Dunne soep voor iedereen

In aanwezigheid van Máxima en de Belgische prinses Mathilde werden gisteren in Breda het eerste en laatste deel van de achtdelige Geschiedenis van de Nederlandse literatuur gepresenteerd....

Een naoorlogse literatuurgeschiedenis voor een breed publiek, en waarwe een tijd mee voort kunnen. Gefinancierd door de Nederlandse Taalunie engeschreven door de Leuvense hoogleraar Hugo Brems, begeleid door een Raadvan Advies, onder toezicht van de tweekoppige hoofdredactie van deGeschiedenis van de Nederlandse literatuur. Het is het sluitstuk van eenachtdelige serie (plus 'uitleiding en verantwoording') die in 2010 voltooidmoet zijn.

'Zoiets bestond nog niet', stelt Brems vooraf. Waarom 'zoiets' nogniet bestond, komt doordat er de afgelopen decennia in de neerlandistiekwerd aangenomen dat een totaaloverzicht onmogelijk was geworden en er dusniet meer zou komen. Brems dacht daar anders over. Zijn ambitie magonbekrompen heten, want hij wil 'veelzijdigheid en samenhang' met elkaar verzoenen.

Je kunt je niet meer beperken tot de belangrijkste auteurs en werken,onderverdeeld in stromingen en genres - zoals Brems' voorganger GerardKnuvelder een halve eeuw geleden in zijn 'Handboeken' nog deed - zonder demaatschappelijke context aan te roeren en je ook niets aan te trekken van de markt, subsidies, festivals, en de overzeese gebiedsdelen ofjeugdliteratuur.

Een poging al deze factoren te incorporeren in één deel, is zelfsstoutmoedig te noemen, vooral omdat de Nederlandse literatuur geen echtestromingen kent. Alleen al de aankondiging van deze literatuurgeschiedenisleidde bij de jongste lichting hoogleraren dan ook tot de nodige scepsis.Thomas Vaessens, sinds mei vorig jaar hoogleraar Nederlandse taal- enletterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, zou desgevraagd zijnmedewerking niet hebben verleend, verklaarde hij in september 2005 inCicero. De nieuwe lezers - hij merkt het aan zijn studenten - zitten niette wachten op het aloude verhaal dat begint bij 'hebban olla vogala' envoortsuddert tot 2005. Die aanpak zou niet meer van deze tijd zijn.

Maar hoe heet de lel van Brems die hij op 3 juni 2005 voltooide: Altijdweer vogels die nesten beginnen. Strijdlustiger repliek was niet mogelijk.De literatuur ís er nog, en het verhaal erover kán nog worden gedaan,vanuit het heden in ontelbare pagina's rechtstreeks terugverwijzend naardie middeleeuwse Natur-eingang.

Brems waagt zich aan de grote greep. En werpt daarmee de vraag op ofzijn onderneming een stuiptrekking is van een achterhaald streven of eendynamische impuls die afrekent met het ongeloof van sommige vakbroeders tenopzichte van een nieuwe literatuurgeschiedenis.

Aan goede zin ontbreekt het Brems niet. Hij besloot de naoorlogseliteratuur te behandelen volgens een 'volstrekt neutrale indeling': eenperiode van zestig jaar samengebald in zes hoofdstukken waarin telkens tienjaar aan bod komen.

Die ogenschijnlijke objectiviteit wekt lichte bevreemding. Is het nietzo dat een geschiedschrijver, hoezeer hij ook tracht 'slechts' de tijd nate lopen, per definitie accenten aanbrengt en selecteert, waardoor minderinvloedrijke boeken en significante breukmomenten automatisch minderaandacht krijgen? Een van de belangrijkste ontwikkelingen in deneerlandistiek is de hernieuwde visie van hoogleraren als Van Oostrom enPleij op de Middeleeuwen, die de afzonderlijke teksten inbedden in eenmeeslepende Europese cultuurgeschiedenis. Hun enthousiasme en vakkennishebben geleid tot een bloeiende mediëvistiek, zoals die dertig jaargeleden nog ondenkbaar leek.

Het kan dus wel. Maar daarbij moet wel worden opgemerkt dat de genoemdewetenschappers uitdrukkelijk keuzes maken en zich niet verschansen achtereen 'volstrekt neutrale indeling'. In de geschiedschrijving bestaat geenvolstrekte neutraliteit. Zij die daarmee schermen, lijken zich niet tewillen vastleggen, onder het mom van wetenschappelijkheid. Bekeken vanuiteen minder monter perspectief, kan de onwil om te schiften ook wijzen opkarakterloosheid.

