Dresden eert Schönberg en Alban Berg

Schönberg, Zes Orkestliederen, e.a. Staatskapelle Dresden o.l.v. Giuseppe Sinopoli m.m.v. Alessandra Marc e.a. Teldec...

Roland de Beer

De Staatskapelle Dresden en haar chef Giuseppe Sinopoli zijn verwikkeld in een serie live-cd's met orkestwerk uit de tweede Weense School. Dat is iets om in de gaten te houden, want grote plaatproducties doen zich maar zelden voor rond de oeuvres van Schönberg, Berg en Webern.

Om het project kracht bij te zetten heeft de platenmaatschappij (Teldec) de afleveringen zes en zeven tegelijk uitgebracht. Op de ene staan Schönbergs orkestliederen opus 8, de Kammersymphonie opus 9, A survivor from Warsaw, en de 'filmmuziek voor een niet-bestaande film' Begleitmusik zu einer Lichtspielszene. De andere is een Alban Berg-plaat, met Sieben frühe Lieder, de Altenberg-Lieder, de concertaria Der Wein en de drie orkeststukken opus 6.

Van Anton Webern even geen spoor, maar met hem was Sinopoli na één cd dan ook al uitgepraat.

De Staatskapelle Dresden, voormalig vlaggenschip van de DDR, heeft vanouds geen grote naam op Schönberg-gebied, maar goedbeschouwd heeft geen enkel orkest dat. Sinopoli geniet op zijn beurt de reputatie een kenner te zijn van alles wat met Schönberg te maken heeft, zoals Schönbergs navolgers, Schönbergs tijdgenoten en Schönbergs voorgangers, en niet in de laatste plaats Schönberg zelf.

Sinopoli componeerde zelf op basis van reeksentechnieken, hij schreef een opera met expressionistische trekjes (Lou Salomé), en toen Wenen de terugkeer vierde van Schönbergs nalatenschap naar Oostenrijk, was het Sinopoli die het feestconcert met de Wiener Philharmoniker dirigeerde. In het Wagnercentrum Bayreuth kan Sinopoli al lang geen kwaad meer doen. Hij dirigeert er dit jaar de Ring.

Jammer, kortom, dat Sinopoli's excursies naar het harmonische experiment uit 1907 (de kwartenstapelingen van de Kammersymphonie), naar de toekomst van Hollywood (Schönbergs muziek 'voor films die nog gemaakt moeten worden') en naar het post-Mahleriaanse verleden van Des Knaben Wunderhorn (in de Orchester-Lieder opus 8) zelden naar het hoofddoel leiden. Te weten, een expressieve, doorschijnende en vanzelfsprekende Schönberg.

Het lijkt meer op zendingswerk voor een toporkest dan op Schönbergverkenningen mét een orkest. Het wil best mooi worden af en toe, zoals in de schitterende aanhef van Voll jener Süsse, het vijfde lied van opus 8. Maar te vaak tekent zich boven de fijnzinnige strijkers- en blazersklanken een groot vraagteken af, behorend bij de kwestie waar zijn we en wat doen we hier.

Misschien dat de Staatskapelle er met extra repetities meer uit zou halen, maar ook dat is niet zeker. Sinopoli lijdt zelf aan een neiging tot tempozwabberen, en zet van nature weinig muzikale punten en komma's. Alleen A survivor from Warsaw, het memento dat Schönberg schreef in antwoord op de verschrikkingen van de massamoord, krijgt (mede dankzij het koor van de Opera van Dresden en de stentorstem van John Tomlinson) een directheid die in de buurt komt van wat Pierre Boulez, het Concertgebouworkest en het koor van de Nederlandse Opera presteerden met Schönbergs Moses und Aron.

Berg, Altenberg-Lieder e.a. Staatskapelle Dresden o.l.v. Sinopoli, m.m.v. Alessandra Marc e.a. Teldec.

Sinopoli laat zich graag vergezellen door betrekkelijk onschuldige sopraanstemmen, zoals die van Juliane Banse, soliste in Bergs Sieben frühe Lieder. Maar voor het zwaardere werk wordt steevast Alessandra Marc naar de Sächsische Staatsoper geroepen. De Amerikaanse gaf haar kloeke geluid onder andere aan Bergs Lulu Suite en aan Schönbergs Erwartung en de liederen opus 8.

Leuk om het stemwonder (bij ons bekend geworden via de Amsterdamse Zaterdagmatinee) terug te horen. Maar ook haar bijdragen aan de bevordering van de Weense School missen kernachtigheid. Misschien als gevolg van een tekort aan affiniteit met Duitse poëzie. Misschien ook omdat het haar als het erop aankomt weinig kan schelen waar een melodie naartoe gaat. Intussen heeft Marc nog steeds hoogte en macht, maar niet zoveel jeugd meer. In het mezzoforte tekent zich soms een rafelrand af. Met de intiemere Berg van de Altenberg-Lieder kan ze beter uit de voeten dan met de geëxalteerde Schönberg van opus 8.

Alcina, van Handel, door Les Arts Florissants, Renée Fleming, Susan Graham e.a., o.l.v. William Christie. Erato.

Alcina, de tragische heks die in de gelijknamige opera van Handel verstrikt raakt in haar eigen kunsten, hoort tot de Handelpersonages die door de meester zijn bedeeld met aria's in de categorie Absoluut Geniaal. De vraag is meestal, welke coryfee de aria's om zeep komt helpen. Misplaatste vraag, ditmaal. William Christie, barokspecialist, ziet voor de hoofdrol af van pseudo-authentiek Handelgepiep, maar heeft ook het gevreesde alternatief (Handelgegalm) omzeild. Zijn vondst is Renée Fleming, Groot Amerikaans Operasopraan. Zij blijkt zich heel wel naar Handel te plooien, en wendt de alt-tinten in haar stem met grote intelligentie aan. Haar lezing van Alcina's slotaria 'Mi restano le lagrime' is een meesterstuk.

Meer over