InterviewDuncan Ward

Duncan Ward is de nieuwe chef van de Philharmonie Zuidnederland: ‘Je moet erin gaan als een huwelijk. Nu ja, een relatie’

De Engelsman, die begon als componist, geeft vrijdagavond zijn inauguratieconcert in Maastricht.

Duncan Ward: ‘Je hebt van die componist-dirigenten die alleen maar hun eigen muziek programmeren. Dat wil ik niet.’ Beeld Sas Schilten
Duncan Ward: ‘Je hebt van die componist-dirigenten die alleen maar hun eigen muziek programmeren. Dat wil ik niet.’Beeld Sas Schilten

De Philharmonie Zuidnederland heeft een nieuwe dirigent: de komende drie jaar staat de Engelsman Duncan Ward (32) op de bok van – vooral – Muziekgebouw Eindhoven en het Theater aan het Vrijthof. Aanstaande vrijdag dirigeert hij in zijn inauguratieconcert muziek van Haydn, Ravel, Bartók en Willem Jeths.

De Philharmonie Zuidnederland ontstond in 2013 uit een fusie van Het Brabants Orkest en het Limburgs Symfonie Orkest. Ward, naast dirigent ook componist, stond de afgelopen jaren als gastdirigent voor internationaal vermaarde ensembles, zoals het London Symphony Orchestra, de Staatskapelle Dresden en de Berliner Philharmoniker. Bij het laatste orkest bedacht toenmalig chef Simon Rattle speciaal voor hem een dirigentenopleiding aan de Karajan-Akademie, het talentprogramma van de Berliner.

Van de Berliner Philharmoniker naar een Nederlands regio-orkest, dat is niet helemaal vanzelfsprekend. U heeft hier maar drie jaar getekend. Is de Philharmonie Zuidnederland een opstapje?

‘Wie weet wat er gebeurt. Maar het is net een huwelijk: je moet erin gaan met het idee dat het lang zal duren. Of nu ja, misschien is het eerder een relatie. Ik kijk in elk geval ontzettend uit naar de komende jaren; het is echt een heel goed orkest. Toen ik het orkest als gastdirigent leidde in Debussy’s Jeux, merkte ik dat de musici veel wendbaarder waren dan sommige grote namen. En er zijn genoeg regionale ensembles die een internationale naam hebben opgebouwd, het Bournemouth Symphony Orchestra deed dat bijvoorbeeld onder Constantin Silvestri.’

Hoe bent u dirigent geworden?

‘Ik ben begonnen met componeren. Toen ik een jaar of 5 was, kreeg mijn zus een keyboard voor Kerstmis. Ik was daarna degene die er altijd op zat te pingelen. Toen hebben mijn ouders me op pianoles gezet. Vanaf dat moment was ik al bezig met mijn eigen stukjes schrijven.

‘Op mijn 12de componeerde ik een musical op basis van Alice in Wonderland. Toen mijn docent muziek dat zag, zei hij: als je wilt dat we het uitvoeren, moet jij het regelen. Dat betekende dat ik moest leren dirigeren. Een cellist was zo aardig me te laten zien hoe je een driekwartsmaat sloeg. En daarna ging het eigenlijk vanzelf.

‘Eerst wilde ik dan ook carrière maken als componist. Dat ging eigenlijk heel goed. Maar toen ik chef werd bij het universiteitsorkest van Manchester, werd ik aangesproken door een directiedocent aan het conservatorium van Manchester. Die vroeg me of ik er ooit over had nagedacht dirigent te worden. Dat had ik niet, maar toen ik me met zijn hulp inschreef voor masterclasses, stond ik die zomer meteen voor het London Symphony, het Chicago Symphony Orchestra en volgde ik lessen bij Pierre Boulez in Luzern.’

Duncan Ward: ‘Toen ik een jaar of 5 was, kreeg mijn zus een keyboard voor Kerstmis. Ik was daarna degene die er altijd op zat te pingelen’ Beeld Sas Schilten
Duncan Ward: ‘Toen ik een jaar of 5 was, kreeg mijn zus een keyboard voor Kerstmis. Ik was daarna degene die er altijd op zat te pingelen’Beeld Sas Schilten

Biedt uw achtergrond in compositie u een ander perspectief op de muziek die u als dirigent uitvoert?

‘Absoluut. Het vult elkaar aan. Componeren vereist een diepe kennis van hoe de instrumenten precies werken. Allerlei technische details die een dirigent niet altijd weet. En andersom: als dirigent bestudeer je allerlei partituren, veel meer dan een professionele componist, in de regel. Zo leer je wat werkt en aan welke foefjes het orkest uren repetitietijd kwijtraakt.’

Grijpt u uw kans en gaat u heel veel Ward op het programma zetten?

‘In het eerste seizoen spelen we al meteen iets van mij: Fumes, een ouder stuk. En we zijn aan het praten of ik iets nieuws kan schrijven, en ik zou gevleid zijn als ze me een opdracht geven. Maar ik wil natuurlijk ook heel veel andere muziek dirigeren. Je hebt van die componist-dirigenten die alleen maar hun eigen muziek programmeren. Dat wil ik niet: er moet genoeg ruimte zijn voor andere muziek, ook van levende componisten.’

U heeft ook een grote liefde voor het Franse klassieke repertoire. Wat trekt u daarin aan?

‘Ik denk dat Franse klassieke muziek vaak wat minder definitief en gegrond is dan bijvoorbeeld Duitse. Bij de Fransen is er vanaf de barok al meer aandacht is voor versiering en pracht. De vorm is vaak vrijer, er is veel ruimte voor bloemrijke orkestratie. Je ziet dat ook terug in de schilderkunst: het impressionisme, bijvoorbeeld, met dat wat wazige koloriet. Zo is Franse muziek ook: geen primaire kleuren, maar miljoenen tinten blauw en roze en geel. Daar zit zoiets moois in. Maar je hebt natuurlijk beide nodig. Als de Franse muziek champagne is, dan is Bach het water.’