Echt & Paar

Een korte ontmoeting op straat. Ik kom mijn huis uit gelopen, gehaast, want tussen mij en de afspraak staan drie minuten, nog meer kruispunten, en een onbekend aantal fietsers die zich ineens aan de verkeersregels houden....

Dit moet een gesprekje worden waarin we in plusminus dertig seconden eens lekker bijkletsen.

Ik hoor mezelf vragen: 'Hé, wat doe jij hier?', op een toon die eerder bestraffend klinkt dan belangstellend. De man, die een onbegrijpelijke rust uitstraalt, komt op me af en zegt in een vloeiende beweging: 'Ik moet even hout halen voor mijn gezin, want we hebben een nieuwe houtkachel in ons huis in Frankrijk.'

Ik schiet in een zenuwachtige lach. Hoeveel geluk kan een zin verdragen? Houtkachels, gezinnen, wij, ons huis, Frankrijk. Hier spreekt de bewoner van een geordend universum dat gestoffeerd is met bezittelijke voornaamwoorden en de vanzelfsprekende meervoudsvorm. Het blijft een vreemde ervaring met mensen te praten die je nooit alleen te spreken krijgt, zelfs niet als je ze in hun eentje ziet. In een mum van tijd bouwt de taal een beschermende wereld om hen heen.

Wat ga je doen?

'Wij weten het nog niet. Wij blijven dit weekend maar eens gewoon thuis.'

Paren lijken altijd echter. Ook als de vragensteller zelf allerlei plannen in petto heeft die zinderen van de levenslust, legt hij het af tegen dit bastion van geborgenheid waarin zelfs het niets-doen nog een gemeenschappelijke activiteit wordt.

En mijn plannen waren toch al bescheiden.

'Ik moet er vandoor', zeg ik naar waarheid, 'want mijn psychiater wacht en ik heb nog precies twee minuten.'

Dat begrijpt de bekende, althans zo knikt hij, en we nemen beleefd afscheid, ongeveer zoals mensen op congressen doen die uit verschillende werelddelen komen, elkaars taal niet spreken en weten dat ze niet veel meer delen dan een welwillend soort verbazing.

Ik ben nog steeds giechelig wanneer ik door het verkeer slalom, maar helemaal vertrouwen doe ik die stemming niet, want daaronder vermoed ik het verongelijkte gezicht van de afgunst.

Wil ik niet gewoon van leven ruilen? Op het eerste en trouwens ook op het tweede gezicht is het duidelijk dat het 10-0 voor hem staat. Het kost me geen moeite in gedachten een grindpad te volgen dat uitkomt bij een huis, ons huis. Ik zie kinderen en zelfs een hond, die ravotten op de terracotta tegelvloer: de houtvoorraad zie ik, onder het zelfgetimmerde afdakje, de tuin daarom heen, de grote eettafel die buiten staat, het blad verweerd door de seizoenen.

Het is een beeld dat een abstract soort bewondering oproept, want hoe prachtig en sereen ook, het lukt me niet mijzelf in dat plaatje te wurmen.

Dat kan gebrek aan verbeeldingskracht zijn, maar ik houd het op realiteitszin. Sommige dromen laten zich beter benijden dan bewonen. Het zijn etalages waaraan je je vergaapt, met je neus tegen de winkelruit, maar op het moment dat het glas breekt, weet ik niet of ik naar binnen zou stappen of me toch gewoon zou omdraaien.

Voor me ligt een fotoboekje van Martin Parr (Edition Galerie du Jour Agnes B), waarin de achterkant van een 'wij-droom' in beeld is gebracht, de rafelige kant, waar niemand mee te koop loopt. Het heeft een tweetalige titel: Bored couples, 'L'ennui à deux', waarvan de Franse de leukste is, omdat die zo cynisch rijmt op de folie à deux, de dolzinnigheid waarmee twee mensen elkaar kunnen besmetten. Dat is zo te zien niet de eerste zorg van de geportretteerden in dit boek. Het zijn stellen die elkaar tot niets anders bewegen dan taaie, tergende verveling.

