Dolende Berlijner

In de roerige jaren tussen de twee wereldoorlogen ontfermde de Duitse literatuur zich over het lot van de gewone man in de grote stad. In 1929 verscheen Alfred Döblins beroemde roman Berlijn Alexanderplatz over de proletariër Franz Biberkopf, en in 1932 het niet minder bekende Wat nu, kleine man van Hans Fallada. In december van dat jaar kwam de eerste roman van Martin Kessel uit, Herrn Brechers Fiasko, over het dagelijks leven in een Berlijns kantoor. Ruim een maand na het verschijnen kwam Hitler aan de macht en verdween het werk uit het zicht om pas jaren na de oorlog weer te worden uitgegeven.

Eigen taaltje

De roman speelt zich af in de jaren twintig, begin jaren dertig. Berlijn is een bruisende stad, maar naarmate de roman vordert, wordt een naderend onheil voelbaar. In het gebouw van een onbestemd mediabedrijf is hiervan aanvankelijk niets te merken. Op de bovenste verdieping huist de afdeling propaganda, een zeer gemengd gezelschap. De dames en heren hebben als 'absurd amusement' een eigen taaltje ontwikkeld, de u-u-taal. Hun directeur noemen ze Ua-Ua. Ook neemt Kessel de lezer mee naar diverse wijken.

Hoofdpersoon Brecher filosofeert over van alles en nog wat, ook over Duitsland, waar 'zelfvernietiging en zelfbezinning nauw met elkaar zijn verwant'. Hij vraagt zich af wat er met het land gaat gebeuren. 'Is het niet alsof je opnieuw in handen bent gevallen van louter sadisten, die van plan zijn je uit te buiten door te roepen: ik hou van je?'

Oeverloze gesprekken

Brechers fiasco is niet alleen dat hij zijn werk verliest en verarmd en hongerig door Berlijn doolt, maar ook dat zijn radicale ideeën over rechtvaardigheid bakzeil halen, dat hij moet inzien te vechten voor een verloren zaak.

Heer Brechers fiasco verlangt geduld en doorzettingsvermogen. Het verhaal bevat naast geslaagde passages oeverloze gesprekken over bijna niets en gedachtengangen die soms moeilijk te doorgronden zijn. Maar ook heeft de roman, die komische en tragische trekken vertoont, iets profetisch.

Meer over