Die verdenking wordt reeds op pagina 45 van Brems' geschiedenislevensgroot: daar ziet hij zich genoodzaakt zijn 'strakke structuur' teonderbreken voor een hoofdstuk over hét onderwerp dat zijns inziens dehele naoorlogse letteren heeft gekleurd: de Tweede Wereldoorlog.

Die breuk in de opzet, zo vlak na de opgeruimde inleiding, is een smetop zijn blazoen - ongeacht of zijn stelling vruchtbaar is. Zijn methodemoge neutraal aandoen, de praktijk spreekt meteen andere taal.

Die taal van Brems verdient een studie op zichzelf. Zijn taal is er eenvan polderen, nivelleren, de boel bij elkaar houden, acrobatiek van eenacademicus die zweert bij de slag om de arm, wat leidt tot een diarree vantermen als 'misschien' en 'diversiteit'. Misschien is er een verband zuste maken, maar daar staat tegenover dat er zo, kortom, één ding is zeker:er is van alles aan de hand! En die veelstemmigheid maakt deboekenproductie fijn levendig. Dan zijn we mijlenver afgedwaald van destijl die de wijze Conrad Busken Huet ooit historieschrijvers ten voorbeeldhield, namelijk het Rembrandteske: 'veel weglaten, veel overdrijven, enop een klein getal feiten en beweegredenen veel licht doen vallen'.

Met een verontrustende drift citeert Brems echter links en rechts uittijdschriften en kritieken. Op pagina 36 zit de verbouwereerde lezerreddeloos verstrikt in een Vlaamse kwestie uit 1945, toen deredactiesecretaris van Dietsche Warande & Belfort er Prosper vanLangendonck 'bij trok, die de synthesegedachte van August Vermeylen omboogin christelijke zin'. En in Nederland waren de tijdgenoten zich terdegebewust van een 'vooruit-achteruitsituatie', zoals 'talloze opmerkingen'bewezen, 'onder anderen van Eldert Willems, die het alom heersende'Terbrakianisme' een literaire moord' noemde'.

Wat moeten we met Eldert Willems, die in het hele boek niet meervoorkomt? Was dat een autoriteit dan? Brems stoomt zwijgend voort. Hij wilgeen 'bestaande beelden kopiëren', maar als hij de Vijftigers, Zestigers,het ik-tijdperk, de autobiografische literatuur en de profeten van deverbeelding, de Maximalen, en de Generatie Nix tot en met de poetry slamsbespreekt, schrijft hij hele stukken over uit de min of meerprogrammatische stellingnamen van de deelnemers zélf. Vangeschiedschrijver degradeert Brems zichzelf tot een inzamelpunt, eenuitdeler van de dunne soep die hij als diversiteit aanprijst.

Als hij al iets poneert, roept hij vlug dat er 'anderzijds' ook ietsheel anders kan worden geopperd. In de processie van Echternach boek jesneller vooruitgang dan al bremsend achter Hugo's vaandel. 'Het lijkt nieterg zinvol om een reeks existentialistische kenmerken vast te stellen enindividuele literaire werken daaraan te toetsen', schrijft hij, om opdezelfde pagina (57) onder het laffe kopje 'Existentialistische'auteurs' aan te komen met Sartre en Rodenko en een rits kenmerken -overgeschreven natuurlijk.

Hij laat zien welke schrijvers in hun tijd als belangrijk golden, maarbrandt zich niet aan enige verklaring voor het feit - om maar iets tenoemen - dat Reve en Hermans mettertijd alleen maar groter werden gevonden,terwijl Anna Blamans faam is verwaaid.

De boeken zelf vat hij samen door de inhoud na te vertellen en er eenpaar abstracties op los te laten die zelden iets verhelderen - oftegenspraak uitlokken. Zo schrijft Brems dat de oorlogsliteratuur vanMinco, Durlacher, Hillesum en Oberski wordt gekenmerkt door 'de afwezigheidvan literaire' opsmuk en de vaak opvallend neutrale, afstandelijkemanier van vertellen'. Dat ís niet neutraal, dat is een weloverwogenkeuze, een techniek die evenzeer tot het literaire domein behoort als wathij met een vaag verwijt literaire' opsmuk noemt.

