InterviewHedy d'Ancona en Maja van Hall

‘Door onze verliezen zijn we veranderd. Maar zolang we het kind in ons behouden, is er hoop’

Strijdbaarheid kenmerkt de vriendschap tussen beeldhouwer Maja van Hall (82) en ex-politicus Hedy d’Ancona (83). Hoe gaan zij om met verlies in hun leven? D’Ancona’s man stierf  in 2018: ‘Hartverscheurend.’ De partner van Van Hall,  Eylard, lijdt aan alzheimer: een langzaam vertrek. 

Hedy d'Ancona en Maja van Hall.Beeld Anouk van Kalmthout

Tegen het einde van het gesprek loeit de wind zo hard om het appartement in Noordwijk dat zelfs een thriller-regisseur ervan zou verbleken. ‘Ik zit hier in een vuurtoren’, zegt Maja van Hall droogjes.

Het gaat dan over de dood.

‘In de eerste fase van rouw zit ik helemaal niet zo in de put’, zegt Hedy d’Ancona. ‘Je denkt: de dood is maar tijdelijk. Dat loopt zo’n vaart niet. Met Aatje had ik dat ook. Tot je je begint te realiseren dat het onomkeerbare toch echt onomkeerbaar is. Hij is weg. Voorgoed weg. Dat is behoorlijk, eh, lullig. Of laat ik maar gewoon zeggen: dat is een hartverscheurende gedachte.’

Aat Veldhoen, de man van Hedy, overleed ruim anderhalf jaar geleden. Eylard van Hall, de man van Maja, is dementerend en verblijft in een verpleeghuis, een kleine honderd meter verderop. Ze mogen dan afwezig zijn, hun présence is de hele middag voelbaar. Gaandeweg het gesprek zal de ruimte zich vullen met tal van andere afwezigen – die wonen in de hoofden van de twee vriendinnen.

‘Weet je wat ik wel een mooie gedachte vind?’, zegt d’ Ancona. ‘Dat je eigenlijk nog een beetje leeft zolang mensen jou herinneren. Pas als je door iedereen op de wereld bent vergeten, ben je echt dood.’

Ergens halverwege de jaren zeventig, waar of wanneer weten ze niet meer precies, troffen ze elkaar voor het eerst – in een vrouwenpraatgroep.

Van Hall: ‘Hedy d’Ancona was een grote naam in het feminisme. Zij was de vrouw achter MVM (Man Vrouw Maatschappij), Opzij, en later natuurlijk in de politiek, voor de Partij van de Arbeid. Ik bewonderde haar. Wat mij aantrok was: haar bereidheid om te strijden. Die had ik ook! Maar ja, dan was je algauw een kenau. Hedy had ook humor, en zelfspot. Bij die vrouwenpraatgroep zag ik haar binnenkomen met een halfje bruin in haar tas. Dat vond ik zo leuk!’

D’Ancona: ‘Ik wilde laten zien: kijk, ik verwaarloos heus het thuisfront niet. Dat halfje bruin viel niet zo op – ik had beter een bos prei uit m’n tas kunnen laten steken. Maar goed, we spraken toen met z’n allen af dat we niet zouden gaan zitten zeuren over onze privéomstandigheden, maar over de redenen waarom vrouwen met werk het moeilijker hadden dan mannen met werk. Omdat die mannen hun gezinsplichten al hadden vervuld als ze een foto van vrouw en kinderen op hun bureau hadden staan.

‘Ook voor Maja was het best ingewikkeld om haar werk te combineren met wat er van je werd verwacht als huisvrouw en moeder. Ze was toen al een bijzondere kunstenaar, passend in het rijtje met grootheden als Charlotte van Pallandt en Pearl Perlmuter. Vrouwen in de kunst mobiliseerden zich in die tijd, omdat ze totaal werden verwaarloosd. De Filosloof, een beeld van een stofzuigende vrouw van Maja, was eigenlijk een aanklacht.’

