Duizend kussen in duizendvoud

Zo bezingt Janus Secundus, 'de beroemdste Nederlandse dichter' (dixit J.P. Guépin), de kus in een reeks van negentien 'kusgedichten', die met andere voorbeelden van zijn verskunst in De kunst van het zoenen (Bijleveld; ¿ 34,90) zijn opgenomen....

Centum basia centies,

Centum basia milies,

Mille basia milies,

Et tot milia milies,

Quot guttae Siculo mari,

Quot sunt sidera caelo,

Istis purpureis genis,

Istis turgidulis labris,

Ocellisque loquaculis,

Ferrem continuo impetu,

O formosa Neaera!

Deze liefdespoëzie is, zo leren we uit de uitgebreide toelichting van J.P. Guépin, niet seksueel, of erotisch, maar spiritueel, en dan nog wel in platonische zin: door middel van de kus geven de geliefden hun 'ziel' aan elkaar door.

Mocht dat uit het geciteerde vers ('Honderd kussen in honderdvoud,/ honderd kussen in duizendvoud,/ duizend kussen in duizendvoud,/ zoveel duizenden duizendvoud,/ als telt druppels de grote zee,/ als er sterren zijn in 't heelal,/ op je purperen wangetjes,/ op je zwellende lipjes en/ op je praatzieke oogjes wil/ 't liefste sprokkelen als maar door/ ik, o schone Neaera') nog niet helemaal duidelijk zijn, dan wordt het dat wel in het twaalfde 'kusgedicht', waar de dichter onomwonden schrijft dat er in zijn gedichten 'geen lul te vinden' is, of anders gezegd dat zijn muze Neaera 'een boekje zonder lul' ('sine mentula libellum') verkiest boven 'een dichter die geen lul heeft'.

De humanisten in de zestiende eeuw wonden er geen doekjes om, verfrist als ze waren, na al die eeuwen christendom, door de zuivere bronnen van de klassieke, Griekse en Latijnse letteren. Secundus was één van hen. Goed opgeleid als hij was - hij kreeg les in het Latijn te Den Haag samen met Viglius van Aytta, de latere diplomaat en tegenstander van Willem van Oranje - beheerste hij de Latijnse verskunst al vroeg tot in de puntjes, en hij zou in Nederland misschien net zo beroemd geworden zijn als in het buitenland (waar Montaigne, Ronsard en later Goethe hem bewonderden) als hij niet uitsluitend in de nieuwe taal van de Europese, intellectuele elite, het Latijn dus, had gedicht.

Secundus stierf jong, op zijn 25ste. Hij had op een van zijn vele reizen in Spanje malaria opgedaan. Dank zij J.P. Guépin, die eerder in De kunst van Janus Secundus een lans brak voor deze 'vergeten' poëet, blijft zijn werk ons onder de aandacht gebracht worden, ook nu weer met deze 'kusgedichten'.

Willem Kuipers

Meer over