Een dorp van eigenheimers en rare druiven

AAN DE binnenzijde van het omslag staat een tekening van terpdorp - de schrijver houdt het lidwoordloos. Daarop is te zien dat het kleine plaatsje rond de kerk is gebouwd....

Tel daar de geplogenheden bij van een stijfhoofdig calvinisme (tweehonderd kerkleden), van de aardappel als bron van inkomsten en van onophoudelijke praterij achter elkaars rug om, en je krijgt zicht op de achterkant van het pittoreske gehucht ergens in Friesland - bij Lorkum, Lokkem, Uitpost, Zeegat, die kant uit. Met de wadden op fietsafstand, zoals ze zelf altijd zeggen.

Ben je daar eenmaal geboren, dan moet je een grote wilskracht bezitten om je schoenen nog uit de zuigende klei te krijgen. Alles werkt eraan mee je in het gareel van je soort, ofwel 'laag' te houden.

In zijn roman Wijneigen, na Het talent (1990) het tweede boek van de Leeuwardenaar Gjelt de Graaf (1959), vertelt Eige de Braaf van zijn dappere strevingen aan de doem van de aardappeldorpsgemeenschap te ontsnappen.

Mocht zijn voornaam nog doen bevroeden dat hij een onwrikbaar individu is, dan geeft de achternaam afdoende tegengas. Halverwege de dertig is Eige als hij tot de vaststelling komt dat zijn leven nooit echt van de grond is gekomen.

Hij bewoont een huurhuis, ontvangt een uitkering en schrijft in de streekcourant de Gistermijn-columns over wijn. Ook heeft hij een Waddenfolder op zijn naam staan, eentje over eerste hulp bij ongelukkig gestrande potvissen. Er zijn imponerender curricula.

Bovendien zijn vrouw en kind bij hem vertrokken, en over de laatste vernemen we dat het lam en blind is geworden nadat Eige's vader een wandelingetje met hem maakte en ze overvallen werden door de bliksem.

Vader Teake was er na een paar maanden overheen. Hij wel. Zul je altijd zien: die oude knoesten krijgt niemand van hun plaats, en jou zullen ze blijven controleren en in hun mal persen. Welbeschouwd heeft Eige als volwassene hoegenaamd niets van z'n eigen - op die wijnliefhebberij na.

De Graaf heeft merkbaar plezier in het schrijven over zo'n typisch dorp van eigenheimers. En wat je als toerist zelden lukt - contact maken met de veelal monosyllabische bevolking -, daar slaagt hij erin, door ondervinding of verbeeldingskracht, de stugheid te slechten en de stemmen der bevolking te laten klinken.

Stuk voor stuk trekken ze langs, met bijnaam en al: Oebele, Doede, Wieger Mafia, Rekker, Jokse en Ulbe, inheemsen die er niet over piekeren uit de ban van het dorp te breken. Klei zijn ze en tot klei zullen ze wederkeren.

Zoals in elke plaats waar weinig gebeurt, gonst het in terpdorp van de geruchten en achterklap. Die zwellen aan als er een kerkeraadsvergadering wordt belegd over de lege pastorie. De dominee die terpdorp erbij neemt, woont zelf in buurdorp. Wie meldt zich voor de pastorie?

Eige spant zich in voor zijn buurman Punt, bijgenaamd Komma (nee, Gjelt de Graaf gaat de naamgrap niet uit de weg), omdat deze voormalige leraar met poëtische aspiraties van buiten het dorp komt en dus de leefruimte van Eige kan vergroten. Die is zelf onvoldoende in staat zijn eigen positie af te bakenen.

Het lukt. Komma krijgt de pastorie, en als dank schenkt hij Eige de daaraan gelegen tuin, een halve hectare groot. Van de ene dag op de andere is Eige grondbezitter geworden.

Dat verandert zijn plaats, ofschoon dat niet wil zeggen dat de achterdocht van de anderen afneemt ten aanzien van de man die werk doet dat 'niks om de hakken heeft'. Eerder neemt de praterij achter zijn rug om grotere vormen aan, wanneer De Braaf heeft besloten dat wat hem onderscheidt van de rest, optimaal te gaan benutten: zijn neus.