Van Hall: ‘Ik wás ook aan het stofzuigen toen ik op dat idee kwam. Ik trad min of meer buiten mezelf, zo van: já tuthola, je hebt de academie gedaan en alles geriskeerd voor de kunsten, en wat doe je nu? Anderen namen mijn werk ook niet altijd even serieus. Die zagen het als een zondagsclubje. Zo beledigend. ‘Boetseer jij nog?’, vroeg een collega van Eylard mij eens. Ik zei: ‘Ja, werk jij ook nog?’

Hoe kijkt Van Hall naar Aat Veldhoen?

‘Hij was een collega wiens werk ik ontzettend goed vond. Maar ook omdat hij zich als beeldend kunstenaar niets aantrok van kritiek of stromingen – hij maakte de schilderijen en tekeningen die hij wilde maken. Ik had een fascinatie voor zijn zelfstandige denken, voor zijn autonomie. Want daar is moed voor nodig. Aatje was ook stout, heerlijk stout. Ik vind dat de mens bij al zijn veranderingen het kind in zichzelf niet moet vermoorden. Aatje heeft dat overduidelijk nooit gedaan. Hij kon zich om de kleinste dingen verkneukelen. Op een dag liepen we samen zijn huis uit, de deur sloeg achter hem dicht. Hij begon ontzettend te lachen: de sleutels lagen binnen. Leuk, zei hij, avontuur!’

D’Ancona: ‘Voor Aatje was zijn werk het allerbelangrijkste, hij werkte altijd. Maar hij was ook een levenskunstenaar. Ik heb geen man gekend die zo lang verliefd kon blijven. Aatje was van de cadeautjesstorm. Zo noemde hij dat. Ik vond het heel bijzonder dat hij dat volhield in de 23 jaar dat we samen waren. Voor hem was het bijzonder dat hij verliefd werd op mij, op een vrouw met een eigen bestaan. Want vóór mij had hij altijd kunstenaarsvrouwen gehad, die primair de echtgenoot ruimte gaven om te creëren.

Weerzin over kapitalisme 

‘Aatje had ook stokpaarden. Geen mogelijkheid liet hij voorbijgaan om zijn weerzin te uiten over het kapitalisme, godsdienst of het koningshuis. Op een dag gaf hij me een ketting waaraan de Italiaanse euromunt hing. Daarop staat Da Vinci afgebeeld. Het was de bedoeling dat mensen aan mij zouden vragen wat er aan die ketting hing, en dat ik dan Aatjes verhaal zou ventileren. Dat kwam erop neer dat de meeste beschaafde lidstaten via hun munten eer bewezen aan hun culturele iconen. Maar de paar die nog een koningshuis hadden, moesten het doen met ‘de achterlijke kop van zo’n koning’. Waarom zat op onze munt geen Rembrandt of Van Gogh? Jammer voor hem: niemand heeft het me ooit gevraagd.’

Maja van Hall.Beeld Anouk van Kalmthout

Hoe kijkt D’Ancona naar Eylard van Hall?

‘Eylard was de lieveling der feministen. Als hoogleraar gynaecologie was hij in de jaren zeventig en tachtig heel vooruitstrevend en baanbrekend, zeker waar het ging om zijn specialisme, vruchtbaarheidsproblematiek. Hij honoreerde bijvoorbeeld de moederwens van lesbische paren. Ik herinner me uit die tijd een spotprent van Len Munnik op de achterkant van Opzij: een chique slee waaraan zo’n enorm, patserig jacht was gekoppeld dat de naam droeg: De Lachende Baarmoeder. We dachten kennelijk dat gynaecologen rijk werden van de overbodige bemoeienis en ingrepen als het ging om onze baarmoeders. Eylard behoorde niet tot die categorie. Hij was een aantrekkelijke, empathische man met een briljante carrière.

Van Hall: ‘Eylard was de grote animator van mijn werk. Eigenlijk vond hij mijn beelden nog belangrijker dan zijn eigen carrière. Ik heb veel aan hem te danken. Eylard was mijn muze. Is.

