EssayDiscomuziek als escapisme

Disco een suf genre? Dan heb je naar de verkeerde muziek zitten luisteren

Een dansavond in 1981 in de New Yorkse discotheek Studio 54. Beeld Getty
Een dansavond in 1981 in de New Yorkse discotheek Studio 54.Beeld Getty

Disco is toch die suffe Travolta-kitsch? Fout! Kustaw Bessems legt uit waarom het genre voor eens en altijd van dat imago af moet. Want disco is gemaakt om te ontsnappen aan de grauwe werkelijkheid. En dat komt nu heel goed uit.

Ik ga nog af en toe uit ’s nachts. We hebben dan een vol programma, mijn vrienden en ik. Kaartjes voor alles, keuze te over: kunnen we én naar dat festival én naar die kroeg én naar die club?

Daarna word ik weer wakker in een wereld waar alle onbevangenheid uit is geperst. Ik dwing mezelf mijn zegeningen te tellen. Dat zijn er veel. En dan, ergens op de dag, loop ik door de stad met oortjes in en disco op.

Dat ik feestjes mis, komt niet als een verrassing. Omringd worden door de mensen die me lief zijn. Of juist opgaan in een naamloze, deinende meute. Maar dat ik dat gemis fysiek zou voelen, als een loden bal in mijn maag, daar had ik nooit bij stilgestaan.

Alle muziekgenres komen tijdens deze pandemie voorbij, maar als ik die bal wil verpulveren, gaat dat het best met disco. Dus ik wandel en werk op disco, sport en kook op disco, dans door de kamer op disco. De bal wordt soms een brok in mijn keel, soms een prik achter de ogen en op de beste dagen vervliegt hij tot iets overblijft dat op berusting lijkt. Met de bitterzoete herinnering aan wat kort geleden zo gewoon leek en hoop op wat hopelijk weer komen gaat.

Disco wordt wel de ideale ontsnappingsmuziek in coronatijd genoemd. Broodnodige luchtigheid in lockdown. Extra ingegeven doordat een stoet popdiva’s – grotendeels toevallig – met succes discoalbums uitbracht: Dua Lipa, Lady Gaga, Jessie Ware, Róisín Murphy, Kylie Minogue, Sophie Ellis-Bextor en iets eerder al Robyn. Vorige week nog bracht de 26-jarige Britse producer SG Lewis met zijn debuutalbum Times een behoorlijk letterlijke ode aan de Amerikaanse dansmuziek uit de jaren zeventig.

Maar iets aan de manier waarop dit escapisme wordt beschreven bevalt me niet helemaal. Disco lijkt in zulke analyses steeds zorgeloze dansmuziek, de poort naar een wereld vol spandex en glittersteentjes, waarin het vingertje steevast heup-lucht-heup-lucht doet. Zeg maar de ludieke bedrijfsfeestversie van disco. Terwijl – pathetiekwaarschuwing vooraf hier – als ik disco luister, ontsnap ik niet, dan verwerk ik.

Waarom gaat dat zo goed op uitgerekend deze muziek, stammend uit een tijd die ik net als alle anderen onder de 55 (laten we 55 aanhouden) nooit bewust heb meegemaakt? En verbeeld ik me dat in disco, met zijn kitscherige imago, diepte en tragiek te horen zijn? En ook belangrijk: waarom heeft Kylie Minogue het net niet en heeft Dua Lipa het nou precies wel?

Een zaal die uit zijn voegen barstte. Geen afstand, geen tests, matige ventilatie, terwijl er wild werd gedanst en keihard meegezongen. Het optreden van Nile Rodgers en Chic op North Sea Jazz 2018 was een van de fijnste shows die ik ooit had gezien. Rodgers voerde het publiek langs de onwaarschijnlijke reeks hits waar hij in zijn veertig jaar als muzikant, schrijver of producer zijn stempel op heeft gedrukt. Van Diana Ross’ Upside Down tot David Bowies Let’s dance en van Madonna’s Like a Virgin tot Duran Durans Notorious. Datzelfde jaar zou hij ook op Lowlands het veld leegtrekken en de Bravotent doen uitpuilen met overwegend jonge festivalgangers.

