Een Brits landgoed in het oerwoud

HIJ WAS een lange, kaarsrechte, kale man met stalen ogen, waarvan één werd geaccentueerd door een monocle. Hij had een priksnor en een rijzweepje, waarmee hij zonder mankeren zwarte onderhorigen mepte die zijn bevelen niet opvolgden....

Luitenant-kolonel Sir Stewart Gore-Browne was een nut zoals ze tegenwoordig niet meer worden gebakken, een type dat alleen in Engeland bestaansgrond heeft. De soort sterft uit, lijkt genetisch afgezwakt door de teloorgang van het Britse wereldrijk waar de zon, naar men zei, nooit onderging. Over zo'n man zou je een roman moeten schrijven, maar Christina Lamb heeft het eigenlijk veel beter gedaan: ze beschreef deze aarts-Brit minutieus en naar het leven met behulp van het enorme brievenarsenaal dat Gore-Brown heeft afgescheiden. Lamb viel van de ene verbazing in de andere. De kracht van The Africa House is dat ze de lezer daarin weet mee te slepen. Zelden een boek na de laatste pagina dichtgeslagen met zo'n hevig gevoel van: het kán niet waar zijn, terwijl het waar is.

Stewart Gore-Browne kwam uit een oud geslacht, geparenteerd aan de Locke-Kings die even ten zuiden van Londen het enorme landgoed Brooklands bezaten. Hugh Locke King legde daar in het begin van deze eeuw de fameuze autorenbaan annex vliegveld van die naam aan. Maar Stewart Gore-Browne had één grote frustratie: hijzelf zou geen landgoed krijgen omdat hij niet de oudste erfgaam was. In een van zijn eerste dagboeken verzucht hij: 'Waarom heeft niemand mij ooit een plek nagelaten. Ik ben er zeker van dat ik het goed zou managen en het zou geweldig zijn een stukje land te hebben om me mee bezig te houden.'

Hij zou die droom verwerkelijken, maar hoogsteigenzinnig. Stewart Gore-Browne zou zijn typisch Engelse estate bouwen. Hij deed het midden in donker Afrika.

De plek had hij al snel. Begin deze eeuw kwam hij als militair in het uiterste noorden van wat toen nog Noord-Rhodesië heette. Aan een klein meer vond Stewart een idyllische plek: 'Het was allemaal zo magisch dat ik het gevoel had een fairy kingdom te hebben betreden.' Het geld voor het paleis dat in dit elfenkoninkrijk moest komen, werd gefourneerd door tante Ethel Locke King, met wie Stewart een verhouding had die in een particulier schemergebied tussen platonisch en zinnelijk zweefde. Hij schreef haar door de jaren heen honderden brieven.

Hij bouwde Shiwa House voor haar en hoopte voortdurend dat ze bij haar ziekelijke Hugh zou vertrekken, maar die hield het langer vol dan verwacht. Ethel zou pas in 1948, als krasse 82-jarige weduwe, het huis in de bush komen bekijken. En prompt weer terugvliegen naar Londen.

Stewart zelf had intussen een ongelukkig huwelijk achter de rug met de dochter van zijn allereerste liefde. Ze leek als twee druppels water op haar moeder, maar de 44-jarige ex-militair kon zijn 19-jarige tweede, of zelfs - tante Ethel meegerekend - derde keus slechts kort seksueel en anderszins boeien. Lorna Gore-Browne voelde zich opgesloten in het Afrikaanse oerwoud en vertrok, twee dochtertjes achterlatend, naar Londen, toen ze doorkreeg dat in Stewarts hart slechts plaats was voor één alles verterende liefde: zijn Afrikaanse droomhuis.

