Boeken

Drie jeugdboekenschrijvers over hun vak: ‘Het moet er zo goed en mooi mogelijk staan. Zo krijgen kinderen gevoel voor taal mee’

Worden wat je wil, is het thema van de Kinderboekenweek die woensdag is begonnen. Als het meezit begint die ontdekkingsreis met jeugdliteratuur – boeken kneden de tere kinderziel. Jacques Vriens, Sjoerd Kuyper en Bibi Dumon Tak vertellen hoe ze met die zware verantwoordelijkheid omgaan.

null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

Toen ik op 8-jarige leeftijd de jeugdroman Oorlogsgeheimen las, voelden Tuur en Maartje als mijn vrienden: met hen maakte ik de Tweede Wereldoorlog mee. De klasgenootjes trekken veel met elkaar op en gaandeweg wordt Tuur verliefd – een mij indertijd niet onbekend probleem. Op een avond, tijdens een angstig moment in de schuilkelder, gebeurt er iets bijzonders. Ik weet nog met hoeveel verwondering ik het las: Dan dringt het tot hem door dat hij zijn hand op haar blote rug houdt. Doordat ze elkaar zo stevig hebben vastgepakt, is haar pyjamajasje omhooggeschoven. Zonder er verder bij na te denken begint hij haar zachtjes te strelen en ineens vergeet hij alles om zich heen. Zo voelt dat dus, denkt hij, als je het blote lijf van een meisje mag aanraken.

De schrijver van het boek, Jacques Vriens, glimlacht. ‘Dat is een belangrijke functie van de jeugdliteratuur’, zegt hij. ‘Kinderen verplaatsen zich in personages en omstandigheden die ze wel, of juist nog helemaal niet herkennen. Een boek boort dan iets aan. Zo ontdekken ze hun gevoelens en emoties.’ Zelf werkte Vriens jarenlang op een basisschool. Nog altijd put hij inspiratie uit zijn tijd voor de klas: ‘Tijdens het kringgesprek brachten leerlingen soms heftige onderwerpen ter sprake. In hun eigen leven gebeurt namelijk een hoop.’ Een aangrijpend voorbeeld daarvan verwerkte hij in Achtste-groepers huilen niet. De hoofdpersoon van het verfilmde boek krijgt leukemie en sterft: ‘Dat meisje heeft echt bestaan. Ze zat bij mij in de klas. Er is in mijn boeken dus eigenlijk geen onderwerp dat ik uit de weg kan gaan.’

Onbevangen

Juist hun onbevangenheid is de reden dat Sjoerd Kuyper, auteur van boeken als Het zakmes en Hotel de grote L, veel liever voor kinderen schrijft dan voor volwassenen. ‘Kinderen hebben nog geen vastgeroeste meningen en kunnen verbijsterd voor een hun onbekend vergezicht staan. Ze zijn nog heel kneedbaar. Volwassenen lijken daarentegen verstard als gebakken klei. Hooguit springt er nog een scheur in.’ Daarom kunnen ze in een bepaald opzicht minder aan: ‘De wereld valt moeilijker met sprookjesachtige elementen op te rekken. Jonge lezers accepteren dat wel. Die gaan volledig op in het verhaal. Het doet er dan niet toe of iets wel ‘realistisch’ is.’

‘Worden wat je wil’, luidt het thema van de Kinderboekenweek, want in de fantasie van een kind kan veel, zo niet alles. Tegelijkertijd is het ook een ingewikkelde doelgroep. Hoe weet een schrijver bijvoorbeeld of de jonge lezer het allemaal begrijpt? Jacques Vriens beeldt zich steevast een schoolklas in. ‘Het is dan net alsof ik weer in de kring zit en mijn leerlingen een verhaal vertel. Zo tref ik de juiste toon.’ Die is overigens niet kinderachtig: ‘Hun woordenschat is wat beperkter, maar ik vertel het verhaal op een normale manier.’

Sjoerd Kuyper daalt tijdens het schrijven vooral af in zijn eigen jeugd. Dan beziet hij de wereld met de ogen van zijn jongere ik. ‘Ik bedenk hoe ik vroeger zelf op een bepaalde situatie had gereageerd.’ Ook hij neemt zijn lezers serieus. ‘Als schrijver haal ik alles uit de kast. Ik streef naar literaire perfectie: het moet er zo goed en mooi mogelijk staan. Misschien dat kinderen dat niet altijd zien, maar onbewust krijgen ze zo wel gevoel voor taal mee.’ Zijn in 2019 verschenen boek Bizar zit vol grappige, spitsvondige en soms bijna poëtische passages: volwaardige literatuur dus, waarin ook voor volwassenen een hoop te beleven valt. Kuyper: ‘Mits die althans eens op het idee komen om een kinderboek te lezen.’

Verwonderen

Dat doen volwassenen maar weinig. Het literaire genre onttrekt zich goeddeels aan hun blikveld. ‘Zonde’, zegt Bibi Dumon Tak, net als Kuyper laureaat van de Theo Thijssenprijs: ‘Ze denken vaak de jeugdboeken te zijn ontgroeid, maar er zijn er genoeg die zo verrassend en mooi van taal zijn, dat mij dat haast onmogelijk lijkt. Volwassenen zijn het bovendien verleerd om 10 jaar oud te zijn. De hevigheid waarmee dingen op die leeftijd binnenkomen, weet een goed kinderboek nabij te halen. Met de nadruk op ‘goed’, want er verschijnen ook eentonige boeken waar werkelijk niemand iets aan heeft – chips, patat en frikandellen voor het brein.’

Bibi Dumon Tak wil verwonderen door wat er staat én door hoe het er staat: ‘Met een ritmisch en gevarieerd taalgebruik schep ik een wereld waarin alles kan gebeuren. Kinderen laten zich daardoor meeslepen, want met dezelfde overgave waarmee ze in plassen regenwater springen, lezen ze een boek.’ Of zoals Kuyper het in Meneer Droste van het kinderboekenmuseum verwoordt: ‘Als grote mensen een boek lezen over een kleine kapitein, lezen ze een boek over een kleine kapitein. Als kinderen datzelfde boek lezen, zijn ze de kleine kapitein.’

Toen ik Oorlogsgeheimen na een koortsachtige leessessie dichtsloeg, bleef ik met betraande ogen achter. Maartje, die de oorlog bij haar oom en tante afwachtte, heet eigenlijk Tamar. Ze blijkt Joods. Uiteindelijk wordt haar onderduikadres verraden. ‘Maartje’, schreeuwt Tuur. ‘Maartje.’ Ze kijkt omhoog en glimlacht naar hem. De Duitser duwt haar naar de achterkant van de vrachtwagen en ze verdwijnt uit het licht. Vanaf toen zijn Tuur en ik vurig naar haar terugkomst blijven verlangen. Maar die bleef uit.

‘Sorry’, zegt Jacques Vriens.

Marijn Slijper (2000) studeert journalistiek in Utrecht.

De Kinderboekenweek 2021 duurt nog tot en met 17 oktober.

Meer over