‘Het is moeilijk, wat ik nu meemaak. Het langzame vertrek van een geliefde, na meer dan zestig jaar... Eigenlijk ben ik al in de rouw. Eylard, de echte Eylard, is er niet meer. Alzheimer is als een dief in de nacht ons huis binnengeslopen. Iedere keer waren er weer momenten van: hé, wat gek, hoe kan hij dat nou vergeten zijn? Tot hij zelfs de kinderen door elkaar husselde. Hij heeft zich laten onderzoeken, want hij merkte zelf ook dat hij verward raakte. Eylard zei voortdurend: als ik ga dementeren, maak ik er een eind aan.’

D’Ancona: ‘Ik heb met Eylard een tijdlang in een actiegroep voor een vrijwillig levenseinde gezeten. Wij maakten ons sterk voor een verandering in de wet: hulp bij zelfdoding mocht niet langer strafbaar zijn. En als jij meent dat jouw leven voltooid is na je 70ste, moet je eruit kunnen. Deze regering met die twee christenfundamentalisten hebben dat wetsontwerp min of meer van tafel geveegd. Maar als je eenmaal alzheimer hebt, wordt het ingewikkeld. Het probleem is dan dat met die beslissing te lang wordt gewacht.’

Van Hall: ‘Na de diagnose vroeg ik Eylard: wil je liever dood? Toen zei hij, heel stellig: ‘Neeee!’ Maar hij was al niet helemaal helder meer. Op aandrang van onze zonen zijn we twee jaar geleden verhuisd naar dit appartement, ook in hartje Noordwijk. Toen viel ik op hem. Boem. Net als zestig jaar geleden, zal ik maar zeggen, maar nu vrij letterlijk. Ik brak mijn heup. Tijdens mijn verblijf in het ziekenhuis moest Eylard noodgedwongen naar het verpleeghuis. Ik ben hem gaan opzoeken. Hij had het daar zó naar z’n zin! Heerlijk vond-ie het, allemaal mensen die naar hem luisterden. Een gelukkige zieke.’

‘Ik moet nu lachen. Ja zeg, wat moet je anders? Ik zoek altijd de gekke kant. Die val zie ik nog helemaal voor me. Ik moet daar eens een tekening van maken, voor de kinderen. Nog vóór ‘corona’ kreeg ik een groot cadeau van het verpleeghuis: ik mocht een hele dag bij hem zijn. Nou, daar is geen reet aan! Er is geen normaal gesprek meer met Eylard te voeren. Na een uur was ik al helemaal klaar: wie komt mij hier redden?’

Hilariteit. Maja steekt een sigaret op met een barbecue-gasaansteker.

‘Ik mis hem’, zegt ze. ‘Elke dag. Hij was mijn maatje, hè. Ik mis zijn glasheldere denken. Ik mis zijn humor. Ik mis de onderlinge spanning – we waren zo aan elkaar gewaagd. Nu is hij overgeleverd aan die ziekte. Heel afschuwelijk, hoor. Ik zou hem tijdig waarschuwen om er een einde aan te maken als de ziekte hem zou overmeesteren. Dat had ik beloofd. Ik heb het niet kunnen volbrengen. Omdat ik te veel van hem hield. Omdat ik medelijden met mezelf had.’ Ze glimlacht. ‘Ik wilde hem bij me houden, zo lang mogelijk.’

D’Ancona: ‘Ooit heeft Aatje hem geschilderd. Die heeft talloze schilderijen en beelden gemaakt van vrouwen. Het vrouwenlijf – oud en jong – vond hij mooi. Mannen vond hij interessanter als ze aangekleed waren, liefst in een beroepspak. Eylard poseerde dus voor hem in toga met zo’n bijbehorende pet. Aatje zei: je moet een boek in handen nemen, want je bent een man van de wetenschap. Eylard had een eigen boek meegenomen waar groot ‘Van Hall’ op stond, heel ijdeltuiterig. Daar heeft Aatje tijdens het schilderen ‘Céline’ van gemaakt, vanwege diens proefschrift over kraamvrouwenkoorts. Vond-ie beter. Het is een prachtig schilderij geworden.’

