Een grote en onmogelijke liefde HET ZINGT IN DE BILDUNGSROMAN VAN H.C. TEN BERGE

IEDEREEN DIE nog nat achter de oren is, krijgt vroeg of laat van volwassenen te horen dat jong zijn zo fijn is, want dan kun je nog alle kanten op....

ARJAN PETERS

Naarmate mensen ouder worden, vertonen ze meer de neiging te denken dat ze in hun jeugd reuze onbevangen in het leven stonden. De gelukservaringen worden opgepoetst, de frustraties verdoezeld, want je was jong, dus boven alles aandoenlijk. 'Ik vatte alles bloedserieus op en wist nooit hoe ik me moest uiten', zeggen ze over de jongeling die ze zijn geweest, en glimlachen. Zouden ze weer aan den lijve voelen wat dat voor de praktijk betekende, dan piepten ze wel anders.

Edgar Moortgat, de 50-jarige verteller en hoofdpersoon in de roman De jaren in Zeedorp van H.C. ten Berge (1938), voelt het daadwerkelijk weer aan den lijve - en jawel, hij piept heel anders. Dat is een opluchting, want de flaptekst in combinatie met het geboortejaar van de auteur doet nog vermoeden dat dit vervolg op Ten Berge's sterke roman Het geheim van een opgewekt humeur (1986, Multatuliprijs) de zoveelste Bildungsroman is waarin een jeugd valselijk aandoenlijk wordt gemaakt.

Wel lijkt de afstand tussen toen (de late jaren vijftig) en nu (het verhaal over die tijd) nodig geweest, voor verteller en schrijver: pas als je wat ouder bent, kun je met een zekere onbevangenheid en ontroering schrijven over de jaren waarin je bevangen was van allerlei onzekerheden, met als onbetwistbare nummer één met stip: de liefde.

Zij heette Marie-Louise Aptekman, was 16, zat op de meisjesschool in Zeedorp, was mooi en gesloten, en viel voor artistiekerige knullen. Edgar Moortgat was een paar jaar ouder, kwam uit een provinciestad, had zo weinig geld dat hij zijn brieven meestal zelf per fiets bezorgde, was enig kind en verzot op jazz en poëzie.

Mooie jaren om jong te zijn, die jaren vijftig - dat wil zeggen, als je er decennia later op terug kunt blikken en er de melodieuze bewoordingen voor vindt die Ten Berge hier gebruikt. Het zingt in De jaren in Zeedorp, van verliefdheden, artistieke plannen, duinwandelingen, ontdekkingen op het gebied van de kunsten (een prachtige beschrijving van het beeldenpark Sonsbeek), van verwachtingen en verlangens. Maar tegelijk snijdt door dit alles, als verzengend contrapunt, de grote en onmogelijke liefde van Louise en Edgar. Drie jaar lang trok zij hem aan en stootte zij hem weer af als hij haar te na kwam. Zij had hem zo hoog zitten dat ze zich niet meer aan hem dorst te geven. Ze wilde dat hij haar nam, ruw, hard, dat hij haar zonder pardon op de knieën kreeg. Maar dat zei ze niet. Ondertussen kreeg hij geen hoogte van haar, en werd hij verteerd door jaloezie zodra hij vernam dat ze zich met andere jongens afgaf. Zelf kreeg ook hij een ander, de levenslustige Harriët Klein die hem vrolijk-chaotische briefjes schreef en met hem de wereld zou willen verkennen. Harriët is leuk, lief, spontaan, ze heeft alles, maar geen geheim. Hij blijft om Louise heen draaien, misschien juist omdat er tussen hen het een en ander in de weg staat.

Elementen te over aan deze historie om er met de bezadigde ironie van een volwassene op neer te kijken. Het kunststuk is dat Ten Berge die valkuil vermijdt. Zijn roman is geen sentimental journey. Ach god, wat was Moortgat toch aanbiddelijk, dat is er hier niet bij. De pijn om wat die drie lange jaren niet van de grond kwam, de volkomen toenadering tussen twee gelieven, wordt niet kunstmatig toegedekt. Integendeel, de smart schrijnt weer als vanouds.

Edgar moet het weer onder ogen zien, of hij wil of niet. Zijn huidige geliefde Miriam dwingt hem namelijk haar kond te doen van zijn amoureuze verleden, opdat zij weet met wie ze in zee gaat. Bovendien heeft hij kort geleden van Louise enkele notitieboekjes gekregen: haar logboek van de tijd met hem. Tot zijn ontsteltenis leest hij terug wat zij destijds niet uitsprak, maar wel aan het papier toevertrouwde. Nu pas ziet hij hoeveel zij om hem gaf.