Tussen de hits door vertelde de toen 66-jarige Rodgers stukjes uit zijn levensgeschiedenis. Dat droeg bij aan de urgentie van het ongebreidelde plezier waarmee hij mensen opzweepte. En hij vertelde nog niet de helft.

Rodgers groeide op aan de door armoede en misdaad geteisterde Lower East Side van Manhattan. Zijn moeder was 13 toen ze hem kreeg. Na meerdere gruwelijke, illegale abortussen kreeg ze nog vier zoons, van verschillende vaders. Niles broers, zijn vader, zijn stiefvader – allemaal aan de heroïne. Hijzelf zou een groot deel van zijn leven verslaafd zijn aan drank en coke, maar wist zich staande te houden met radicaal politiek activisme – bij de Black Panthers – en muziek. Oorspronkelijk opgeleid tot jazzgitarist werd hij met Chic een van de personificaties van het discotijdperk.

In die shows, in dat leven van Rodgers, zit veel besloten. De invloed van disco op dansmuziek tot op de dag van vandaag, ook al wordt die vaak niet als zodanig geëtiketteerd. De grimmige omstandigheden waarin het genre in de tweede helft van de jaren zeventig ontstond. En de reden waarom dat zo geschikt is als troostmuziek: disco is vreugde tegen de verdrukking in.

Niet elke muzikant in het New York van toen had zo’n heftige biografie als Rodgers, maar de stad was zonder meer uitgewoond en gevaarlijk. Amerika kwam uit de Vietnamoorlog, had het hoogtepunt van de burgerrechtenbeweging achter de rug, met alle geweld dat die had losgemaakt, en de gemeente New York zakte in een diepe economische crisis. ‘Voor jonge zwarte mannen was er bijna geen werk’, zegt Steven Collazo van de groep Odyssey, die in 1977 een enorme discohit scoorde met de stadshymne Native New Yorker.

Een groep die hij vormde met zijn moeder en tante, puur om de kost te verdienen. Collazo werd geboren in de sociale huurprojecten van Brooklyn. ‘Ik kan me niet herinneren wanneer ik het fenomeen disco, met die term, gewaar werd’, vertelt hij – in badjas en op slippers – vanuit zijn huis in de buurt van Londen. Hij woont sinds een kwarteeuw in het Verenigd Koninkrijk, waar Odyssey in latere jaren de meeste successen zou behalen. ‘Het ging organisch. Voor mij begon het met funkbands uit de hood, zoals Brass Construction, Crown Heights Affair en BT Express.’

En hij maakte kennis met de clubcultuur. ‘Ik had een baantje in SoHo bemachtigd, in een groothandel voor briefpapier. Op een dag klaagde ik tegen een collega dat ik geen geld had om uit te gaan. Clubs vroegen een flinke entree en verwachtten dat je in een puntgave outfit verscheen. Mijn collega zei dat hij lid was van de Paradise Garage, een paar blokken verder, en dat hij me kon introduceren. Zo kwam ik als hetero in de zwarte gay clubscene terecht en ik vond het fantastisch. Daar kon je je vrij bewegen zonder je iets aan te trekken van wat mensen over je dachten.’

Paradise Garage, dat van 1977 tot 1987 bestond, staat te boek als grondlegger van de moderne clubcultuur en was volgens Collazo ‘het echte werk’, maar werd nooit zo’n begrip als Studio 54 in Midtown, waar de sterren werden voorgereden en waar de portier de mooiste mensen uit de eindeloze rij pikte. Bij Paradise Garage, en al helemaal bij andere, minder bekende gay clubs, droegen de clubgangers die eerste jaren gympen en afgeknipte joggingbroeken. De vaste dj in de Garage, Larry Levan, is een legende van wie de sets nog steeds worden ‘nagedraaid’. Odyssey zou ook op zijn draaitafels belanden.