Brems brengt Hella Haasses intrigerende De tuinen van Bomarzo (1968)terug tot de stompzinnige conclusie dat na haar zoektocht naar de betekenisvan een geheimzinnige beeldengroep 'alleen onzekerheid overblijft'. Zie,zegt de bangebroek opgelucht, ook Haasse weet het allemaal niet meer. Endat terwijl de schrijfster laat zien dat 'de' geschiedenis nooit af is, datde feiten door de verbeelding in een verrassend verband kunnen komen testaan, dat de open blik een verrijking is en zij met dat inzicht geenszinsterug bij af is.

Tegen het eind schrijft Brems namen zelfs fout over (Arno Breekveldt,Marianne Frederiksson), al roerend in zijn waterige maaltijdsoep en elkestoethaspel in zijn potpourri - van Elly de Waard tot Frans Deschoemaeker - evenveel tekst en uitleg gevend als Van der Heijden of Kellendonk.

Dit is typisch Brems: 'Het lijkt erop dat politiek engagement, openkele uitzonderingen na, in 1975 niet langer in trek was in de Nederlandseliteratuur. Maar juist toen kwam het, langs de omweg van de derde wereld,weer binnen.' En daar gaat ie weer: 'Die verhalende, anekdotische laag iser ook in het werk van dichters die vormvaster, elliptischer ensymbolischer schrijven. Het verschil is te beschrijven als een zaak vanprioriteit, al zijn de grenzen zelden heel duidelijk te trekken.'

Zijn tergende besluiteloosheid, die godbetert nog op een principestoelt ook, komt tot een climax als hij het postmodernisme bereikt. Sindstwintig jaar zitten we daar in, en die richting is, uiteraard, heel divers.Sterker nog, daar drijft ze op: er is geen hiërarchie, de kern is zoek,de schrijvers houden alle mogelijkheden blijmoedig open. Brems kan zelfszeggen dat de hele naoorlogse literatuur - vanaf Boon, Claus, Reve enHermans - iets postmoderns heeft, want draait het niet telkens om fictieen werkelijkheid, verteller en personages, hoe als versplinterd individueen versplinterde wereld weer te geven?

Zou dát soms een noemer zijn, de geheime agenda van Brems? In plaatsvan daarvoor uit te komen, verbergt hij zich achter tureluurs makendekromspraak: 'Van postmodernisme () is pas sprake wanneer die aspecten,of een groot aantal ervan, op een betekenisvolle wijze clusteren en samenfunctioneren als uitdrukking van het postmoderne wereldbeeld.'

Radeloos word je ervan. In 2005 heeft de poëzie 'enerzijds' doorinschakeling van het festivalpubliek een nieuw publiek aangeboord;'anderzijds' blijkt het gepubliceerde werk van de performers 'nauwelijks'te verschillen van 'wat er zoal gemiddeld' aan poëzie verschijnt; 'maarweer anderzijds' dient men de impact 'misschien' af te meten aan deoptredens, 'en zo beschouwd is de revolutionaire kracht ervan misschien welgroter dan die van de Vijftigers. Maar' - we zijn er nog niet - 'het is daneen revolutie die minder te maken heeft met interne poëtischeveranderingen dan met het functioneren van poëzie en het doorbreken vanhaar aura van elitarisme'.

Zo komen we er nooit. Brems ziet de huidige houdgreep van deeconomisering, de straf die schrijvers en uitgevers hebben gekregen voorhun mediabelustheid, maar 'anderzijds' wijst hij erop dat de literatuurovereind blijft. We staan aan de vooravond van een verandering, misschieneen definitieve, maar daar staat tegenover

In september 2005 zei Thomas Vaessens dat je als literatuurbeschouwerniet meer om publiekslievelingen als Heleen van Royen heen kunt. Bij Bremsgeen spoor van Heleen van Royen. Dat is geen fatale omissie - veel ergeris het goeddeels negeren van de Europese context -, maar het wijstniettemin ergens op: Brems hoopt stiekem dat de toptien eennevenverschijnsel is, en dat de bedreigde 'elitaire' postmoderne kunst(waarvan hij Charlotte Mutsaers' Rachels rokje het ultieme voorbeeld vindt- en ten onrechte: in haar werk ontbreekt 'de hiërarchie' niet, het isalleen een ándere dan de verwachte) hoog blijft staan.

Die voorkeur spreekt hij niet uit, want Brems heeft zich aangeleerdhelemaal níets wezenlijks uit te spreken. Daardoor is zijn tombola reedsbij verschijnen aan vervanging toe. De thuisblijvers hadden helaas gelijk.Met dit boek doe je het brede publiek - van kenner tot prinses - geenplezier.

Kome er visie, durf en stijl, een begaanbaar pad in het oerwoud - enkome er anders liever niets.

Meer over