993 kon je Sloterdijks eerste aanzetten van zijn overrompelende sferologie aantreffen. De mens verliest bij zijn geboorte - 'het drama van de geboorte' - de veilige beschutting van de moederschoot. Eigenlijk is het leven een voortdurende poging die oorspronkelijke behuizing of sfeer te herstellen - of het nu onder de veilige stolp van een godsdienst of een ideologie is, of binnen het huwelijk of in een of andere club, als goedgelovige, als fun shopper of als utopist.

Die pogingen, schrijft Sloterdijk, zijn steeds krampachtiger en ze mislukken. In het voetspoor van Martin Heidegger, die hij interpreteert (het Heideggeriaanse 'in-de-wereld-zijn' is bij Sloterdijk in-die-Welt-hinein-sein), probeert Sloterdijk opnieuw 'het Zijn' te denken. Het gaat bij hem over 'de beweeglijkheid van het existeren'. Niet alleen 'zijn' maar veeleer 'erin-zijn'.

We worden met een schreeuw geboren in een vijandige ruimte; we worden gescheiden van onze placenta - dat noemt Sloterdijk das Mit, onze metgezel en oerbegeleider, een geheime dubbelganger. Vervolgens worden we gevormd. Misschien willen we ons herenigen; we willen ons ook vooral beschermen. We bouwen, zoals hij in het tweede deel van Sphären schrijft, 'nieuwe ruimtes'. Dat noemt Sloterdijk ons 'immuunsysteem': we beschermen ons, zoals tegen bacteriën, ook tegen de barbaren die ons bedreigen.

Mensen omhullen zich met sferen: een huis, een natie, een wereldomspannende of geglobaliseerde wereld. We bouwen muren om ons heen uit paranoia of om ons te beschermen tegen de ander, tegen het vreemde of tegen de buitenwereld. Maar mensen, van meet af aan bewoners van meerdere sferen, zijn 'levende wezens die zijn voorbestemd om binnenwerelden te delen'. Sloterdijk hanteert het begrip in-heid, een 'kunstwoord' uit het vroege werk van Heidegger: het 'er-zijn' kan alleen bestaan 'als iets wat bevat, omgeven, omvat, omsloten, beademd, doorklankt, gestemd, toegesproken wordt', het leven is altijd een-leven-te-midden-van-leven. Dat schrijft hij ook aan het slot van het boek: het is 'gedeeld leven'; we kunnen 'solidariteitsruimten' scheppen.

In Sphären wordt het essaymatige van Sloterdijks werk - de redevoering, de brief, de televisietalkshow, het debat, het interview, de anekdote, alle denk-, spreek- en schrijfvormen waarvan hij zich als 'der Denker auf der Bühne' virtuoos bedient - meer en meer een zeer omvattende theorie van de huidige wereld. Zijn tweede deel noemt hij zelf 'de eerste werkelijke geschiedenis van de globalisering', denken vanuit de sferische vormgedachte.

Hij schrijft, in de traditie van de grote Duitse metafysici, in een rijkelijke taal: veel metaforen, neologismen, taalspelen (begrippen als 'de reëel existerende bol' of 'cirkel- en bolvrome grote-sferen-predikers', of 'gewelf-, schaal- en boldelirium'). Hij put uit het werk van de grote filosofen, veel Plato en Aristoteles, Hegel, Nietzsche en Heidegger.

Sloterdijk is controversieel, zoals in zijn ophefmakende Regeln für den Menschenpark (1999) over het humanisme; dát is de opdracht van een filosoof. Soms formuleert hij ambigue antwoorden op filosofische vragen. Hij windt zich op over 'denk-paparazzi', 'deconstructionisten' en ander 'observantengespuis', over het onoverzichtelijke schuim. Hij citeert uit Friedrich Nietzsches Die Fröhliche Wissenschaft: 'Vallen we niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, alle kanten op? Is er nog wel een boven en beneden?' Sloterdijk vreest dat veel van die vragen door de bedrijvige hysterie van de actuele debatten over de globalisering worden weggeredeneerd. 'Voelen we de adem van lege ruimte niet in het gezicht?', vraagt Nietzsche zich af. 'Is het niet kouder geworden?'

Peter Sloterdijk: Sferen. Bellen - Microsferologie. Globes - Macrosferologie.
Vertaald uit het Duits door Hans Driessen.
Boom; 950 pagina's; euro 49,50.
ISBN 90 5352 865 2.

Meer over