Deze Levan was op zijn beurt begeesterd geraakt op de besloten huisfeestjes die een andere dj, David Mancuso, vanaf 1970 had gegeven. Het uitnodigingsbeleid was zo divers als diens muzikale smaak. Vooral zwarte en latino gays vonden er een veilige haven. Ieder bracht muziek mee, soms eigen percussie-instrumenten. Hier begon ook Soul Makossa van de Kameroener Manu Dibango aan een onwaarschijnlijke Amerikaanse opmars, het nummer dat disco zwaar zou beïnvloeden met zijn geprononceerde bassen. Je kunt vinden dat er veel toeters en bellen aan discomuziek zitten, maar dat zijn wel toeters en bellen met een authentieke oorsprong, waarin de oprechte hunkering klinkt naar een onbelemmerd leven.

De periode waarin muziek onder de noemer disco de overhand had in de lijsten, was uiteindelijk kort, pakweg van 1977 tot 1980. Die geschiedenis wordt beschreven in de documentaire Disco uit 2016 van Leo Blokhuis, die een indrukwekkend aantal hoofdrolspelers voor zijn camera heeft gekregen. Blokhuis laat zien hoe een onvoorspelbare combinatie van funk, de clubhit uit Kameroen, de synthesizer van de Italiaanse producer Georgio Moroder onder Donna Summers Love to Love You Baby én de gitaarrifjes van Nile Rodgers uitbarst in een totaal nieuw genre, dat de dansmuziek blijvend zou bepalen.

Met als basis steeds de basdrum in vierkwartsmaat, regelmatig op elke tel, de four on the floor. Die ligt nu zo voor de hand dat je je niet meer kunt voorstellen dat iemand hem ooit heeft bedacht. Maar dat gebeurde wel, door Earl Young, drummer uit Philadelphia, in het nummer The Love I Lost van Harold Melvin and the Blue Notes uit 1973. Boven op die basis kende disco een uitzinnige, symfonische experimenteerdrift, waarin elke stijl of geluid kon worden gecombineerd, nogal eens uitgeleefd in nummers waar geen eind aan leek te komen.

‘Ik vond de opkomst van disco afschuwelijk in die tijd’, bekent Blokhuis (59). ‘Hysterisch gedoe. Buitenissig. Mijn geliefde pop- en rockbands – Abba, Queen, tot de Rolling Stones aan toe – lieten zich verleiden tot die discobeat. Ik vond dat een ziekte. Het is nog steeds niet mijn eerste voorkeur, maar ik kijk daar nu wel heel anders naar. Als je beter luistert, hoor je hoe ongelofelijk mooi het is gemaakt, vaak dicht tegen de soul aan. Alle laden van de popmuziek werden opengetrokken en het geluid is warm. Voor de grote, commerciële nummers werden nog orkesten de studio in gesleept. En elektronische muziek werd al wel toegevoegd, maar nog niet gebruikt als shortcut. Het is een hoogtepunt in de opnamekunst geweest.’

Discomarathon op Radio2

Vrijdag 26 februari houdt NPO Radio 2 van 18.00 uur tot middennacht een discomarathon. De uitzendingen van Wouter van der Goes, Frank van ’t Hof en Rob Stenders worden daarvoor gecombineerd.

De weerstand werd gevoed, duidt Blokhuis, doordat de dj’s in de clubs het monopolie van de radio doorbraken. ‘De radio was heel machtig en bepaalde wat hits werden. En platenmaatschappijen hadden hun oren tot die tijd altijd naar de radio laten hangen. Nu ontstond er geduchte concurrentie. Er kwamen hits waar ze bij de radio niets mee te maken hadden en ook niet zo veel mee konden, want zeventien minuten Love to Love You Baby konden ze niet draaien.

‘Achteraf bezien heb ik me toen misschien ook wel laten leiden door popblaadjes en radio-dj’s. Tijdens het maken van de documentaire ben ik geïmponeerd geraakt door de voedingsbodem van disco. De homo-emancipatie was een heel belangrijk aspect.’