Hij gaat een wijngaard opzetten. In de pastorietuin. Wijn maken in de gaard des heren zogezegd. Niet alleen een bodemkundige ondenkbaarheid, maar bovendien een blasfemische eigenaardigheid.

Precies om die reden zet Eige door. Dit is zijn kans eindelijk uit te stijgen boven het armzalige noodlot levenslang te blijven aanmodderen.

Dat de nieuwe tijd, met nieuwe opvattingen en projecten, stilaan ook de geïsoleerde gemeenschappen torpedeert, geeft De Graaf aan met plannen van buiten om een cultuurhistorisch centrum in het dorp te poten, alsmede de daadwerkelijke uitvoering van het ter plaatse onderbrengen van verslaafden en asielzoekers, en combinaties van deze twee hulpbehoevende groeperingen.

Juist die modernismen vergroten de beslotenheid van het dorp, en daarom is de provocatie van Eige de Braaf - nota bene eigen kweek - helemaal uit den boze. Potviskop, zoals hij wordt genoemd, vermoedelijk mede vanwege zijn Waddenfolder, gaat het nog moeilijk krijgen.

Het is een leuk verhaal dat Gjelt de Graaf vertelt, met oog, oor en neus voor de riten van een Fries gat. Los hiervan staat dat zijn verhitte flaptekstschrijver dringend op retraite moet. Die komt aanzetten met Márquez, Süsskind (Het parfum) en Socrates. Zo vráág je om een teleurstelling.

De Graaf heeft een dorpskroniek willen schrijven die het meer moet hebben van een onbedaarlijke stijl dan een verrassende intrige. De leuterpraat uit terpdorp smeert hij breed uit over bijna driehonderd bladzijden, waardoor je geregeld naar adem moet happen, want noch in het dorp, noch in deze roman is alle gekwebbel even functioneel.

Daarbij komt dat De Graaf geen weet heeft van het nut van alinea's: het liefst toetert hij pagina's door, zonder de bladspiegel enig rustpunt te gunnen, zodat de lezer zich somtijds gaar voelt.

Jammer van knappe zinnen, die bijkans worden weggespoeld: 'Na onze rundvee- en varkenshouwer passeerde ik het enige restaurant van terpdorp, een snackbar die begonnen was als een soort caravan en waar in de loop van dertig jaar al heel wat houten schotjes omheen waren geschroefd, met daarop een lasagne van mastiek, asbestplaten en golfribbels.' Hoef je niks meer aan te doen. Die snackbar stáát.

Ook frictie tussen Eige en zijn ouders is sterk getekend: de onbuigzame vader, de in dialect vluchtende moeder en de zoon die telkens bij ze langs gaat. Ook al weet hij dat hij zich zal gaan ergeren.

Bijna driehonderd volle pagina's, met een keur van uiterlijk misschien exotische, maar overigens zeer traditionele verhaaltypes, vragen veel van de lezer. Immers, dat er een klap zit aan te komen die de afstand tussen Eige en zijn omgeving definitief markeert, is dermate voorspelbaar dat je nieuwsgierigheid in ongeduld verkeert: schiet eens een beetje op, De Graaf.

Hij komt er niet uit, de auteur die een goed idee voor een kort verhaal liet uitwaaieren tot een omvangrijke roman. De verhoudingen kloppen niet. De twee slothoofdstukken zijn plotseling kort gehouden, alsof de auteur zich kunstmatig aan een voorgeschreven omvang heeft moeten houden. Het ís een manier van een boek beëindigen, maar met 270 aanzienlijk anders getoonzette bladzijden is voor die abruptheid geen valide motief aan te voeren.

Niet alleen Eige kost het moeite te ontkomen aan de worggreep van zijn omgeving, en zich van een melige eigenheimer te ontpoppen tot fruitige druif. Ook Gjelt de Graaf vond de stoet van personages die hij ten tonele voert zo koddig dat hij er moeilijk afstand van kon nemen. Het resultaat is een boertig aangeklede roman die stoelt op een klassiek generatieconflict en die speelt in een piepklein Fries dorp. De couleur locale geeft het boek iets eigens. Het is niet genoeg.

Meer over