EEN DURE HOBBY

Mariss Jansons. Christian Thielemann. Kent Nagano. Menige stad zou blij zijn met één zo'n topdirigent. München heeft ze alle drie binnen de stadsmuren, verbonden aan drie topensembles....

De muzieksteden Amsterdam en München hebben volgens de dirigent Mariss Jansons iets gemeen. Traditie. Volle zalen. Ingevoerd publiek. ‘Betrokkenheid.’ In beide steden huizen orkesten die het beste van het beste met de muze voor hebben. Jansons heeft het zo vaak gezegd: het Concertgebouworkest en dat andere orkest waarvan hij chef-dirigent is, het Symfonieorkest van de Bayerische Rundfunk, hij heeft ze lief omdat het allebei ‘zeer intelligente orkesten’ zijn, gevestigd in ‘goede steden’.

Maar evengoed. Loop door München en je ziet verschillen. Voor een C & A-filiaal in Amsterdam kom je wel eens een straatmuzikant tegen, maar geen hippe pianist die op een doordeweekse middag een selectie uit Chopins etudes opus 25 uitvoert op een zwart gepolitoerde vleugel, zoals Münchenaren kunnen meemaken op het sierplaveisel voor hun C & A aan de Kaufingerstrasse. Waar de gemiddelde Amsterdammer best bereid is een geldstuk in een opengeklapte vioolkist te gooien, mits hij snel mag doorlopen, zie je op de Marienplatz grote groepen Münchenaren de boodschappentas neerzetten zodra een ‘Trio Scherzo’ Tsjaikovski begint te spelen. Een straathoek verder hongert een andere meute naar Summertime in klarinet-contrabasarrangement.

‘In München hebben ze wat voor de muziek over’, zegt Wouter Hoekstra, voormalig staflid van het Koninklijk Concertgebouworkest en tegenwoordig intendant van de Münchner Philharmoniker. Dat orkest werd ooit bestierd door dirigenten als Hans Rosbaud en Rudolf Kempe, bracht Gustav Mahlers symfonieën 4 en 8 en Das Lied von der Erde in première, en wordt niet graag verward met de buren van de Bayerische Rundfunk. Christian Thielemann, die er twee jaar geleden James Levine opvolgde als chef-dirigent, lokte Hoekstra naar de stad van BMW en Roy Makaay met de woorden: ‘Wij gaan goeie dingen doen.’ Graag, dacht Hoekstra. ‘Er zijn weinig plaatsen in de wereld waar muziek en theater zo diep in het dagelijks leven zijn geworteld.’

Jansons. Thielemann. Een paar jaar geleden stonden ze nummer 1 en 2 op de verlanglijst bij het Concertgebouworkest voor de opvolging van Riccardo Chailly. Thielemann bleek dat onaangenaam te vinden. Hij vertikte het sindsdien in Amsterdam te komen dirigeren. En nu zitten ze toch op elkaars lip (Hoekstra: ‘Het blijft een klein kringetje’), en vormen ze samen tweederde van het Münchense Dreigestirn. Het traditionele driegesternte van topdirigenten in München, door Münchenaren niet ten onrechte beschouwd als uniek in de wereld, omdat het verbonden is aan drie topensembles binnen een en dezelfde stad.

Waar Fritz Rieger, Eugen Jochum en Joseph Keilberth na de oorlog gezamenlijk het cementstof van de Münchense wederopbouw inademden (als dirigent van respectievelijk de Münchner Philharmoniker, de Bayerische Rundfunk en de Bayerische Staatsoper), trachtte een decennium of wat later Sergiu Celibidache (van de Philharmoniker) de nabijheid te dulden van Colin Davis (Rundfunk) en Wolfgang Sawallisch (opera). Rond de millenniumwisseling veranderde de constellatie in James Levine-Lorin Maazel-Zubin Mehta.

Van hen was Mehta op het nippertje nog over, toen in juni dit jaar een Klassik-Highlight te celebreren viel. Hij heeft inmiddels plaatsgemaakt voor Kent Nagano, maar samen met de Let Jansons en de Berlijner Thielemann kon de in Bombay geboren glamourdirigent (al gewend aan het getal 3 door vele optredens met de ‘Drie Tenoren’ Pavarotti, Carreras en Domingo) in het Münchense Olympia-stadion nog het wereldkampioenschap voetbal openen met een programma van Drei Orchester und Stars. Jansons opteerde voor Tsjaikovski’s Notenkraker. Thielemann bleek de aangewezen man voor Wagners ouverture-Meistersinger, Mehta voor het drinklied uit Verdi’s Traviata. Waarna de krachten werden vereend in de massa-finale We are the champions.

Volgens Walter Blovsky, manager bij de Bayerische Rundfunk, is dat vermoedelijk de enige keer in de Beierse geschiedenis dat leden van een Münchens driegesternte elkaar ook gedrieën tegenkwamen. ‘Thielemann: bij de voorbereiding al gezellig. Mehta humoristisch, Jansons ontspannen.’

Hun dirigeerdata vallen niet zelden samen. Verder gaat de Philharmonikerchef Thielemann volgens Hoekstra wel voor zijn plezier naar de Opera van München, al heeft hij er als dirigent geen poot meer gezet sinds de vorige intendant, de Brit Peter Jonas, zijn Deutschtum belachelijk maakte. Thielemann had zich teruggetrokken uit een productie van Wagners Tannhäuser. Jonas grapte dat Thielemann zich niet kon verenigen met het opschrift Germania Nostra boven het decor van de Wartburg; volgens de (niet erg op regietheater verzotte) Berlijner een ‘leugen’.