Disco was onmiskenbaar zwart, latino, gay en een belangrijk podium voor vrouwelijke vocalisten zoals Donna Summer, Gloria Gaynor en Thelma Houston. Het is opmerkelijk hoeveel teksten van danshits bij beter luisteren gaan over tegenslag, pijn, sociale ongelijkheid en de behoefte om daar ten minste éven aan te ontkomen.

‘Everybody’s startin’ to pick on you’, zingt T-Connection in Do What Ya Wanna Do (1977). ‘Just can’t let them tell you what to do/ You’ve only got one life/ So live it cool/ In this world of strife/ You can’t be a fool’.

In Chics op het eerste gehoor onbekommerde Everybody Dance wordt ons liefdevol toevertrouwd: ‘Dancing helps relieve the pain/ Soothes your mind’. En wie rondhupsend over de dansvloer heeft gedacht dat Gwen McCrae ons in Keep the Fire Burning uitsluitend aanmoedigt om het vuur in de heupen brandend te houden, ziet bij nadere beschouwing dat ze wel meer aan haar hoofd heeft: ‘Violence striking down great men of peace/ Poverty in the homes and crime in the streets/ Kind-hearted people turnin’ to hate/ Man’s about to destroy the human race/ I believe the flame of love is about to die’.

Nile Rodgers, die Studio 54 frequenteerde, beschrijft de discotijd graag als de periode waarin de VS ‘dichter dan ooit bij de utopie’ kwamen. ‘Ik zag homo’s met hetero’s dansen, zwarte met witte en Aziatische mensen.’ Steven Collazo van Odyssey nuanceert dat beeld. Het najagen van vermaak was voor velen doorspekt met wanhoop en bandeloos drugsgebruik, en de meeste clubs waren gesegregeerd. ‘De enige echte discosubcultuur buiten de zwarte gemeenschap was van de Italianen.’ Een van de weinige dingen die volgens hem kloppen aan de verder weinig realistische film Saturday Night Fever.

En zo zijn we bij de film die disco ongekend populair maakte bij een groot publiek, het beeld van disco meer dan wat ook bepaalde én dat beeld vertroebelde. Wie Saturday Night Fever nu ziet, kan enige bevreemding voelen bij het succes. Een goed dansende maar erbarmelijk acterende John Travolta speelt de gekwelde Italiaanse Amerikaan Tony Manero, een karikaturale macho die opgroeit in een verstikkend katholiek gezin in Brooklyn, met een rotbaantje in een verfwinkel en zonder uitzicht op iets beters. Enige uitlaatklep is het dansen in de groezelige plaatselijke discotheek, afgewisseld met drugsgebruik en beurtelings neuken op de achterbank.

Saturday Night Fever gebaseerd op verzonnen artikel

Basis voor de film was een artikel van de Britse muziekjournalist Nik Cohn in New York Magazine over de uitgaanswereld. Dat stuk werd gebracht als non-fictie, maar twintig jaar later gaf hij toe dat het was verzonnen. Cohn, net in de VS, was niet eens in de club geweest en had zich gebaseerd op vroegere ervaringen in Noord-Ierland en Londen.

Zwarten en homo’s komen in de film sporadisch voor, enkel om door het Westside Story-achtige vriendengroepje van Tony te worden uitgescholden. Vrouwen zijn over het algemeen domme wezens die zichzelf aanbieden als gebruiksvoorwerp. De film eindigt in racisme, desillusie, een aanranding door Travolta’s personage, een groepsverkrachting en een zelfmoord.

Nu was met het verhaal destijds niemand bezig. Het ging behalve om de dansbeelden en Travolta’s sexappeal om de soundtrack. Ook die is weinig representatief. Daarop vinden we weliswaar een nummer als Disco Inferno van The Trammps – met four on the floor-uitvinder Earl Young op drums – maar het album wordt natuurlijk gedomineerd door een groep die vanuit de New Yorkse clubs werd bekeken met weerzin en oké, na het uitkomen van de plaat met knarsetandend ontzag: de Bee Gees.