Zoiets is nooit een prettig gezicht, maar bij verveelde paren wordt het een daad van agressie omdat ze elkaar de verveling aandoen. Ze zouden zich ook met elkaar kunnen vermaken, en daarom is hun lusteloosheid nooit schuldeloos.

Neem deze foto: een man en een vrouw in een restaurant. Op hun tafeltje staan een aangebroken fles witte wijn, twee borden met daarop de resten van een voorgerecht (waarschijnlijk vis) en een bloemstukje dat nooit ververst hoeft te worden omdat droogbloemen niet verleppen. Zij zit ongemakkelijk rechtop in de toch al ongemakkelijke stoelen, met haar benen over elkaar geslagen. Haar hoofd houdt ze afgewend, in de richting van de eetzaal; ze kijkt niemand aan, ze staart met een lege, smartelijke blik naar de plek waar de uitgang moet zijn. Hij kijkt precies de andere kant op, naar het meterslange aquarium dat is ingebouwd in de muur. Is hij op zoek naar de vis die hij eigenlijk bedoelde en nooit gekregen heeft?

Beiden houden hun servetjes ongemakkelijk op schoot, aan hun vingers zien we trouwringen. Deze mislukking, weet de kijker, is niet van toevallige aard: ze is gewild en bezegeld en zal zich nog lang voortslepen.

Het mismoedige aan de foto's van Parr is dat alle afgebeelde koppels zich op plekken bevinden waar ze voor hun plezier zouden moeten zijn. Snackbars, lunchrooms, danszalen, toeristische attracties en vakantieadressen. Deze mensen vechten tegen de verveling, en dat doen ze in hun vrije tijd; soms ligt de videocamera nog op tafel, om maar niets te hoeven missen van de onvergetelijke momenten die zich niet voordoen.

Ik kreeg het boekje van een alleenstaande vriendin en later bedacht ik dat het typisch zo'n cadeautje is dat vrijgezellen aan vrijgezellen geven om elkaar een hart onder de riem te steken. Het is de geruststelling dat de hel met zijn tweeën alleen maar een slagje groter wordt.

Er is dus leedvermaak in het spel, wraak van de vrijgezellen op de stellen: je ziet hoe een ideaalbeeld onder je ogen verkruimelt en verkreukelt, en even ben je genezen van een lang gekoesterde droom.

Het werkt ongeveer zoals de roddelpers functioneert: gewone, gemiddelde mensen lezen graag over rijke, beroemde mensen die alles mee hebben en lekker toch niet gelukkig zijn. Daarom is leedvermaak ook nooit een overwinning op de afgunst maar alleen de grijnzende variant daarvan.

Er zou natuurlijk ook een heel treurig stemmend boek te maken zijn over Bored Singles; ik zie beelden van een uitgezakte man op een bank, tv aan, pizzadozen om hem heen, voeten op tafel, met een teen door een kapotte sok. Leed is het zeker, maar niemand zou zich ermee vermaken, en het boek zou op de schappen blijven liggen.

De stellen hoeven het niet te hebben, want die vinden het niet lachwekkend maar ronduit zielig. Bovendien worden ze alleen maar bevestigd in het beeld dat ze toch al hadden van oude vrijsters en een man alleen. En voor de vrijgezellen is de afstand iets te klein. Het kost betrekkelijk weinig moeite een glimlach te onderdrukken als je jezelf voortdurend op foto's herkent.

Ischa Meijer riep ooit bitter tegen een zaal, ergens in de provincie, waar de echtparen rij aan rij zaten: 'Ik ben leuker en origineler, maar jullie zijn echter.'

Dat is het boemerangeffect van een boekje dat bedoeld was om te gniffelen.

Meer over