Ze leerde Veldhoen kennen in 1997. Zeven jaar later kreeg de kunstenaar een eerste herseninfarct.

D’Ancona: ‘Zijn geest was ongebroken, zijn verstand bleef intact, maar zijn lijf liet het een beetje afweten. Aatje was een enorme verhalenverteller, je lachte je suf, maar na dat infarct was het afgelopen met de vlotte babbel. Zijn rechterhand was uitgeschakeld. Terwijl hij alles met rechts had gedaan! Toen ging hij met links tekenen. Na twee jaar kon je het verschil in zijn werk al niet meer zien. Aatje was daar nooit neerslachtig over. Integendeel: ik vond dat hij er heldhaftig mee omging. Ik ben ook geen type dat een depressieve patiënt jarenlang terzijde kan staan. Als mijn aanwezigheid geen verschil meer maakt, als ik geen reden tot vrolijkheid en luchtigheid meer ben, dan zou ik denken: tja, laat maar zitten. We hebben nog veertien jaar een heerlijke tijd gehad.’

Van Hall houdt zich groot, ondanks het feit dat haar vitaliteit een stuk minder is geworden. Haar heup is hersteld, maar ze heeft ook een gebroken ruggenwervel en gebruikt pijnstillers. Bewegen gaat moeizaam.

‘Ik pas me aan. Ik maak mezelf wijs dat ik nog steeds nieuwe, grote dingen maak. In mijn hoofd.’ Ze grijpt met haar vingers in denkbeeldige klei. ‘Als ik veel over beelden denk en praat, lijkt het alsof ze voor me staan. Het is een museum vol.’

Heeft ze nog kracht in haar vingers?

Ze reikt haar hand. Geeft een ferme handdruk. ‘Klein, maar sterk. Nog altijd.’ Ze lacht. ‘Ik moet nu denken aan een vakantie in Zuid-Frankrijk, in de zomer van 1954. Ik was 17 en had net eindexamen gedaan. Ik zit in een restaurant, La Colombe d’Or, vlak bij Saint-Paul-de-Vence. Ineens ligt naast mij een hand op tafel. Een klauwtje. Van een oude man. Hij wilde alleen maar laten zien dat hij ook zulke kleine handjes had. Het was Marc Chagall. Een heel mooie herinnering.’

••• 

Aat Veldhoen overleed op 9 december 2018, na een tweede herseninfarct.

D’Ancona: ‘Aatje nam zijn tijd. Hij lag nog tweeënhalve dag in het AMC. Zijn hart bleef kloppen, maar hij was er zelf niet meer bij. Ook al ben je zo innig verstrengeld als wij waren, waarbij je niet meer weet waar je zelf ophoudt en de ander begint. Maar je moet ook realistisch zijn. Het noodlot slaat niet toe als iemand van 84 doodgaat, zonder aankondiging, zonder lang ziekbed. Het noodlot slaat toe als je een kind verliest. Of: als je vader, na jaren concentratiekamp, op weg naar de vrijheid, op z’n 37ste alsnog sterft. Maar goed, het verliezen van Aatje was heel ellendig.’

In de rouw

Van Hall: ‘Ik had veel verdriet. Voor Hedy. De vraag is: kun je dan iets voor een ander betekenen?’ Ze zwijgt een moment. ‘Ik ben zelf heel lang in de rouw geweest – door het verlies van een kind. Ik zocht naar steun. Die is er niet. Verstrooiing... dat was het beste. Even vakantie van jezelf. Charlotte van Pallandt, collega-beeldhouwster, hielp me daarbij. Zij geloofde in het soefisme, in Inayat Khan – mensen leven na de dood voort als geesten. Het blijft moeilijk. Als ik eraan denk, ga ik huilen.’

