Duiveluitdrijving met appeltaart

Alfred Douglas schreef maar één indrukwekkend gedicht, een jaar na de dood van zijn vroegere vriend Oscar Wilde. Hij bekeerde zich tot kuisheid, maar de klauw van de duivel bleef zijn leven lang voelbaar in de nek....

door Kees Fens

IN 1911 WERD Alfred Douglas, toen 41 jaar, van hoog-anglicaans rooms-katholiek, elf jaar nadat Oscar Wilde, de vriend die hem zijn leven lang niet losliet, zich op zijn sterfbed in de katholieke kerk had laten opnemen. Als veel bekeerlingen overdreef hij. Een paar maanden voor zijn dood in maart 1945 schrijft hij in een brief aan Bernard Shaw, met wie hij sinds 1931 correspondeerde (een briefwisseling tussen een slappe leerling en een strenge schoolmeester), het volgende.

'Ik werd katholiek in 1911, 33 jaar geleden. Ik ging daarna een totaal en radicaal ander leven leiden, werd en bleef helemaal kuis, zoals ik daarna ben gebleven. Ik ging elke dag van mijn leven, minstens 25 van die 33 jaar, om acht uur ter communie. Alleen de laatste paar jaar heb ik de dagelijkse communie achterwege moeten laten, gewoon omdat mijn gezondheid achteruitging en ik mij niet in staat voelde elke dag vroeg op te staan, maar ik heb de praktijk wekelijks voortgezet (in het algemeen ten minste twee keer per week).'

Als de briefwisseling met Shaw (in 1982 uitgegeven door Mary Hide) begint, is Douglas - nog altijd bij zijn kindernaam 'Bosie' genoemd - al heel lang in zijn najaren, die voor het grootste deel gevuld lijken met ruzies en processen. De geestelijke erfenis van zijn vader, Lord Queensberry, een ordinaire en genadeloze ruziezoeker, is nooit opgeraakt.

Zijn laatste levensdaad, lijkt het, was die van drager bij de begrafenis van Wilde. De rest is nageschiedenis. Daarin is Wilde overigens constant aanwezig. Zolang die als demon wordt beschouwd, blijft Douglas door de duivel besmet. Hij heeft zich van de klauw in zijn nek trachten te ontdoen door de kant van de duivelbezweerders te kiezen, in zijn in 1914 verschenen Oscar Wilde and Myself, waarin hij de aanval als de beste verdediging probeert te hanteren.

Zijn enig belangrijke jaren waren die van de vriendschap met Wilde, tussen 1891 en 1900. Misschien moet men zelfs zeggen van 1891 tot 1895, toen Wilde in de gevangenis verdween. Vier jaar waarin twee narcissussen op vrijersvoeten gingen en uiterst extravagant leefden, de volste succesjaren van de toneelschrijver Wilde. Hij was verslaafd aan de schoonheid van de jonge Douglas, en die beminde en bewonderde Wilde - het was daarbij niet gering de vriend van de meest bewonderde man in Londen te zijn.

In 1895 stortte alles in, bij het beroemde proces waar Wilde van aanklager aangeklaagde werd. Het mysterie blijft waarom hij zich niet, door uit te wijken naar het buitenland, aan het proces heeft onttrokken. Misschien geeft zijn kleinzoon, Merlin Holland, zoon van Vyvian, die zo veel uitstekends (en ontroerends) over zijn vader heeft geschreven, een mogelijke verklaring in zijn twee jaar geleden verschenen The Wilde Album: 'Er was in Wilde een Faustiaanse dorst naar nieuwe belevingen en die moest gelest worden.'

Hij had de neiging tot de grens te gaan - en dus vaak erover - en zo zichzelf en de wereld uit te dagen. Een gelijke uitdagende neiging, zeker ten opzichte van zijn vader, maar ook tegenover de gevestigde maatschappij (inclusief de universiteit), kende Douglas.

In zijn in de gevangenis geschreven De Profundis, een brief aan Douglas, die hem overigens pas veel later heeft bereikt, ziet Wilde zijn blonde engel als zijn engel des verderfs. Toen Douglas de beschuldigende passages las, keerde hij de rollen om. Voor velen heeft Douglas Wilde te gronde gericht. Maar de twee deugden natuurlijk allebei niet, al ben je geneigd Wilde's ondeugd hoger (of lager) aan te slaan: hij blijft een zeer innemend en fascinerend iemand en om zijn brille zij hem veel vergeven.

Douglas heeft weinig surplus. Hij schreef één schitterend gedicht, een jaar na Wilde's dood, 'The Dead Poet', een sonnet met een grandioze slotregel. Hij schreef nog enkele goede gedichten, maar een handvol lijkt te weinig voor de rechtvaardiging van een bestaan. Hij was ook niet zo interessant, zoals de in 1984 verschenen, overigens zeer geslaagde, biografie door Montgomery Hide (die ook zo veel uitstekends over Wilde schreef) laat zien. De beknopte levensschets bij de uitgave van de briefwisseling Shaw-Douglas wijst hetzelfde uit.

Iemand als Robert Ross - hij zou Wilde's eerste homoseksuele liefde zijn geweest, wat hij zelf ontkende, hoewel hij het graag had willen zijn - is veel boeiender, ook veel groter als persoon. (Douglas bracht hem voor de rechtbank op dezelfde beschuldiging die zijn vader tegen Wilde had ingebracht, een der macaberste herhalingen van een geschiedenis die ik ken.)

