ColumnSylvia Witteman

Dit is een kookboek voor de MEISJESSTUDENTE, begon het voorwoord. Hm, daar moest mijn zoon maar overheen lezen

null Beeld
Sylvia Witteman

Mijn dochter is al jaren weg en nu dreigt mijn oudste zoon ook al het huis uit te gaan. ‘Maar ik kom wél elke avond thuis eten’, zei hij erbij. Ja, zo kan ik het ook. Thuis eten, thuis de was doen en thuis spullen jatten die ze daar ‘toch nooit meer gebruiken’. Elsschot schreef: ‘Zij zijn gevloôn als gieren voor ’t tempeest/ met stukken van het oude nest bevracht’. Mijn oma, moeder van zeven kinderen, noemde het ‘eten en slepen’.

‘Je leert zelf maar koken’, zei ik tegen mijn zoon. Zijn zus kan het inmiddels ook, dus er is hoop. ‘Nou, dan eet ik wel elke dag kip’, sprak mijn zoon stoïcijns. ‘Lekker goedkoop.’ Kip, dat eten mijn jongens als ik niet thuis ben (en weiger om hun zoveelste bezorgpizza te betalen). Kipfilet uit de koekenpan, met mayonaise op een broodje.

Ik begon te bladeren in een studentenkookboekje uit 1962. Studenttegast heet het. Waarom de spaties ontbreken is mij een raadsel. ‘Dit boekje is noch voor de werkende vrouw, noch voor de ongehuwde vrouw, maar… voor de MEISJESSTUDENTE!’ begon het voorwoord. Hm. Daar moest mijn zoon maar overheen lezen. ‘Afgestemd op uw praktijken, uw kleine huishoudentjes bestaande uit uw eigen pit of die van uw hospita (…) eten is onontbeerlijk, alleen al als ontspanning bij uw studie, en onmisbaar daarbij is het doordachte gekwek van uw vriendinnen.’ Ja, dat vindt hij vast ook.

Wat moet mijn zoon in huis hebben? Zout. Suiker. (‘Neem ook eens ter afwisseling intiem-knappende kandij in uw koffie.’ Intiem-knappende kandij?!) Maggiblokjes. Uien. Aardappels. ‘Evenals uien in het donker bewaren, tenzij u gesteld bent op een welige plantengroei.’ Ik hoor hier de stem van Mies Bouwman bij (en de tune van Zo is het toevallig ook nog eens een keer).

Nou, daar gaat-ie dan. ‘Kool met ham en kaas. Kool (‘met of zonder gesnipperd uitje’) bruin bakken en gaar stoven.’ Wat voor kool zouden ze bedoelen? Ik neem aan witte, groene of savooie. ‘Roer er op het laatst een half ons gesneden ham en een half ons in blokjes gesneden kaas door.’ Dit is beslist lekker, en niet te moeilijk voor mijn zoon. En er zit geen kip in.

‘PIZZA’ kondigt het boekje op pagina 26 unverfroren aan. Benieuwd hoe ze die indertijd klaarmaakten, op dat ene pitje ‘van de hospita’! ‘Klop twee eieren met twee lepels bloem en een scheutje melk. Giet de helft hiervan in een koekepan, waarin een klontje boter is gesmolten. Beleggen met een half ons geraspte kaas, twee geschilde en gesneden tomaten en reepjes paprika. Giet de andere helft van het beslag erover. Aan beide zijden goed doorbakken.’

Een pizza was in 1962, kortom, een stevige, gevulde omelet. Niks mis mee, ook weer zonder kip, en bovendien geschikt voor een ‘intiem dinertje’. Bij dat laatste dient men overigens uitsluitend gekóókte aardappelen op, want ‘patates frites zijn vulgair, dat kunt u toch wel aanvoelen?’ Nog iets dat mijn zoon niet wist…

Het boekje heeft ook een hoofdstuk ‘toetjes’. Ik maak zelden toetjes, tot verdriet van mijn zoon, dus nu kan hij zich uitleven. ‘Een toetje moet zijn als een toegift na een concert. Enerzijds een verrassing, anderzijds een aanvulling. (…) kies het eens in de kleur van uw toiletje voor deze avond of in overeenkomst met uw accessoires: een gelatinepuddinkje in de kleur van uw lipstick, bijvoorbeeld.’ Of anders gewoon zo: ‘Yoghurt bestrooien met suiker en kaneel. Roer er een eetlepel jam doorheen of een scheutje limonadesiroop.’

Prima eten allemaal.

En bovendien: in het hele boekje geen kip te bekennen. Studenten aten geen kip, zestig jaar geleden.

Te duur.

Meer over