Haar dochter Eva overleed in 1974 aan de gevolgen van koolmonoxidevergiftiging. Eylard sprak erover in een interview met Bibeb van Vrij Nederland, in december 1980:

‘Zes jaar geleden hebben we ons dochtertje verloren. Ze was 7 jaar. Ze speelde bij een vriendinnetje, gingen samen in het bad. Na een tijdje kwam de moeder kijken. Ze waren allebei dood. De ventilatie werkte niet goed.’

Negen maanden later sprak Van Hall zelf met Bibeb:

‘Er stopte een ambulanceauto. Op straat, voor het huis lag glas, een gebroken ruit. De deur was half open. Iemand zei: je moet niet naar binnen gaan, probeerde me tegen te houden. Ik werd overvallen door een verschrikkelijke angst. ‘Ik kom Eva halen’, riep ik en rende de gang in. Daar lagen ze op een bank, onder een laken.’

‘In die tijd probeerde Eylard van alles om mij te troosten, om bij me te komen’, zegt Maja nu. ‘Maar je bent niks waard voor elkaar. Verdriet is niet sexy, hè. Verdriet maakt je lelijk en onbereikbaar. Aan dat lelijke kun je niks veranderen, maar aan het onbereikbare wel. Door de ander maar gewoon zijn eigen onbereikbaarheid te gunnen. De meeste mensen gaan dan uit elkaar.’

Waarom zij niet?

‘Omdat we dat niet wilden.’

Heeft ze de moeder die op Eva paste ooit vergeven?

‘Nou ja, na een tijd. Daarin heeft Eylard een rol gespeeld. Die bracht haar naar me toe! Zonder waarschuwing vooraf – hij zette me voor het blok. Ik was razend, natuurlijk. Maar ik zag die vrouw en dacht: zij heeft net zoveel verdriet als ik. Klaar.’

D’Ancona: ‘Haat helpt je niet van verdriet af. Heel knap dat Eylard het kon opbrengen om door de ogen van die moeder te kijken. Ook zij had een kind verloren, ook zij moest lijden, maar zij ging ook nog eens gebukt onder een enorm schuldgevoel. Dat is gruwelijk. Dat is bijna niet te dragen. Eylard begreep dat. En hij hielp Maja op die manier een begin te maken met de vergeving. Hij had empathie, compassie – woorden die eerder bij vrouwen horen.’

Ze kijkt naar Van Hall. ‘Ik kende jou nog niet. Ik kende wel je werk: beelden van vrouwen met windsels om zich heen. Later maakte je ook een beeld waarbij die waren doorgeknipt. Dat vond ik prachtig. Dat was: de verlossing, de ontsnapping aan de dodelijke omhelzing van verdriet. Hoe kloterig het leven ook is: er is een way out. Maar je moet het wel zelf doen, zelf de way out forceren. Dat deed jij.’

Van Hall: ‘Die beelden waren natuurlijk zelfportretten. Ik schrok er enorm van. Dit laat ik aan niemand zien. Te privé. Wat gaat dit een ander aan? Maar mijn galeriehouder vond ze zo mooi dat hij ze toch wilde tentoonstellen.

‘Met een beeld of een tekening kon ik mij uiten. Ik dacht wel: wat erg als je zo’n mogelijkheid niet hebt! Dat medelijden had ik ook met Eylard. Begrijpelijk dat hij wilde praten over ons kind – hij had alleen de taal.’

De naam Eva noemt ze niet.

Ze glimlacht. ‘Omdat het me pijn doet. Het is alsof het gisteren is gebeurd, dat is het erge. Mijn herinnering aan die dag is grijs. Rommelig. Maar ze is bij me. Ik hoor haar. Ik zie haar. Ik voel haar. Ze had veel humor. Kleine grapjes. Eylard in de maling nemen, dat was een sport van ons samen. Eylard liet makkelijk met zich sollen – een heerlijk slachtoffer.

‘Lang geleden heb ik een zusje verloren. Door een ongeluk. Ze was 7 jaar. Oók 7. En: zeven jaar jonger dan ik. Ik zag het ontroostbare verdriet van mijn ouders. Die herhaling maakte het verlies van mijn eigen kind extra moeilijk. Mijn moeder was Zwitserse. Ze zei iets over nicht klein machen. Laat je niet klein krijgen. Dat heb ik als kind al besloten. Het hielp mij als moeder door die zware tijd. Laat je niet klein krijgen. Door niets.’

