Doodskunstenaars

Vijfhonderd jaar menselijk lichaam – het Nationalmuseum in Stockholm putte voor een ambitieus overzicht uit kunst én wetenschap. Van de 17e-eeuwse anatomische lessen van Frederik Ruysch tot de lapdances op MTV nu - de obsessie met het lichaam is vaak een poging de dood te bezweren....

Wieteke van Zeil

Of de ziel er al helemaal uit verdwenen was, wisten de 17de-eeuwse artsen die in Holland lijken opensneden niet zeker. Daar werd flink over gediscussieerd. Doden, meestal misdadigers, werden in Amsterdam vanaf 1691 openbaar onderzocht in het Theatrum Anatomicum in de Waag. Om deze praktijken te legitimeren, hangt er een gedicht van Barlaeus: ‘Kwaaddoeners, schadelijk aan ’t Menschelijk geslagt/ verstrekken nog tot nut als sij zijn omgebragt’. De anatomische lessen dienden immers een belangrijk doel: ‘Toehoorder leer hier uijt u eigen zelf ontdekken’.

Het lichaam als middel tot zelfkennis. Maar volgens biograaf Luuc Kooijmans had de medicus Frederik Ruysch met zijn preparaten en anatomische lessen in het theater nog een ander doel. Meerdere malen werd Ruysch geprezen, en prees hij zichzelf, om de manier waarop hij dode kinderen en volwassenen zo levendig presenteerde, ‘alsof zij slapen’. De ‘doodskunstenaar’ had jaren geoefend om met zijn technieken de dood schijnbaar te overwinnen – werkend tussen stinkende lijken, snijdend in nog levende honden, en experimenterend met was, balsem en alcoholpreparaten.

Ook de schilder die Ruysch met zijn collega’s in 1670 aan de snijtafel portretteerde, deed zijn uiterste best om het lijk niet als het rottende kadaver van een terechtgestelde weer te geven, zo blijkt in de tentoonstelling The Body. Art and Science in het Nationalmuseum in Stockholm. Als een bleke jonge Adonis ligt het studieobject op tafel, in een sensuele slaap met één been half opgetrokken – een houding die zelfs preparateur Ruysch niet voor elkaar kon krijgen bij een dood lichaam. Maar een mooie reclame voor zijn nieuwe balsemtechniek was het wel.

In Stockholm hangt het schilderij bij ‘kunstwerken’ van de medicus: een klein babyskelet, een zachtroze foetus, slapend op zijn placenta op sterk water. Een Amsterdams kinderarmpje, afgewerkt met een kanten doek op de plek waar het is geamputeerd. Op een van zijn tekeningen dansen lachende babyskeletten om een stapel eivormige ballen in een landschap – een beeld dat zich nauwelijks serieus laat nemen als wetenschappelijke studie.

Met ruim 280 objecten uit vijfhonderd jaar (kunst-)geschiedenis over het menselijk lichaam heeft het Nationalmuseum zich nogal wat op de hals gehaald. Een groot project over zelfkennis én over het verlangen de dood te bevechten, zo blijkt. Kunst en wetenschap gaan grotendeels hand in hand in deze queeste.

Het lijkt bijna te ambitieus. Maar als er één onderwerp is dat zich leent voor een presentatievorm waar museaal Nederland het al zolang over heeft – een geïntegreerde opstelling van kunst en geschiedenis – dan is het wel het lichaam van de mens. De drager van leven en dood, identiteit en ziel, die zich bovendien niet makkelijk laat kennen. En daarom favoriet object is voor wetenschap, kunst en religie.

De wetenschap en kunst van enkele eeuwen geleden wáren geïntegreerd, zo is in het Nationalmuseum te zien. Een combinatie van objecten is dus niet altijd noodzakelijk, want die is in veel objecten zelf al aanwezig. Frederik Ruysch stond niet alleen met zijn esthetische skelettenlandschapjes. De Deense anatoom Caspar Bartholin tekende in zijn Institiones anatomicae (1645) doodleuk de klassieke sculptuur Torso Belvedere na, maar dan met de buik open en de genitaliën doorkliefd, ter studie van de innerlijke details. In andere boeken nemen anatomische vrouwen de beschaamde houding van Botticelli’s Venus aan of wandelen ontvelde lichamen met hun huid aan de hand door een lieflijk landschap.

