boekrecensie

Édouard Levé schreef een verbluffend boek over zelfmoord – en pleegde toen zelfmoord ★★★★☆

Alles wat de Franse fotograaf, schrijver en beeldend kunstenaar maakte, was ontregelend en vervreemdend.

Wineke de Boer
null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

Zelfmoord van Édouard Levé (1965-2007) laat je in opperste verwarring achter. Wat heb je eigenlijk gelezen? Ben je onderdeel geworden van een macaber kunstwerk? Zo’n gevoel van vervreemding weet de Franse beeldend kunstenaar, fotograaf en schrijver Édouard Levé met al zijn kunst op te roepen.

Het werk waarmee hij eind jaren negentig bekend is geworden is de serie Homonymes, portretten van mensen die dezelfde naam hebben als iemand die beroemd en dood is. Later reist hij naar de Verenigde Staten om daar plekken te fotograferen die dezelfde naam hebben als steden in andere landen: Rome, Delhi, Baghdad, Amsterdam. Net als in Homonymes ontdoet hij het unieke van zijn bijzonderheid.

Een vreemde gewaarwording dient zich ook aan bij het zien van de foto’s die hij maakte in het dorp Angoisse, (‘angst’). De kerk, het dorpsplein zien er normaal uit, maar door het onderschrift ‘Eglise d’Angoisse’ of ‘Place d’Angoisse’ wordt alles toch raadselachtig en licht huiveringwekkend. Bekend is ook zijn serie Pornographie, waarin hij mensen laat poseren op manieren die typisch zijn voor pornografie terwijl ze gekleed zijn alsof ze op kantoor zitten. Hij neemt de essentie weg uit het stereotype.

Ongemakkelijk

Spiegels, dubbelgangers, spelen met stereotypen en uiteraard de taal zijn terugkerende motieven in Levé’s werk. Ook in zijn geschreven teksten. In Oeuvres (2002) beschrijft hij 533 ideeën voor kunstwerken, waarvan hij er later ook een aantal heeft gerealiseerd. Autoportrait (2005) is een fragmentarisch en tegelijkertijd tamelijk compleet zelfportret dat Levé schreef in de overtuiging dat hij kort daarop zou sterven. Het boek, dat bestaat uit staccato zinnen die vrijwel allemaal beginnen met ‘ik’, doet denken aan Je me souviens van Georges Perec, maar het is ongemakkelijker en minder ludiek.

In Zelfmoord (Suicide, 2008) doet hij iets vergelijkbaars voor een jeugdvriend die zichzelf op 25-jarige leeftijd van het leven heeft beroofd. De tekst is aan deze vriend gericht en bestaat uit herinneringen die Levé in schijnbaar willekeurige volgorde opsomt. Door die opsomming krijgen vooral de eerste bladzijden iets verstikkends. Ook omdat Levé begint met vertellen over hoe hij zich de gewelddadige dood van zijn vriend voorstelt. Later wordt de tekst anekdotischer, verhalender en iets lichter. Levé beschrijft een avond die ze samen drinkend hebben doorgebracht, een korte trip naar Bordeaux, een geslaagde barbecue met vroegere schoolvrienden. Hij stelt: ‘Je leven was minder somber dan je zelfmoord laat vermoeden.’

Geen enkel leven is coherent, maar door deze zelfgekozen, vroegtijdige dood ziet iedereen alles wat daaraan vooraf ging in een ander licht: ‘Het woud van je leven wordt door die grote zwarte boom overschaduwd’.

Levé eindigt zijn tekst met gedachten over ‘je moeder’, die zal blijven huilen, en de spijt die de ‘jij’ gevoeld moet hebben omdat ‘het egoïsme van de zelfmoord’ hem tegenstond. Daarna volgen 10 pagina’s 3-regelige strofen: een gedicht dat door zijn vriend zou zijn geschreven, dat je zou kunnen lezen als een samenvatting van zijn leven. Vertaler Katrien Vandenberghe levert hier (bijvoorbeeld door slim te allitereren), en ook in de rest van het boek trouwens, goed werk af.

Regen verstilt me.

Sneeuw verblijdt me.

Hagel verstijft me.

(...)

Opbouwen obsedeert me.

Behoud stelt me gerust.

Vernielen lucht me op.

Tien dagen nadat Édouard Levé het manuscript van Zelfmoord heeft ingeleverd, hangt hij zichzelf op. Hij is dan 42.

Hij besefte (hij schrijft dat immers zelf) dat zijn werk gelezen zou worden in de context van zijn zelfmoord. Het lijkt daardoor of de lezer ‘mede-maker’ is, alsof je alleen al door deze ‘afscheidsbrief’ te lezen, meedoet in een moderne installatie die Edouard Levé heeft bedacht. Je vraagt je af of die vriend wel heeft bestaan. Er zijn veel overeenkomsten tussen hem en de kunstenaar die zichzelf beschrijft in Autoportrait. De lezer wordt al aan het begin aan het twijfelen gebracht: ‘De eerste keer dat ik je zag, zat je op je kamer. (...) Ik weet niet waarom je openmaakte toen ik aanklopte.’ De slaapkamer in het ouderlijk huis is doorgaans niet de plek waar een vriendschap tussen tieners begint.

Ook verderop staan er observaties die zo intiem zijn dat iemand anders ze onmogelijk kan kennen: ‘Als je op een gelukkig of zorgeloos moment voor de spiegel stond, was je iemand. Voelde je je ongelukkig, dan was je niemand meer (...). Je blik ging dwars door je gezicht heen, alsof het lucht was.’ Toch is de suggestie in het overgrote deel van het boek zo krachtig dat je helemaal meegaat in Levé’s versie van de feiten. Vooral door de ‘jij-vorm’ waarvoor hij koos, en door de manier waarop hij probeert recht te doen aan het karakter van zijn vriend, met herinneringen als puzzelstukjes die allemaal samen zijn portret vormen. Die suggestie maakt Zelfmoord des te sterker en raadselachtiger. Een somber, verontrustend en verbluffend boek.

Édouard Levé: Zelfmoord. Uit het Frans vertaald door Katrien Vandenberghe. Koppernik; 99 pagina’s; € 19,50.

Meer over