Drie Spitzendirigenten binnen de stadsmuren, dat lijkt vooral in München een dure hobby. Hoeveel de stad er precies voor over had om Sergiu Celibidache aan het werk te houden bij de Münchner Philharmoniker kan geen Münchenaar vertellen. Wel is bekend dat de excentrieke, om zijn ultra-langzame tempi beruchte fijnslijper Celibidache, die nooit op cd wilde omdat hij dat ‘liefde bedrijven met een foto’ vond, toch de status opeiste van best betaalde dirigent ter wereld. Hij werd door München grif op zijn wenken bediend, ook toen hij er de eis aan verbond dat over zijn salaris geen belasting zou worden geheven.

‘Onzin natuurlijk, en bovendien onmogelijk’, zegt Peter Meisel, voormalig medewerker van de Philharmoniker en tegenwoordig perschef bij de Rundfunk. ‘Ze hebben Celibidaches salaris gewoon met factor zoveel verhoogd en de belasting achter zijn rug afgedragen. Zijn huis kreeg hij er voor niets bij.’

Volgens Meisel heeft ‘Celi’ een goed jaar meegemaakt, waarbij de werktijd veelal besteed werd aan het verzorgen van berichten waarin ’s maestro’s afzeggingen werden gemeld. Sinds Celi’s dood, zegt Meisel, gaat de Amerikaan Lorin Maazel er prat op de best betaalde Pultmeister ter wereld te zijn. Voor München en de Beierse omroep zijn de tijden in zoverre veranderd dat Maazel, voorganger van Mariss Jansons bij de Rundfunk, zijn chefshonoraria tegenwoordig in New York toucheert. München bezoekt hij sinds 2003 alleen nog als gastdirigent.

Volgens Blovsky, manager van Jansons’ radio-orkest, heeft het muziekleven in München, vanouds een grote Preistreiber, inmiddels een rem op de honoraria gezet. ‘Levine kreeg al minder. En ze worden nu per optreden betaald.’

Maar dan is er in München altijd nog de Beierse Staatsopera. Met haar Beiers Staatsorkest. Het bracht, weliswaar niet in de huidige samenstelling, Mozarts opera’s La finta giardiniera en Idomeneo in wereldpremière. Het hield voor een betraande koning Ludwig II van Beieren Wagners Tristan, Meistersinger, Rheingold en Walküre ten doop. Het haalde een fiasco met Richard Strauss’ eersteling Guntram. Lanceerde Pfitzners Palestrina, Strauss’ Capriccio en naoorlogs werk van Henze, Penderecki en Reimann. Het laat zich, na het recente vertrek van Zubin Mehta, ook zijn traditie van Spitzendirigenten ongaarne afnemen.

Volgens Peter Meisel van de Bayerische Rundfunk is het Dreigestirn ontstaan doordat de gezelschappen gedragen worden door verschillende geldbronnen met bijbehorende autoriteiten. ‘De stad München betaalt de Philharmoniker. Beieren zorgt voor de Opera. Het geld voor de Rundfunk-orkesten komt uit de omroepbelasting. De rest is een zaak van gezonde naijver.’

De Münchense muzieksmaak, zegt Blovsky, die in zijn vorige leven als altviolist en zakelijk leider van de Wiener Philharmoniker Jansons naar Wenen haalde als gastdirigent, mag zich onderscheiden door ‘een zeker Beharrungsvergnügen auf Tradition’, maar volgens Hoekstra is de stad met zijn 100 duizend studenten ‘absoluut geen broeinest van conservatisme’. Meisel wijst op de onafzienbare reeks composities die in première ging in de omroep-concertserie Musica Viva, opgericht door wijlen de Münchense componist Karl-Amadeus Hartmann en nog altijd aan de gang. Hoekstra verwacht dat de liefhebber van 20ste-eeuws werk Nagano een ‘nieuwe wind laat waaien door München’.

Als een rulle, donker getimbreerde koperblazersklank het kenmerk is van alle drie de Beierse toporkesten – Jansons geeft zijn koper indringend cachet bij een uitvoering van Sibelius’ Tweede Symfonie in het Gasteig-cultuurcentrum – dan is die klank in de kiem al te beluisteren in het Hofbräuhaus aan de Münchense Platzl. In de honderden plaatsen tellende gelagzaal – ooit ontwijd toen Adolf Hitler er in februari 1920 de NSDAP oprichtte, later bezocht door geallieerde bommen – zijn punkers, jagershoedjes, toeristen en Dirndl-serveersters met bierpullen en zoute krakelingen al rond de lunchuren verenigd in de beluistering van opmerkelijk virtuoze hoempa door heren in lederhosen – met fraai rulle klanken in de tuba en trompetten.

Dat bier en podiumkunst zich in de Münchense beleving laten identificeren als twee kanten van dezelfde medaille, vertelt de geschiedenis van de Bayerische Staatsoper. Kort nadat het schitterende, door Karl von Fischer ontworpen gebouw in 1823 tot de grond toe afbrandde, stond het weer overeind dankzij een belastingheffing op de Münchense bierconsumptie. Na een tweede verwoesting in 1943, toont het gebouw sinds de jaren zestig weer zijn marsepeinroze binnenzijde. In de hoek van een garderobe staat nog een vergulde lauwerkrans ter herinnering aan Ludwig II. Die zou hebben opgekeken van de sopraan Angela Denoke, haar halfnaaktheid en haar soepele Salome-kus op de kop van Johannes de Doper.

De enige smet op de muziekstad München, zegt Blovsky, ‘is het ontbreken van een concertzaal met topakoestiek’. ‘Een pijnlijk punt voor Jansons. Die heeft vaak op nieuwbouw aangedrongen. Maar we houden hoop.’

Meer over