Andersom hielden kunstenaars zich intensief bezig met wetenschap en sneden enkelen, zoals natuurlijk Leonardo da Vinci (maar ook de full time kunstenaar Michelangelo!) zelf lichamen open om de binnenkant te bestuderen. Als je die tekeningen nu ziet, zoals de twee studies van Leonardo in Stockholm, zou je door hun schoonheid haast vergeten dat de tekenaar dagenlang tussen het stinkende vlees en de rottende organen doorbracht om tot zijn mooie beelden te komen.

Maar hoe gepast het onderwerp ook is voor een cultuurhistorisch overzicht, het is wel héél breed. Een tentoonstelling over vijf eeuwen lichaam is toch eigenlijk net zoiets als een tentoonstelling over menselijke emoties. Waar begin je? Wat kan je vertellen? En hoe laat het een zich met het andere vergelijken?

Het Nationalmuseum snijdt veel dingen aan, sommige noodgedwongen wat kort, en alles in slechts drie zalen en vijf kleine kabinetten. De samenstelling doet een groot beroep op de bezoeker, want veel zaalinformatie is er niet. Dat begint al als je binnenkomt: zonder enige introductie zie je voorwerpen uit uiteenlopende tijden die elk een andere kant op lijken te wijzen. Wat onwennig staan ze naast elkaar: een blote Marina Abramovic, dansend tot ze neerstort in de video Freeing the Body (1976), tegenover een 17de-eeuws schilderij van een osteologieles door Nicolaes Pickenoy. Een vanitasstilleven uit 1635 tegenover een afstotelijke behaarde tol met een tepel als draaipunt, van Per Wizén uit 1998. En in het midden het prettig verwarrende beeld Jambes Enlacées (1990) van Louise Bourgeois – twee Rodin-achtige benen in glinsterend klassiek marmer. In één blik vanaf de ingang zie je deze benen en die van het bevallige mannenlijk van Frederik Ruysch’ anatomische les, een zaal verderop.

Toch heeft het Nationalmuseum zich niet aan het onderwerp vertild. Die eerste zaal blijkt een ‘verstrooier’ – ieder onderdeel wijst naar een van de invalshoeken die in andere zalen terugkomen. Er ontvouwt zich in de tentoonstelling thematisch een ontwikkeling over zelfkennis-via-het-lichaam, zonder dat er noemenswaardige chronologie in de opstelling te ontdekken is. Dat is knap. Oude instrumenten en hedendaagse kunstwerken laten veranderingen zien in het lichaamsideaal van man en vrouw – met was, medische afdrukken, schetsen en romantische schilderijen – in de waardering en in kennis. In kleine kabinetten komen details aan bod zoals lichaamsafval (nagels, haren, sappen), huid, handen en ogen. Uiteindelijk scheiden kunst en wetenschap – vooral omdat beide disciplines interesse in elkaars middelen verloren. Wetenschappers hadden in de 19de eeuw geen behoefte meer aan tekeningen, en kunstenaars hadden weinig op met nieuwe technieken als de röntgenfotografie. Het laboratorium en het atelier werden twee verschillende werkplaatsen.

Maar kunst en wetenschap blijven elkaar vinden in één ding, het verlangen naar het bezweren van de dood, en zo ontmoeten ze elkaar toch weer in de 20ste eeuw – hoewel die hernieuwde interesse een beetje op eenrichtingsverkeer van de kant van de kunst lijkt.

Het geeft een frisse aanblik: een St.Sebastian van Perugino (1450-1523) naast een naakte danser van Sam Taylor-Wood (Brontosaurus, 1995), een 19de-eeuwse röntgentafel naast de cilinder waarin Mona Hatoum haar lichaam van buiten en binnen filmt door middel van de medische endoscoop en coloscoop (Corps étranger, 1995).

