Film

Een goeie gokfilm gaat nooit alleen over gokken

Met The Card Counter is de gokfilm terug van weggeweest. Maar wat staat er bij dergelijke films nog meer op het spel, behalve de inzet? Op zoek naar de verborgen wetten van het genre.

Rob van Scheers
Oscar Isaac in ‘The Card Counter’ (2021). Beeld
Oscar Isaac in ‘The Card Counter’ (2021).

Paul Schrader, de 75-jarige Amerikaanse regisseur en scenarist met gereformeerde Nederlandse roots, heeft een nieuwe film: The Card Counter. Het is een gokfilm, en dat is best opmerkelijk. De laatste jaren waren we het klassieke genre, want dat is het, enigszins uit het oog verloren. Misschien was alles al wel gezegd.

Paul Schrader denkt dus van niet. Dat laat zich eenvoudig onderzoeken, en wel door een marathonzitting waarin de betere gokfilms voorbij komen, een hink-stap-sprong door de filmgeschiedenis. Gewoon oldskool, met in de hand een stapel dvd’s. De insteek: wat staat er bij een gokfilm nog meer op het spel, behalve de inzet? En wat zijn de verborgen wetten van het genre?

Matt Damon in ‘Rounders’ (1998). Beeld
Matt Damon in ‘Rounders’ (1998).

Matt Damon weet wel een wet: ‘Als je er niet binnen het uur in slaagt aan de pokertafel de loser te herkennen, dan ben je het waarschijnlijk zelf.’ Die uitspraak van de dan nog jonge acteur komt uit de gokfilm Rounders (1998, John Dahl). Hij speelt rechtenstudent Mike, die bijverdient door te kaarten om geld. Zijn droom is ooit nog eens wereldkampioen te worden. Wet 2 van Damon: ‘Poker is geen kansspel. Het is een vaardigheid.’

Vol jeugdige overmoed en gejaagd door de winst begeeft Mike zich in het schaduwrijke gokcircuit van New York. Daar vindt hij in de Russische maffiabaas Teddy KGB, een heerlijk schmierende John Malkovich, een geduchte tegenstander. Alles kwijt. Gedurende de rest van de film probeert Mike met hulp van zijn foute jeugdvriend Worm (Edward Norton) het verlies weer in te lopen. Op naar Vegas, op naar de World Series of Poker.

Maria Bello Alec Baldwin en William H. Macy in ‘The Cooler’ (2003). Beeld
Maria Bello Alec Baldwin en William H. Macy in ‘The Cooler’ (2003).

Daar loopt hij dan vast Bernie Lootz tegen het lijf, gespeeld door William H. Macy. Bernie, de hoofdpersoon van The Cooler (2003, Wayne Kramer), is binnen het genre van de gokfilm een geval apart. Waar hij ook komt, brengt hij ongeluk. Hij heeft zijn tragische lot allang geaccepteerd. Sterker: juist omwille van die discutabele eigenschap huurt manager Shelly Kaplow (Alec Baldwin) van het Shangri-La-casino in Las Vegas hem in.

Als de bank dreigt te klappen bij poker, dobbelen of roulette, krijgt Bernie een seintje. Hij hoeft alleen maar naast de bewuste speeltafel te gaan staan en het geluk van de spelers kantelt. Omdat Bernie zo’n anonieme verschijning is, valt niemand dat op. Maar zie: op zeker moment wordt hij verliefd op cocktailserveerster Natalie (Maria Bello). Bernie is gelukkig, en raakt als bij toverslag zijn boze oog kwijt. Nu heeft manager Shelly niets meer aan hem. Vele complicaties volgen.

Wat al na twee films tijdens de marathon duidelijk is (wet 3): het casino wordt gebruikt als decor om een geheel ander verhaal te vertellen. Ja, de plaats van handeling brengt een specifieke sfeer mee: geratel van de slotmachines, geen verschil meer tussen dag en nacht, goudzoekers in opgewonden toestand aan de dobbeltafel, pandemonium. Maar in feite gaat Rounders dus over de vriendschap tussen die twee jongens. En The Cooler is in zijn diepste wezen een (tamelijk grimmige) romkom.

