Druppel voor druppel in het glas

Horatius' Ars Poetica is een brief, een 'leerbrief', maar het is ook een gedicht, een leerdicht. Het is natuurijk vóór alles gewoon een schitterend gedicht: wat geleerd wordt, krijgt gestalte in het gedicht....

Uiteraard was Horatius' eigen praktijk als dichter van zeer groot belang voor het leerdicht. Maar in die praktijk hield hij zich aan toen vigerende ideeën: waarnemingen en overleveringen van waarnemingen van de best geachte poëzie. Nogal wat van die ideeën hebben, als kritische norm bijvoorbeeld, haast een eeuwigheidswaarde gekregen. Wat hij en anderen aan goede poëzie zagen, 'simplex et unum', eenvoudig en één, bijvoorbeeld, moeten universele trekken van 'de' poëzie zijn. Wat is dan poëzie? Wat aan al die ideeën beantwoordt - maar dat natuurlijk verbergt! Poëzie kan blijven bestaan doordat ze steeds nieuw lijkt.

De vraag naar wat poëzie is, stelt hij niet. Misschien vond hij dat ondichterlijk, maar waarschijnlijk lag die vraag buiten de orde van de toenmalige zeer concrete poëtica's. Vestdijk is van alle Nederlandse essayisten een antwoord op die vraag het dichtst genaderd: in het begin van zijn Albert Verwey en de Idee en in het eerste hoofdstuk van De glanzende kiemcel. In beide gevallen is een metafoor het eindpunt: het sneeuwkristal en de kiemcel. Tenslotte kan de vraag dus alleen op dichterlijke wijze beantwoord worden.

Ook Harry Mulisch schreef een leerdicht over poëzie. Het heet Wat poëzie is en het verscheen in 1978. Er is nu een zeer fraaie heruitgave van verschenen. Natuurlijk valt er bij Mulisch niets te leren. Of wel: er valt alleen te leren dat er niets te leren valt, want er is alleen te zeggen dat er niets te zeggen is. Zijn gedicht is meer een afleervers. Meteen al bij het eerste vers of les krijgen we dat te horen:

Liefst zou ik nadenken

over wat poëzie is.

Maar wat poëzie is

weet ik alleen

Als ik poëzie lees

of poëzie schrijf.

Maar lees ik poëzie

of schrijf ik poëzie

Hoe denk ik dan na

over wat poëzie is?

Daarmee is de toon gegeven van het hele leerdicht, dat een negatieve poëtica is, in de betekenis van negatieve theologie, die van de onkenbaarheid van God uitgaat. Maar dat tegelijk in de verwoording van die onkenbaarheid zeer veel over hem zegt. In de tweede les wordt de onmogelijkheid tot verwoording van wat poëzie is nog eens uitgelegd, in vergelijkingen, een andere mogelijkheid is er niet:

Het is als met pijn

of met de lieve lust:

Alleen als het er is

weet ik wat het is.

Of zoals de heilige zei

over de tijd:

'Vraagt niemand het mij

dan weet ik wat het is,

Vraagt iemand het mij

dan weet ik het niet meer.'

Wat groot is, verdwijnt onder reflectie; wat binnen is, valt uiteen als het naar buiten moet worden gebracht. (Het laatste is ook de theorie van Vestijk, want de eigenlijke kiemcel is het gedicht in de dichter, volmaakt; uitgeschreven is het die volmaaktheid kwijt. Het gedicht lijkt nooit op de idee ervan.)

In een enkele les brengt Mulisch wat technische zaken ter sprake, om ze te verwerpen: ze zijn buitenkant. Misschien is dit het opvallendst: zijn verzet tegen de woordkarigheid of de zuinigheid die kenmerkend kan zijn voor de Nederlandse poëzie. Hij verwoordt dat verzet onder meer zo:

Wat is dat voor een volk

trots op lege sokkels?

Saenredam is groot,

maar één is genoeg.

De mensen in zijn kale kerken

kon hij zelf niet verven.

Nee, de dichter heeft

het hoogste woord.

Hij zegt maar wat

en spreekt de stilte uit.

Die lege sokkels verwijzen naar de beeldenstorm. Die heeft te lang geduurd. (Claus, de volste dichter van het ogenblik, klaagt ook altijd over die Nederlandse verbale schraperigheid). De theorie klopt hier niet met de praktijk. Mulisch' leerdicht zelf is van een uiterste zuinigheid: druppel voor druppel vullen de regels het glas van het gedicht. Als ik alleen weet wat poëzie is als ik poëzie lees, dan weet ik nu dat poëzie bijna wit en dus onkenbaar is. Mulisch is zelf een Saenredam, bij wie God wit en dus onzichtbaar is. De praktijk klopt dus wel met de theorie! Wat poëzie is (uitgeverij Cahier, Groningen) is dus een uitstekend leerdicht.

Meer over