Hedy d'Ancona.Beeld Anouk van Kalmthout

••• 

Nu de twee mannen in hun leven niet langer aanwezig zijn, is het contact tussen de vriendinnen intensiever geworden. Ze bellen meerdere keren per week en zoeken elkaar regelmatig op.

D’Ancona: ‘In de afgelopen maanden was het directe contact natuurlijk even onderbroken, maar we hebben die corona eigenlijk vrij vrolijk uitgewuifd. Maja kreeg in juni een koninklijke onderscheiding. Toen zag ik haar weer, in een strandtent, met 22 gasten. Het was een verrassing.’

Van Hall: ‘Ik wist van niks! Ik ben zo’n oen.’

D’Ancona: ‘Maja is nu officier in de weet-ik-veel-wat. Ik geef er niet zo om. Zelf ben ik ook iets koninklijks, dat gaat automatisch zo als je minister bent geweest. Ik zou bij god niet weten wat, maar Maja is veel hoger.’

Van Hall: ‘Ik mag nu niet meer worden tegengesproken.’

D’Ancona: ‘Ik heb ook een legion d’honneur. De Franse socialisten van mijn fractie in het Europees Parlement vonden dat ik die moest krijgen vanwege mijn internationale bemoeienis met de situatie van vrouwen. Dat vind ik wél leuk.’

Wat zijn hun diepste drijfveren? Pijn en verlies hebben de kunstenaar Van Hall nadrukkelijk gekneed. In hoeverre geldt hetzelfde voor de politicus d’Ancona?

D’Ancona: ‘O, ik herken dat zeker! Ik kan niet van elke politicus zeggen dat zijn standpunten verankerd liggen in zijn persoonlijke geschiedenis, maar bij mij is dat wel zo. Door het lot van mijn Joodse vader, en een halfzusje van vier dat meteen in Auschwitz werd vermoord. Ik had het gevoel: als ik de politiek inga, is het om mijn eigen ervaringen en verdrieten en verontwaardigingen om te zetten in actie. Mijn hoofdpunten waren: discriminatie, racisme, antisemitisme, vrouwenbevrijding. Die drive heb ik altijd gevoeld. Maja ook. Zij kon haar innerlijke drang tastbaar maken – in brons, of klei. Dat is wel fijner, natuurlijk.’

Het contact tussen de vriendinnen is intensiever geworden.Beeld Anouk van Kalmthout

Had de politicus dan niet liever een leven willen leiden als schilder of beeldhouwer?

Ze lacht. ‘Jaaa, dat zou ik veel liever zijn geweest. Gelukkig heb ik daar nooit één moment serieus over hoeven nadenken. Maar politiek is niet het enige wat je beweegt, hè. Het is je geest. Het is je verontwaardiging. Daar begint het mee. Die voel ik nog steeds! Als je 82 bent en je denkt: laat maar zitten... Foute boel! Dat is het beeld van de ouderdom waaraan Maja en ik ons zo ergeren.’

Van Hall: ‘Schei uit. Al die zegels die ze op ons plakken!’

D’Ancona: ‘Saai. Zielig. Behoevend. Eenzaam. Je moet altijd ‘met compassie’ naar ouderen kijken. Dat vind ik al erg. Waarom? Ouderen moeten ’t net zo goed verdienen. Wij eisen, net als in onze feministische tijd, een gelijkwaardige behandeling. Dan moet je zelf natuurlijk niet als een oud theezakje in de hoek gaan zitten. Dan komt er niemand naar je toe. Nee, je moet verontwaardigd kunnen zijn! Aatje kon zich ook altijd blijven opwinden over het onrecht in de wereld. Je moet anderen aansteken, opjutten!’