Poker boom

Het is geen toeval dat deze twee films rond de eeuwwisseling werden uitgebracht. In de VS was destijds sprake van een heuse poker boom. Dat had alles te maken met de introductie van onlinepoker. En alsof het een dartstoernooi betrof werden de World Series of Poker live op tv uitgezonden, met fluisterend commentaar en al. De hype liep op zijn eind toen in 2006 de juridische regels voor onlinegokken werden aangescherpt en de belangrijkste speler, het bedrijf PartyPoker, de VS verliet.

Ook voor de filmwereld had de omslag consequenties: plots waren pokerfilms weer passé. Zo’n twintig jaar later neemt Paul Schrader de handschoen op. Na het zien van de film mogen we wel stellen dat ook hij de wetten van het genre goed heeft bestudeerd. The Card Counter kent een hoofdpersoon met een duister verleden. Dat hoort nu eenmaal zo in een neo-noir (gok)film: de protagonist moet een onverwerkt litteken op zijn ziel hebben. De beschadigde is in dit geval de professionele pokerspeler William Tell (Oscar Isaac) – een pseudoniem, want eigenlijk is hij oorlogsveteraan William Tillich. Hij heeft nog een rekening openstaan in Bagdad, maar dat blijkt pas veel later. Ondertussen reist hij van casino naar casino, liefst onder de radar. Zijn (wetmatige) strategie: laag inzetten, kleine winst pakken. Nooit aan de bar blijven hangen, altijd de nacht doorbrengen in een smoezelig motel.

Tell is kaartenteller. Dat is niet illegaal, maar uitsmijters zien zulke spelers liever niet komen. Een kaartenteller benut bij blackjack zijn bijna fotografische geheugen, daar heeft hij jaren op getraind. Hij onthoudt exact welke kaarten er al zijn getrokken en welke er nog in de slof van de dealer zitten. Wie het dichtst bij 21 komt wint. Een soort eenentwintigen dus, dat we allemaal weleens voor stuivers en dubbeltjes op de middelbare school hebben gespeeld.

Rap tempo

Constatering tussendoor: van het gegoochel met al die speelkaarten kan een kijker behoorlijk nerveus worden. Aas, heer, boer en vrouw herkennen we wel, maar doorgaans gaat het allemaal in een dermate rap tempo dat je denkt: snap ik dit? Mis ik iets? Conclusie: het beste is om maar gewoon te accepteren dat het klopt, en je te concentreren op het verhaal (ook een wet).

Andersom lopen de makers evenzeer een risico. Stel dat er een professionele speler in de zaal zit die dwars door het gebodene heen kijkt? Daar is het volgende op gevonden: de pokerconsultant. In het geval van The Card Counter is dat ene Joe Stapleton, je ziet zijn naam op de aftiteling voorbij komen.

Wat doet een pokerconsultant? Op de website PlayUSA legt Stapleton uit: ‘Ik kreeg het script toegestuurd en heb stapels aantekeningen gemaakt. Een voorbeeld: iedereen die een beetje kan kaarten weet dat je bij poker juist niet kunt tellen. Dus als je je film The Card Counter noemt, zul je de hoofdpersoon naast poker ook blackjack moeten laten spelen. Anders beledig je de pokerfans bij voorbaat al.’

Bedankt pokerconsultant, het verhaal verder uitwerken kon Schrader zelf wel. Wat volgt, is dat na lang aandringen van fatale vrouw La Linda (Tiffany Haddish) ook William Tell zich inschrijft voor de World Series of Poker, het rondreizende toernooi dat de spelers langs casino’s in plaatsen als Las Vegas, Reno, New Orleans en Panama-Stad brengt.

Las Vegas

Vegas. Geen gokfilm zonder Las Vegas. In de Amerikaanse beleving is dat niet zomaar een stad, het is eerder een psychologisch experiment. Iedere passant waant zich er mooier, rijker en gelukkiger in het spel en de liefde dan hij of zij in werkelijkheid is. Vóór corona werd er door gokkers circa 8 miljard dollar per jaar verspeeld. Het zelfmoordpercentage is er het hoogst van de VS, net als het aantal echtscheidingen.