Maar als de mens al zo lang geobsedeerd is door zijn eigen lijf, waarom dan nu een overzicht? Er lijkt een trend gaande te zijn – het Nationalmuseum is bepaald niet de enige die nu komt met (medisch-)historische museumpresentaties over het lichaam. In 2000 presenteerde de Londens Hayward Gallery de megatentoonstelling Spectacular Bodies. In het Palazzo Poggi in Bologna is momenteel een keurig medisch-historisch overzicht te zien van anatomische kennis. Nederland is met behulp van een lekker geschreven wetenschappelijke biografie gefascineerd door Frederik Ruysch, en nieuwe lichaam-tentoonstellingen staan op stapel in Edinburgh en Nancy.

De beeldende kunst is zich al een tijdje bewust van het menselijk lichaam – al sinds de jaren zeventig houden kunstenaars zich er op steeds verschillende manieren mee bezig, als onderdeel en als doelwit. Dus daar kan het niet aan liggen. Het is niet de preoccupatie met het lichaam in de hedendaagse kunst waarop deze tentoonstelling is terug te voeren, maar juist een diepe preoccupatie met het lichaam in de héle samenleving. Sinds de lichaamsgerichte kunstperformances in de jaren zeventig is de manier waarop het lichaam een plaats krijgt in de maatschappij drastisch veranderd en vooral toegenomen.

Het lijf is het epicentrum van de cultuur geworden. The Body is daar, met zijn 19de-eeuwse ideaalschetsen en onaantastbare renaissancistische figuurstudies, volledig in geworteld. Via mediatechnologie kent de mens zijn lichaam, zoals in Mona Hatoums Corps étranger zo sterk wordt ingewreven. Dat gegeven laat de tentoonstelling niet ongenoemd, maar het wordt hoofdzakelijk getoond door middel van kunstwerken. Terwijl het juist de populaire media zijn die de samenleving tot lijf- en vleescultuur bombardeerden – zie de voortdurende lapdance van jong en strak bloot op MTV en de ontelbare schoonheids- en makeover-programma's.

Kent de mens zichzelf beter sinds het lichaam in alle verschijningsvormen via de media naar ons toegeworpen wordt? Geven de close up-beelden van de vele medische programma's inzicht? De Extreme Makeovers misschien? Of de detailflitsen van schotwonden en barstende hersenen in de populaire tv-serie Crime Scene Investigation?

De media bieden een hedendaagse versie van het Theatrum Anatomicum. Vroeger werden de anatomische lessen gemotiveerd door een ‘bewondering voor de schepping van God Almagtig’, zoals Frederik Ruysch schreef. Volgens de Engelse filosoof Roger Scruton in de recente Nexusbundel Een anatomie van het verlies komt de tegenwoordige obsessie met het lichaam juist voort uit een afwezigheid van religie. Kort gezegd: we zijn God verloren dus we willen alles weten.

Het ontzag voor het lichaam is geleidelijk verdwenen. De maatschappij houdt zich ondertussen vooral bezig met consumptie en een ongetemde drang tot controle. Maar dood is nou net iets dat niet te controleren is. Het lichaam blijft fascineren omdat het de plek is waar leven en dood in elkaar overgaan. Angst voor het oncontroleerbare (de dood bovenaan) leidt ertoe dat het lichaam steeds heftiger en steeds explicieter geregistreerd en ‘bevochten’ wordt – in gewelddadige realistische fictie, in realiteitsprogramma's en door een algehele obesitas van vlees in de media. Als poging om de dood te bezweren.

The Body komt voort uit deze maatschappelijke situatie, en biedt er een historisch perspectief op. De fascinatie met het onkenbare lichaam, de betekenis ervan voor het zelfbeeld van de mens en de nieuwsgierige vrees voor het onbekende weerklinkt in de tentoonstelling – van een erotisch lijk op een 16de-eeuwse tekening van Annibale Carracci tot het tot diamant geperste lichaamsafval van Marc Quinn. Opmerkelijk genoeg is er in de tentoonstelling, behalve in de contemporaine kunstwerken, niet bijzonder veel aandacht voor nieuwe medische technieken zoals de endoscoop en dna-onderzoek. Maar daar hebben we gelukkig de televisieprogramma's voor.

Meer over