Van Hall: ‘Ik ben 82 jaar, maar er zijn momenten dat ik mij veel jonger voel. Dat ik weer even die mateloze energie heb. Ik kan overal werken. De wereld zit in je hoofd, dát is je atelier.’

D’Ancona: ‘Laatst voelde ik me heel even piepjong. Ik zag voor het eerst mijn geboortebewijs. Met de leeftijden van mijn beide ouders. Ineens had ik weer een vader en een moeder! Het was net of ik opnieuw werd geboren – op m’n stokoude dag. Verder voel ik me gewoon 82 jaar. Ook in m’n kop. Ik hoef helemaal geen 26 jaar meer te zijn. Als je dat heel erg vindt, moet je jong doodgaan.’

Hoe kijken ze zelf naar de eindigheid?

Van Hall: ‘Ik hoop dat de dood zachtjes komt.’

D’Ancona: ‘Ik ben er niet fulltime mee bezig. Denk er wel regelmatig aan. Niet verlangend, maar realistisch. Ik heb geen zin om straks tegen de deur van een arts te moeten bonzen: ‘Hallo? Vindt u mijn lijden al erg genoeg? Mag ik weg?’ Net als wij feministen strijd voerden voor baas in eigen buik, ben ik nu graag baas over mijn eigen lijf. Mag ik het zelf zeggen? Het is míjn leven. Ik heb dus maatregelen genomen. Daar laat ik het bij.’

Van Hall: ‘Tot m’n 15de geloofde ik heilig in een leven na de dood. Want zo ben ik opgevoed: Nederlands Hervormd. Een broer van mij is dominee. Ik heb het geloof al lang geleden afgezworen. Dood is dood. Een hereniging later met mijn dochtertje...’ Ze slikt. ‘Ik zou me er graag mee troosten, maar ik geloof er niet in.’

D’Ancona: ‘Ik zou daar helemaal geen troost uit halen – de gedachte aan een hereniging met Aatje. Er moet een einde aan zitten. Schoonheid bestaat bij de gratie van de tijdelijkheid, van de vergankelijkheid. Ik heb ongekend rijke herinneringen, maar die tijd is voorbij. Het huis van Aatje is verkocht. Het staat nu leeg. Er was laatst een maandenlange tentoonstelling van zijn werk in museum Kranenburgh in Bergen. Ik ben er verschillende keren geweest – prachtige reacties gehoord. Dat is troost. Maar na de expositie krijg je een briefje van de transporteur: we komen de spullen die van u zijn terugbrengen. Dan is het weer stil rondom Aatje, en dan is hij weer een beetje verder weg. Zo gaat het.

‘Kort geleden stuurde iemand mij een prachtig, kort essay van Franz Kafka. Hij schrijft dat hij een huilend klein meisje in het park tegenkwam. Ze was haar pop kwijt. Kafka troost haar met een verhaal dat de pop niet voorgoed weg is, maar op reis is gegaan. Dan begint hij dat meisje briefjes te schrijven, die geeft hij haar, zogenaamde reisbrieven van haar pop. Op een dag voelt hij zijn einde naderen en koopt een andere pop voor haar. ‘Maar die lijkt helemaal niet op mijn oude pop!’, zegt het meisje. Kafka schrijft dan een briefje waarin de pop uitlegt dat het vele reizen haar zo veranderd heeft. Jaren later, als het meisje een volwassen vrouw is geworden, vindt ze in die pop nog een verborgen briefje. Everything you love, will probably be lost. But in the end, love will return in another way. Nou, vind je dat niet beeldschoon?’

Maja knikt. ‘Door onze verliezen zijn we veranderd. Maar zolang we het kind in ons behouden, is er hoop.’ 

Hoe besta je na?

Een dierbare sterft. En dan? In de onregelmatig verschijnende serie Hoe besta je na? spreken Frénk van der Linden en Pieter Webeling met mensen die een geliefde, kind, ouder of goede vriend(in) hebben verloren. Met welke herinneringen blijven we achter? Hoe rouwen we? Staat God ons bij? Is het mogelijk om een groot persoonlijk verlies betekenis te geven?

Meer over