Mario Puzo, auteur van The Godfather, omschreef de woestijnstad in zijn boek Inside Las Vegas aldus: ‘Tijdens een driedaags tripje naar Las Vegas kun je de beste tijd van je leven hebben. Daarvoor moet je alles vergeten wat je ooit hebt geleerd over prachtige musea, de geneugten van het lezen, intellectueel uitdagend theater, betoverende muziek, geestprikkelende lezingen door grote filosofen, culinaire hoogstandjes, de juiste wijnen en echte liefde.’

Niettemin, concludeerde Puzo, is Las Vegas de meest effectieve droom die het ‘democratisch kapitalisme’ heeft weten te produceren. Dat het hallucinante Vegas in het begin voornamelijk werd gefinancierd door de bankbiljetten van de gereputeerde moordenaar en gangster Ben ‘Bugsy’ Siegel, maakt het mythische gehalte van de stad alleen nog maar groter.

Warren Beatty en Joe Mantegna in ‘Bugsy’ (1991). Beeld
Warren Beatty en Joe Mantegna in ‘Bugsy’ (1991).

Over Siegel (‘Noem hem nooit Bugsy, dan wordt hij boos. Zo noemen zijn vijanden hem. Zeg Benjamin.’) is door Barry Levinson een aardige biopic gemaakt: Bugsy (1991). Warren Beatty blijkt geknipt voor de rol van de ijdele gangster die, hoewel het slecht met hem afloopt, visionair genoeg was om in Nevada als eerste een groot gokpaleis neer te zetten: The Flamingo, geopend in 1946. Mét ingevlogen showbizz-entertainment, het hele pakket. Dat was nieuw, en dat is in Las Vegas altijd zo gebleven. Je zou de film – minus de doden – kunnen zien als een lofzang op Amerikaans entrepreneurschap.

De hele Rat Pack in ‘Ocean’s 11’ (de originele film uit 1960). Beeld
De hele Rat Pack in ‘Ocean’s 11’ (de originele film uit 1960).

Als je iets van toon en timbre uit de begindagen van Vegas wilt begrijpen, kun je het best terecht bij de oorspronkelijke Ocean’s 11 (1960, Lewis Milestone). Kijk, daar zijn ze al, de mannenmannen van de Rat Pack – uit een geheel ander tijdsgewricht, van ver voor #MeToo, en zo gedragen ze zich ook: Frank Sinatra, Dean Martin, Sammy Davis Jr., Peter Lawford en Joey Bishop. Ze tikken ongevraagd op passerende vrouwenbillen, ze roken en drinken flink door en ze hebben het plan opgevat om op Oudjaarsavond met militaire precisie – als veteranen uit de Tweede Wereldoorlog – vijf casino’s in Las Vegas simultaan te beroven: de Sahara, de Riviera, de Desert Inn, de Sands en de Flamingo. Het verhaal komt traag op gang, maar is wel in glorieus technicolor gedraaid. Deze film gaf Las Vegas zijn reputatie van wereldgokhoofdstad. En de mannenmannen golden nog jaren als rolmodel voor de gemiddelde Amerikaan die ook wel zo stoer zou willen zijn.

Anders dan bijvoorbeeld bij de vervallen gokstad Atlantic City aan de Amerikaanse oostkust is de lokroep van Las Vegas overeind gebleven. Weliswaar is het aanbod de laatste jaren gedisneyficeerd, gaat het meer richting pretpark voor het hele gezin, nog steeds kun je er een stoet aan have-nots door het straatbeeld zien schuiven. Een emmertje met muntjes in de hand voor de gokautomaten, beetje triest beeld, van een dresscode is geen sprake, ze zijn op zoek naar hun recht op geluk.

Susan Sarandon en Burt Lancaster in ‘Atlantic City’ (1980). Beeld
Susan Sarandon en Burt Lancaster in ‘Atlantic City’ (1980).

Atlantic City

Het spiegelbeeld van alle pracht en praal in Vegas is de film Atlantic City (1980) van Louis Malle. Als decor fungeert het groezelige toevluchtsoord voor gokkers in New Jersey, de sloophamers vliegen je om de oren. De glansrollen zijn voor kruimeldief Burt Lancaster en serveerster Susan Sarandon. De tragikomische vertelling over de keerzijde van de Amerikaanse droom won de Gouden Leeuw in Venetië en werd genomineerd voor vijf Oscars.

