beeldende kunst

Door bewakers in te zetten als klussers heeft museum MuZee een metamorphose ondergaan

In vier maanden tijd is het museum in Oostende, dat was dichtgeslibd met ‘white cubes’ en 'black boxes’, compleet veranderd.

MuZee in Oostende. Beeld Nikki Lucy
MuZee in Oostende.Beeld Nikki Lucy

Het nieuwe MuZee draagt de sporen van het oude MuZee. Op het vloertapijt van het Oostendse museum tekenen de plekken waar in vroegere tijden de tussenwanden stonden zich donker af. Men had tijd noch geld om die sporen te verwijderen, en daarom besloot men ze te omarmen: door ze met krijt te omlijnen ontstond een niet onaantrekkelijk decoratief patroon. De nieuwe opstelling van het Belgische kunstmuseum grossiert in zulke gewiekste vondsten.

De herinrichting, vertelt directeur Dominique Savelkoul (57) tijdens een rondleiding, werd mede ontwikkeld door het Brusselse architectencollectief Rotor en werd voltooid binnen de ontzagwekkend korte tijdspanne van vier maanden. Eind januari begon men aan de klus; eind mei was het klaar. Door bestaand materiaal te recyclen en de museumbewakers in te zetten als gelegenheidsklussers bleef het Vlaamse museum binnen de reguliere jaarlijkse begroting. Bestond er een prijs voor het meest efficiënte museum, dan verdiende MuZee hem.

Het gebouw in kwestie is het voormalige Coo-warenhuis uit 1948, een door Gaston Eysselinck (1907-63) ontworpen, socialistisch geïnspireerde handelszaak voor voeding, kleding en meubels. Tienduizenden Oostendenaren deden er indertijd hun inkopen. Tenminste enkele honderden werkten er als ‘Mamzel’, zoals kassiers destijds heetten. De Coo ging failliet in 1981, maar vond een herbestemming als museum.

Toen Savelkoul er in maart 2020 aantrad als interim directeur trof ze een ‘geweldig (maar gekwetst) team’ en een ‘verpieterd gebouw’. Het probleem zat deels in achterstallig onderhoud. Het zat hem ook in het interieur, dat de afgelopen 35 jaar volledig was dichtgeslibd. MuZee was een wildgroei aan ‘white cubes’ en ‘black boxes’; een gebouw waarvan de oorspronkelijke structuur met de jaren meer uit zicht raakte, een plek waar men verdwaalde. Savelkoul: ‘Het leek alsof men schrik had voor de lege ruimte. Het oogde allemaal zeer claustrofobisch.’ Corona schiep de mogelijkheid het roer per direct om te gooien.

De gevel van MuZee in Oostende. Beeld
De gevel van MuZee in Oostende.

En dus werd het voormalige warenhuis deels in zijn oorspronkelijke luister hersteld. De rommelige kabinetten werden verwijderd en de monumentale raampartijen vrij gemaakt, zodat het licht rijkelijk binnenvalt, een van de onderscheidende kwaliteiten. Ook werden de dichtgemetselde pakketbootbalkons opengewerkt, evenals een van de zes fraaie, modernistische trappen, die nu weer vrij in de ruimte staat. Op de balustraden, ten slotte, werden planken schuin gemonteerd, die als ondergrond kunnen dienen voor eventuele tekenaars.

Het gebouw, zegt Savelkoul, speelt door deze ingrepen opnieuw een hoofdrol: ‘Het ademt weer. Er zit lucht in. Het oogt eerlijk, vrij van poespas.’

In dit hernieuwde interieur, vertelt de directeur, zal men zich de komende jaren vooral gaan richten op de eigen collectie. Geen peperdure blockbusters of spraakmakende aankopen, maar doordachte wisselpresentaties van de meer dan achtduizend kunstwerken uit eigen bezit.

De opstelling van MuZee, zegt Savelkoul, is bijzonder omdat ze welbeschouwd de enige in België is die een overzicht biedt van de eerste generatie Vlaamse moderne kunstenaars tot heden. Anders dan bij bijvoorbeeld de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel, die internationaal georiënteerd zijn, gaat het hier om Belgische kunst en Belgische kunst alleen.

Het is geen compleet overzicht, licht conservator Mieke Mels toe. Representatief werk van de beroemde surrealist René Magritte ontbreekt bijvoorbeeld (Mu.Zee bezit één vroeg – onherkenbaar – werk van hem), en met het huidige aankoopbudget van 300 duizend euro per jaar lijkt het niet waarschijnlijk dat men er snel nog een zal bemachtigen, al is een bruikleen natuurlijk altijd mogelijk. Het is niet zo erg, stelt Mels. Wie streeft naar volledigheid, zegt ze, faalt per definitie.

Bovendien is het werk dat men wel heeft van hoge kwaliteit. Het begint met de twin peaks van de kunst in Oostende, James Ensor en Léon Spilliaert, en gaat vandaar via de jongens van de Latemse school (De Smet, Permeke) en die van de Nieuwe Figuratie (Raveel, De Keyser) richting de huidige tijd: Sammy Baloji, Pascale Marthine Tayou en de onvermijdelijke Luc Tuymans.

Er zijn zwaartepunten in de opstelling aan te wijzen, zoals de rijke aanwezigheid van kunstwerken met, zoals men het volgens Savelkoul in Oostende noemt: ‘een hoek eraf’: apart, ongerijmd, neigend naar het surrealisme.

Een andere karakteristiek hier is de aandacht voor onopgemerkte vrouwelijke kunstenaars, die volgens Savelkoul talrijk zijn. Zelf is ze bijvoorbeeld onder de indruk van het werk van de neo-impressionistische schilder Anna Boch. Boch, die verscheidene zeegezichten schilderde in Oostende, maakte deel uit van de kunstenaarsgroep Les Vingt en was een promotor van Vincent van Gogh, maar toch is haar werk buiten België niet zo bekend: ‘We willen daar verandering in brengen door op termijn een tentoonstelling over haar te tonen.’

Duurzaam museum

De nieuwe opstelling is ook duurzaam. Al het verwijderde materiaal, vertelt de directeur, ‘werd gerecupereerd’. Een deel is aan een Kunsthal in Antwerpen geschonken. Een ander deel werd voor eigen gebruik verzaagd tot L-vormige delen, sommige met de hoeken van de deurposten er nog in. Ze staan verspreid door de ruimte, als op een beurs, en dienen als muren voor de schilderijen.

Meer over