Er is ontzagwekkend veel over Wilde en daarmee over Douglas geschreven. Douglas heeft zijn eigen biografie, Ross ook. Mindere figuren zijn niet vergeten; de tijd van de jaren negentig van de vorige eeuw is veel en diepgaand beschreven. Valt er nog iets te zeggen?

Voor de reeks Open Domein van De Arbeiderspers schreef Caspar Wintermans - 'Hagenaar, anglofiel en melomaan', blijkens het omslag van het boek - Alfred Douglas - De boezemvriend van Oscar Wilde. Op het woord 'boezemvriend' heb ik het niet zo, tenzij men in dit geval aan de apostel Johannes moet denken; die lag immers bij het laatste avondmaal aan de borst van Christus. En de vergelijking van Douglas met Johannes is natuurlijk gemaakt.

De inleiding van het boek begint met deze zin: 'Lord Alfred Douglas is - om met de deur in huis te vallen - bepaald niet onomstreden; weinig personen zijn zo verguisd en verketterd als hij.' Ik moet bekennen dat die binnenkomst met deur en al mij niet onberoerd liet. Van een Hagenaar, anglofiel en melomaan verwacht je een toch wel iets eleganter Nederlands dan deze gemeenplaats. Maar de zin bleek stilistisch voorbeeldig. Fijnzinnig en oorspronkelijk taalgebruik is niet Wintermans' opvallendste eigenschap.

Nog maar een paar bladzijden verder staat het verhaal dat Queensberry zijn vrouw Sybil een ménage à trois voorstelt, waarop dan deze zin volgt: 'Voor Sybil was dit de druppel die de emmer deed overlopen.' Wilde's spotzucht krijgt deze beschrijving: 'De schrijver hield ervan serieuze en respectabele lieden in het ootje te nemen.' Vriendschap wordt niet 'onder stoelen of banken gestoken'. De Engelse wetswijziging uit 1885 die alle homoseksuele contacten strafbaar stelde, heet 'koren op de molen van de penose'. De komedies 'leggen Wilde geen windeieren'.

Op bladzijde 51 - daar ben ik nu pas - staan deze twee passages: 'Wilde was het slachtoffer van een draconische wet. Als zodanig verdient hij medelijden. Hij had geen cherubijntjes gecorrumpeerd; zijn partners waren 'medeplichtigen', criminelen goeddeels die wisten van de hoed en de rand.' En: 'Al met al hield hij (Lord Queensberry) aan zijn campagne tegen Wilde een kater over, die hij trachtte te verdrinken in de alcohol. Hij was een ongelukkig man.' Nu we toch bij de alcohol zijn, nog even deze zin: 'Eenmaal op vrije voeten tapte Wilde al heel snel uit een ander vaatje.'

Stilistisch is het boek zo Hollands als een appeltaart. Uit het geciteerde begin van de inleiding zal de bedoeling van het boek duidelijk zijn: het wil Douglas uit het al een eeuw durende, duivelse duister halen. Het boek is dan ook op veel plaatsen meer een persoonlijk pleidooi - met polemische trekken - dan een biografie. Wilde wordt onbetrouwbaarder voorgesteld dan doorgaans het geval is - maar wie loog er niet in dat gezelschap? -, maar de grote boosdoener wordt Robert Ross, die als vroegere minnaar alleen maar jaloezie ten opzichte van Douglas zou hebben gekend. Het is een veronderstelling die niet bewijsbaar is. In elk geval: Ross verdient een genuanceerder portret dan hij in dit boek krijgt. Ik verwijs maar even naar de biografie Wilde's Devoted Friend van Maureen Borland.

Wat is de uiteindelijke verklaring voor de levenslange en postume afkeer van Douglas? Aan het slot van het voorlaatste hoofdstuk kan men dit lezen: 'Afgunst! Men kan zich niet onttrekken aan de indruk dat het venijn dat in de loop der jaren over Bosie is uitgestort, ten dele voortkomt uit al of niet bewuste jaloezie. Want ja, de meesten van ons zijn niet echt mooi. De meesten van ons zijn niet van adel. De meesten van ons zijn niet zó charmant dat het ons lukt charmante figuren als Wilde te charmeren - als we ze al tegen het lijf lopen. En dichten kunnen we ook al niet zo knap dat we de lof oogsten van meesters als Stéphane Mallarmé.'

Dat valt toch nauwelijks ernstig te nemen. Staat er veel nieuws in het boek? Voorzover ik het kan zien: op een paar kleinigheden na weinig of niets. Het meeste van wat Wintermans schrijft - zijn verslag van het proces bijvoorbeeld - is door anderen beter gedaan. 'Ziezo. Dat was dat.' Om een passage afsluitende woorden van de auteur te gebruiken.

Het boek kreeg een dubbele bibliografie, van het werk van Douglas en van secundaire literatuur, mee. Het sluit af met een kleine bloemlezing uit Douglas' poëzie. Gerrit Komrij schreef een voorwoord, dat bij alle beknoptheid een scherpere karakteristiek is van Douglas' lot en leven dan het erop volgende boek.

In 1913 krijgt Douglas een maîtresse, met wie hij zich ostentatief in het uitgaansleven stort. Wat zijn vrouw Olive en zijn schoonvader Custance daarvan dachten, schrijft Wintermans, deerde hem niet, 'ze konden wat hem betreft de boom in'.

Vanaf 1911 was Douglas - zie boven - 'helemaal kuis'. Dat was dus ook gelogen.

Meer over