Dat is de buitenkant. Hoe het achter de schermen werkt, wordt mooi uitgelegd in Casino (1995, Martin Scorsese). Door de maffia in Chicago is Robert De Niro naar Las Vegas gestuurd om orde op zaken te stellen in het Tangiers-casino. Het eerste half uur van de film geeft hij de kijker een rondleiding die ons ook in de telkamer brengt. Daar wordt de winst van de dag afgeroomd door de maffia, zakken met geld, zonder dat de fiscus daar weet van heeft. Of misschien ook wel, want als Casino iets duidelijk maakt, is het hoe de boven- en onderwereld in het Las Vegas van de jaren zeventig met elkaar verstrengeld waren. Lokale politici, senatoren, allemaal lieten ze zich door de maffia fêteren. En wie moeilijk deed, eindigde onherroepelijk in een kuil in de woestijn (wet).

John C. Reilly in ‘Hard Eight’ (1996). Beeld
John C. Reilly in ‘Hard Eight’ (1996).

Scherp gesteld, die context van Casino. Dat een gokfilm ook een subtieler verborgen thema kan hebben, wordt duidelijk uit Hard Eight (1996, Paul Thomas Anderson). In het begin treffen we de dakloze John Finnegan (John C. Reilly) aan voor de deur van Jack’s Diner in Sparks, Nevada. Hij was naar Vegas afgereisd om 6.000 dollar te winnen, geld dat hij nodig heeft voor de begrafenis van zijn moeder. Het liep even anders.

Dan wordt hij aangesproken door een vreemdeling, Sidney (Philip Baker Hall), strak in het pak. Die biedt John in het restaurant een kop koffie aan en neemt de situatie met hem door. Sidney blijkt een gokveteraan. Hij neemt John mee naar Vegas om dat geld alsnog te winnen. En daar blijft het niet bij, want Sidney ontfermt zich over John.

De vraag is nu: waarom adopteert een wildvreemde man een aan lager wal geraakte jongen? Net als bij The Card Counter wordt de achtergrond pas tegen het einde weggegeven. Langzaamaan wordt duidelijk dat Sidney een paar jaar eerder de vader van John heeft vermoord in Atlantic City, en al weet de jongen het niet, dit is Sidneys manier om vergiffenis te vragen. Op zoek naar verlossing: juist in gokfilms is dat een terugkerend thema, in The Card Counter ook weer.

Marlene Dietrich in ‘Rancho Notorious’ (1952). Beeld
Marlene Dietrich in ‘Rancho Notorious’ (1952).

Zo kun je na al deze films noteren: een gokfilm is nooit wat het lijkt. En louter een stoere mannenzaak is het ook niet meer. We hadden al de pokerface van Marlene Dietrich aan de speeltafel in de western Rancho Notorious (1952, Fritz Lang), en ook Sharon Stone gokt er in Casino lustig op los. Van recenter datum is Molly’s Game (2017, Aaron Sorkin), een gokfilm gebaseerd op de gelijknamige memoires van Molly Bloom. Ooit was zij een veelbelovend skiër, met olympische aspiraties. Een blessure noopte haar te stoppen, waarna ze richting Los Angeles vertrok en als barvrouw terechtkwam in het pokercircuit van de rich and famous.

Jessica Chastain in ‘Molly’s Game’ (2017). Beeld
Jessica Chastain in ‘Molly’s Game’ (2017).

Dat kan ik ook, dacht Molly – overtuigend gespeeld door Jessica Chastain – en ze begon zelf avondjes te organiseren in een luxehotel, met inzetten van wel 250 duizend dollar per speler. De gasten gedroegen zich hoogst onaangenaam, met name Player X. Vanaf hier is de film een soort sleutelroman: wie is wie? (Het schijnt dat Player X in werkelijkheid Spider-Man Toby Maguire is, Leonardo DiCaprio komt ook voorbij). Vervolgens grijpt de FBI in wegens illegale gokpraktijken. Daarmee wordt het een rechtbankdrama, met Idris Elba als Molly’s advocaat.

Drie verhalen voor de prijs van één. Met gokfilms kun je werkelijk alle kanten op. Het genre is nog lang niet dood.

Meer over