Een kleine ravage van gebroken lijnen; VOOR JACQ VOGELAAR IS AMBIGUITEIT ESSENTIEEL

U BESEFT HET waarschijnlijk niet, maar u hebt een dubbelganger. U bent elkaar. Elk van u beiden meent de enige echte te zijn, van elkaars bestaan hebt u geen weet....

'Je bent maar half wie je bent/ als iemand die in niemand zijn evenbeeld heeft'. Want:

Loop je de heuvel op

hoor je naast je stappen

als je stilstaat stokt andermans adem

niemand begeleidt je

Het is niet mogelijk met dit onzichtbare alter ego te communiceren: 'je hoort niemand/ en toch wankelt/ het evenwicht'.

Om deze parallelle persoonlijkheid, die door de oude Egyptenaren Ka werd genoemd, draait het in Inktvraat, de eerste reguliere gedichtenbundel van Jacq Vogelaar sinds 33 jaar. Dertien van deze gedichten verschenen vorig jaar al bij uitgeverij Herik.

Het vroege werk van Vogelaar is berucht om zijn ontoegankelijkheid. Experimenteel als geen ander, wantrouwde deze auteur iedere voorgeprogrammeerde visie op de werkelijkheid. In zijn ogen was zelfs de taal een tirannieke code die, zonder dat wij dat in de gaten hadden, allerlei ongewenste structuren aanbracht: wij nemen de werkelijkheid niet waar zoals zij is, maar zoals we geleerd hebben dat zij is. De wereld is veel complexer dan wij denken. Om onze ogen voor die ongekende realiteiten te openen, schiep Vogelaar een arsenaal aan ontregelende technieken, hetgeen er uiteindelijk toe leidde dat bijna niemand hem meer las.

In 1991 verblufte de schrijver vriend en vijand met zijn schitterende, en tot ieders verbazing goed leesbare roman De dood als meisje van acht, drie jaar later gevolgd door het buitengewoon ontroerende Weg van de pijn. Alle experimenten bleken niet voor niets te zijn geweest: zelden lees je proza dat zo subtiel is als in deze twee romans. Maar kennelijk kruipt het bloed waar het niet gaan kan: Vogelaars natuurlijke hang naar minder toegankelijke tekstsoorten moest zich ergens een uitweg banen, wat resulteerde in een lijvige bundel gedichten. Het boek is bijna net zo moeilijk als Vogelaars vroege proza, maar wie erin doordringt zal daar geen spijt van krijgen. Dit is, zoals de achterkant van de bundel terecht vermeldt, uitermate indrukwekkende poëzie.

Het ligt voor de hand Vogelaar met Kees Ouwens te vergelijken. Beide dichters werpen bewust barrières voor hun lezers op, omdat je de complexiteit van de werkelijkheid nu eenmaal alleen 'in de gewrongenste zegging' kunt benaderen. Beiden doen door hun zinsbouw en verborgen verwijzingen naar tal van dichters en denkers een groot beroep op intellect en eruditie, zodat de lezer die niet iets van een filoloog in zich heeft, wel kan vergeten enige greep op hun werk te krijgen. Toch zijn er grote verschillen. Ouwens is de gekwelde profeet, wiens bij vlagen ronduit lelijke poëzie weliswaar duister, maar niet opzettelijk meerduidig is. Vogelaar schrijft welluidender, is meer van deze wereld, en houdt van woordspelletjes.

Ambiguïteit is voor Vogelaar iets essentieels. Als ieder van ons, ja zelfs alle dingen om ons heen een Ka hebben, moet dat ook uit de taal blijken. En hoe kun je dat beter demonstreren dan met behulp van homoniemen? In eerste instantie zouden we hier van een flauwe woordspeling kunnen spreken: 'De man die wist wat hij is/ en vergeet wat hij weet'. Maar het woord 'wist' komt in de bundel enkele malen voor, omdat het een voor Vogelaar fundamenteel verschijnsel vertegenwoordigt: weten is een vorm van wissen. Wie iets opschrijft, elimineert alles wat hij op dat moment ook had kunnen opschrijven.