Het land rond Shiwa House moest dure oliën voor chique parfums opleveren, maar daar kwam niet veel van terecht. Het landgoed lag ongelukkig. De dichtstbijzijnde haven was vijftienhonderd kilometer verderop, het dichtstbijzijnde postkantoor zeshonderd kilometer. Het project kostte gemiddeld twee keer zoveel als het opleverde en tante betaalde. Het was een soort voorschot; de kinderloze Hugh en Ethel Locke-King hadden hun zonderlinge neef tot enige erfgenaam van Brooklands gemaakt.

En daar zat hij dan, meestal alleen, maar er kwamen ook wel mensen die deze mafkees en zijn verre oerwoudpaleis wilden zien. 's Ochtends, klokslag elf, werden bezoekers met tromgeroffel naar de bibliotheek, het epicentrum van Shiwa House, gecommandeerd. Dan werd de vlag met Gore-Browne's wapen gehesen en er was witte port.

'Ik haat het soort Engelsman dat reist met vouwtafels en emaillen mokken', schreef hij. Daarom was er wit tafellinnen, kristal en porselein. De zwarte bedienden droegen rode bermuda's, een rode fez en vesten met goudborduursel. Maar bezoekers, gewend aan feodale gebruiken, sloegen ook achterover van andere mores die Sir Stewart zich had aangemeten. Hij begroette zijn arbeiders persoonlijk, was vriendelijk. Maar hij sloeg meteen wanneer iets hem niet beviel. Zijn onderdanen noemden hem Chipembee, naar de rinoceros met zijn kortaangebonden karakter. Na de maaltijd kwamen de bedienden in het gelid staan. Zij kregen van de gastheer een glas van de overgebleven wijn, soms port.

Stewart Gore-Browne had gaandeweg een visie ontwikkeld op de toekomst van Afrika. Toen hij geboren werd, in 1883, was minder dan eentiende van Afrika gekoloniseerd door Europese machten. In 1914 was het al 90 procent. Maar hij rook de veranderingen die op til waren. Hij meende de zwarten op zijn paternalistische manier de weg naar zelfstandigheid te kunnen wijzen en was bereid daarvoor in Engeland te pleiten, waar hem deze ketterij aanvankelijk niet in dank werd afgenomen.

Vriendschap sloot hij met Roy Welensky, een blanke vakbondsleider en voormalige treinmachinist, die later premier zou worden van de kort levende federatie van Noord-Rhodesië en Nyasaland. Maar ook zag hij al snel de mogelijkheden van Kenneth Kaunda, een zwarte onderwijzer die na het ineenstorten van de federatie in 1964 Zambia's eerste president zou worden. In feite was hij de mentor van deze beide, totaal verschillende mannen.

Gore-Browne werd enthousiast lid van Kaunda's Nationale Onafhankelijkheidspartij, maar was uiterst teleurgesteld toen er na het uitroepen van de onafhankelijkheid geen ministerspost of andere hoge functie voor hem in zat. Kaunda en zijn partij hadden besloten dat de nieuwe regering alleen uit zwarten zou bestaan.

Na zijn dood runden dochter Lorna en schoonzoon John Harvey Shiwa House met dezelfde grandeur als de grondlegger had gedaan. In mei 1992 drongen vier gewapende mannen het huis binnen, terwijl de Harvey's na het diner bij kaarslicht zaten te lezen. Lorna en John werden doodgeschoten. Later werden drie van de vier daders opgepakt en veroordeeld.

Ze wachten nog steeds in de dodencel van Kabwe op een executie die wellicht nooit zal komen. De ware toedracht van de zaak werd ook tijdens de rechtszitting niet duidelijk. Kaunda, inmiddels niet meer aan de macht, gelooft dat het moord was en geen verstoorde inbraak, zoals de schutters beweerden.

Kleinzoon David Harvey woont als enige van de familie nog op het landgoed, maar niet meer in het eens zo trotse Shiwa House, dat langzaam maar zeker tot een ruïne vervalt. Het einde van de Afrikaanse droom van een zeer Britse excentriek. Een droom die mooi is beschreven door Christina Lamb.

Meer over