Waarmee dit boek dubbel zo fascinerend wordt. Niet alleen put Moortgat uit zijn geheugen, en is hij zich bewust van de vertekeningen die met herinneren gepaard gaan, ook is er de nietsontziende confrontatie met de dagboeknotities van Louise. Het gaat er in De jaren in Zeedorp niet om te achterhalen wat er vroeger echt is gebeurd, maar om in kaart te brengen wat die ervaringen voor de jonge én de oudere Moortgat hebben betekend. Niet de werkelijkheid is het doel, maar de waarheid, die altijd persoonlijk is. Daarom is het ook een Bildungsroman en geen autobiografie. Daarom is Ten Berge ook schrijver en geen archeoloog.

Zo op het oog is er niet bijster veel opzienbarends voorgevallen. Louise en hij maakten deel uit van een clubje jongeren in Zeedorp (een gemythologiseerd Bergen, schat ik) die droomden van elkaar en van de kunst die ze later zouden maken, maar toen nog fröbelden. Maar hoe weinig vrijblijvend leefden zij!

Edgar maakte een gedicht voor Louise, overhandigde haar dat plechtig in gezelschap, zij reageerde nauwelijks omdat zij dat daar niet spontaan kón. Haar vreugde leefde ze uit in haar dagboek. Terwijl Edgar gebroken thuis zat, zich de haren uit het hoofd trekkend omdat hij een faux pas had begaan.

Die ellende. Het is niks, een bagatel, klunzige onervarenheid, noem het zoals je wilt, in de onmetelijke wijsheid die je met de jaren hebt gekregen. Maar het wás Alles, een ramp, hartverscheurend omdat het geluk zo tastbaar was als het zich nadien nooit meer zomaar aan je heeft voorgedaan.

In het dorp bezoekt Edgar ook de miskende Malefijt, een berooide bouwmeester die halsstarrig vasthoudt aan zijn utopische beginselen: 'Wie het onmogelijke nastreeft, houdt altijd iets bereikbaars over dat hem als beloning in de schoot valt.' In de bescheiden boekenverzameling van deze vereenzaamde wereldburger vindt Edgar Het Boek Pymander, ontstaan in het Alexandrijnse Egypte, en in de zeventiende eeuw door Cornelis Drebbel vertaald en toegevoegd aan zijn beschrijving van 'een eeuwigh bewegende gheest in een Cloot besloten'.

De jonge Moortgat kon met geamuseerde interesse kijken naar Malefijts plannen en de wonderlijke bronnen waarop hij zich baseerde. Ook de latere Moortgat ziet in waar de onbeteugelde vernieuwingsdrang van de bouwmeester overliep in irreële begoochelingen. Toch kan hij de architect van luchtkastelen dankbaar zijn, en om die reden zal hij een fraai portret van de man hebben opgenomen in zijn herinneringen aan zijn jaren-van-ontwaken, aan de sneeuw en de regen van vroeger, die op de bevattelijke Moortgat een onuitwisbare indruk maakten.

Al die tijd heeft hij de onvervulde liefde voor de Ene van toen met zich meegevoerd. Nu is hij eraan toe die periode van hartstocht die geen uitweg vond, te kanaliseren. Wat hem destijds beving, wat hij eigenlijk had willen zeggen, daarvoor heeft hij nu de middelen. De bewegingen van zijn geest heeft hij in de Cloot van dit boek besloten.

Of Miriam tevreden is met zijn biecht, valt te bezien. De epiloog geeft aan dat zij wellicht te véél heeft gehoord naar haar zin. Ze heeft hem er niet bij geholpen, de spoken van zijn verleden uit te drijven. 'Jij weet nooit van ophouden', mort ze, en: 'Je bent jezelf niet meer.' Echter, dat hij nooit van ophouden weet, dat onthult iets van zijn wezen.

Ze zou tevredener moeten zijn, om de luchtige bevlogenheid waarmee Moortgat een gedenkwaardige geschiedenis eer bewijst. En och, als zij het niet is, kunnen wij het in haar plaats zijn.

Arjan Peters

H.C. ten Berge: De jaren in Zeedorp - Een episodische vertelling.

Meulenhoff; 288 pagina's; * 39,90.

ISBN 90 290 5673 8.

Meer over