Wie schrijft om een beeld van zichzelf te scheppen, vormt een spiegel van inkt, en in zwarte spiegels zie je bitter weinig. Schrijven is geen vrijblijvende bezigheid, de pen kerft 'een monogram in eigen vlees/ diep in het papier', want inktvraat tast het papier aan. En het geschrevene leidt een eigen leven:

Letters sprongen uit de band

familieleden soms zonder ledematen

sprongen elkaar naar het leven

danse macabre van wortelschietende sprinkhanen

wortelstokken op hun achterste poten

koppotigen gesticulerend met romp en stomp

sokkels als dikkopjes en donderstenen

De gedichten gaan gelukkig niet uitsluitend over zichzelf. Ka blijkt niet alleen de genius of engelbewaarder te zijn, maar neemt ook de vorm van een geliefde aan, een wederhelft. De dichter reist naar de Provence, waar hij in een landschap van Van Gogh herinneringen ophaalt aan het meisje Ka, dat 'met kortvleugelige schouderbladen' een tijd lang zijn gids was. Maar alles gaat voorbij: 'Hoe meet je verlies/ waar tekort de maat van alles is'. Ook herinneringen vervagen, en wat je erover opschrijft, blijkt ten slotte niet meer dan een verzameling onleesbare tekens, als het Lineair-A-schrift van Knossos:

afgebeten schorpioen- en spinnenpo ten

angels, wimpers en vraagtekens

een kleine ravage van gebroken lijnen

van tekens van strijd

wat van het paleis in een tekenschrift

overblijft

Vleugels, Kreta? Vogelaar verwijst meermalen naar Ikaros: 'zij in de geest van een onvoorbereide zoon/ die in mijn plaats de zee in dook'. Deze mythische verwijzing staat niet op zichzelf. De aandachtige lezer zal ook Orfeus en Eurydike, Ariadne en de Minotauros, Oidipous en de Sfinx tegenkomen. En een dichter die zich zo met dubbelgangers bezighoudt, kan niet om Narcissus en Echo heen:

In de naam spelde onheil een andere naam

van tweeën een stem in een steen

een in water vertekend

rest echo's mes

Het 'stenen ei' dat Vogelaar even later noemt, komt ongetwijfeld uit De metamorfose van Narcissus van Salvador Dali.

Niettemin blijft de lezer ook na uitvoerige studie met raadsels zitten. Zo bevat de laatste reeks een aantal verwijzingen naar Archilochos, een dichter die wel heel erg weinig met Vogelaar gemeen heeft. En sommige gedichten lijken zo weerbarstig dat betwijfeld moet worden of iemand ze ooit zal kunnen ontcijferen. Daar staat tegenover dat enkele wél toegankelijke gedichten ronduit slecht zijn, zoals een in memoriam voor Daniël Robberechts en een verschrikkelijke tekst over de vernietigende werking van ideeën. Maar wie kan in de huid van de dichter kruipen om te voelen wat hij voelt? Zelfs zijn Ka zou hem in dat geval slechts uithollen:

In de kop van een bidsprinkhaan die traag

nog beweegt eet een grijze wesp hem leeg

(. . .)

Dringt het ene wezen het andere bin nen -

vreet de een de ander leeg, de een vervult

de ander, geen van beiden mag een naam hebben

U moet dit labyrint behoedzaam binnentreden. Na enkele uren zult u merken dat u niet alleen bent. Over uw schouder leest iemand mee. Hij heeft geen naam. U ook niet meer. U speelt beiden een rol in Vogelaars stuk:

Twee figuren die elkaar aanvullen

als ze samenvallen vallen ze uiteen

als schaduwen van elkaar worden we figuranten.

Piet Gerbrandy

Jacq Vogelaar: Inktvraat.

De Bezige Bij; 118 pagina's; * 39,50.

ISBN 90 234 4778 6.

Meer over