Een hoogst origineel portret van een generatie, dat laat zien dat verhalen ons bepalen in plaats van andersom

Tonnus Oosterhoff (1953) had al enkele jaren naam gemaakt als dichter toen hij debuteerde met de roman Het dikke hart (1994), over een jonge Nederlandse kunstschilder. Bij die ene bleef het. Dichtbundels, essays, verhalen, hoorspelen, toneelstukken; van alles verscheen er. Tot nu toe. In Op de rok van het universum, een titel ontleend aan Lucebert, vertelt Oosterhoff een fantastisch verhaal over tijd.

Vriendengroep

Brandpunt in zijn vertelling vormt een groepje vrienden, allen geboren net na de Tweede Wereldoorlog. Centrale figuur is Roelof de Koning, die we volgen vanaf de jaren vijftig. Eerst als kleine jongen, daarna als gymnasiast en nog weer later zien we hem als student diergeneeskunde in Utrecht. Vriendinnen komen en gaan. Een enkele relatie verloopt ongelukkig, maar in het tweede deel van zijn leven vindt Roelof een stabiele metgezel in de onderwijzeres Tony. Om en nabij de 70 is Roelof als hij na jarenlang stevig roken overlijdt aan kanker. Door zijn vrienden wordt hij begraven.

Tragisch misschien. Maar niet bijster spectaculair. Meer levens verlopen zo; onbeduidend en willekeurig. Het sensationele schuilt dan ook niet in de grote lijn van zo'n leven, maar in de details, de terzijdes, de kleine gebeurtenissen en toevalligheden die de geschiedenis kleuren. Oosterhoff laat dat zien door zijn manier van vertellen. Sterk fragmentarisch, ogenschijnlijk van de hak op de tak, nu eens dicht op het ene personage en dan weer op het andere, zuigt hij je de geschiedenis in. Hij omringt zijn figuren met verhalen, met soms totaal uitgebeende versies van romans, nieuwsfragmenten, anekdotes en feiten uit de biologie.

Eigen toonsoort

Beschrijft Oosterhoff een huiskamerfeest in de jaren vijftig, dan ontstaat binnen mum van tijd een kakofonie van verhalen. Iedereen kletst en roddelt omdat Wies, Roelofs zuster, trouwen moet. En gaat opa nou per ongeluk op zijn sigaar zitten? Hilariteit alom. Hetzelfde moment vertelt iemand een mop over een vrouw die niet kan slapen. In haar slapeloosheid bevoelt ze haar echtgenoot, die zo'n dertig keer per nacht een erectie krijgt. Haar huisarts vraagt ze of dit nu normaal is. Waarop die zegt: dat van die erectie wel, maar dat u hem dertig keer per nacht betast niet.

Die verhalen veroorzaken hier een drukte van jewelste. En gelachen wordt er ook. Ieder decennium heeft zo zijn eigen toonsoort.

Eerste helft jaren negentig, Roelof woont dan in Amsterdam, merkt iemand op dat 'de tijd hard is geworden in plaats van somber'. Het markeert treffend de overgang van de jaren tachtig naar de jaren negentig.

Een kritische periode breekt aan als de 21ste eeuw op stoom is gekomen. Roelofs vriend Eddy is 'conceptueel schrijver' geworden. Ging het in zijn succesroman De amethist nog over het Kralingse festival in 1970, nu windt Eddy zich op over de gebakken luchtcultuur. Even genadeloos drijft hij de spot met netwerksite LinkedIn als met sommige televisiepresentatoren, onder wie Sven Kockelmann, die hij 'onderbreekkundige' noemt.

Encyclopedische rijkdom

Dit boek heeft een encyclopedische rijkdom, zoveel wil het omvatten, zo veel wil het laten zien en in herinnering roepen. Geen moment is Oosterhoff benauwd zijn roman te ondermijnen met weer een nieuwe anekdote. 'Tijd vormt en misvormt ons...' schrijft hij. Zeker, bovendien heeft de dood het laatste woord, maar meer nog illustreert dit hoogst originele portret van een generatie dat het vertelsels zijn, fictieve en waargebeurde, die levens inkleuren, toonzetten en betekenis geven. Verhalen bepalen ons in plaats van andersom. Voor een schrijver moet dat geen vervelende conclusie zijn.

Meer over