‘Het ging zoals met de meeste moderne muziek die uit een zwarte bron is ontstaan’, verzucht Collazo. ‘Platenbazen denken: wow, een hele zooi mensen gaat naar die clubs en ze kopiëren muziek van elkaar, met onze machine erachter kunnen we daar miljoenen aan verdienen. Ik kan bij de Bee Gees wel horen dat de producers en songwriters iets heel erg goed hebben gedaan. Maar je hoort ook het verschil tussen iemand die een stijl hoogstens kan waarderen en iemand die de muziek voelt.’

Collazo is een dankbare gesprekspartner, want ik blijk met hem niet alleen een weerzin tegen de Bee Gees te delen, maar ook tegen het meeste van Abba en tegen KC and the Sunshine Band (‘Ik heb met ze getourd, het was formulemuziek’).

Van de Bee Gees vinden we ook hetzelfde nummer wél door de beugel kunnen: Stayin’ Alive. Het enige dat een beetje origineel was. Door een ongelukkig toeval – drummer Dennis Byron moest weg naar zijn zieke moeder – is dit het eerste nummer met een drumloop, twee maten die uit Night Fever zijn geknipt, waardoor het iets ruigs krijgt. En dat past weer bij de inhoud, waarvan de ernst menig luisteraar ontgaat: ‘Whether you’re a brother or whether you’re a mother/ You’re stayin’ alive/ Feel the city breakin’ and everybody shakin’/ And we’re stayin’ alive (...) Life goin’ nowhere, somebody help me/ I’m stayin’ alive’.

‘Weinig mensen realiseren zich dat het nummer met alles behalve dansen te maken heeft’, vertelt Robin Gibb in de documentaire The Bee Gees – How Can You Mend a Broken Heart? ‘De tekst noemt dansen helemaal niet. Stayin’ Alive was de invloed die New York op ons had gehad. Het energielevel op dat moment in de late jaren zeventig was echt overleven.’

De duistere inhoud van de B-film ten spijt en ondanks deze poging tot integriteit van Gibb is in het collectieve geheugen maar één ding van Saturday Night Fever overgebleven: John Travolta in zijn witte pak en zwarte overhemd met puntkraag, als icoon van discoglamour. De film maakte disco mainstream, maar, zoals muzieksite Pitchfork schrijft: ‘Disco voor witte heteromannen. Verwaterd en in een veiliger, beter te verkopen pakketje.’

Dat disco zo door de commerciële wasstraat werd gehaald en andere muziek verdrong – begin 1979 stond er in Amerika zelden meer iets anders op nummer 1 – leidde niet alleen tot bredere acceptatie, maar ook juist tot een woedende tegenreactie, een heuse disco sucks-campagne, gedragen door radiozenders. Met als dieptepunt Disco Demolition Night, 12 juli 1979. Wie een discoplaat meebracht om in de rust te verbranden op het veld, mocht met korting naar een honkbalwedstrijd van de Chicago White Sox. 50 duizend mensen kwamen opdagen, twee keer zo veel als waarop was gerekend, en het evenement eindigde in rellen.

De initiatiefnemer, dj Steve Dahl heeft altijd ontkend dat hij racistische of homofobe motieven had. Onder deelnemers waren die er in elk geval. Vince Lawrence, de latere producer, werkte als steward in het stadion en was daar die dag een van de weinige zwarten. ‘Mensen kwamen niet alleen met discoplaten, maar met alles wat maar door een zwarte artiest was gemaakt’, vertelde hij later aan de Britse krant The Guardian. ‘Iemand kwam op me af en zei: hé, jij, disco sucks. En brak in mijn gezicht een plaat in tweeën. Toen voelde ik: oké, ze zoeken mij op omdat ik zwart ben.’

‘Een etnische zuivering’, noemde een aanwezige recensent van muziektijdschrift Rolling Stone het. ‘Het voelde als een boekverbranding door de nazi’s’, zei Nile Rodgers later.

Bij platenmaatschappijen gingen de nog maar net opgerichte discoafdelingen voortaan ‘dansmuziek’ of iets dergelijks heten. Disco was een vies woord geworden, voor lange tijd geassocieerd met wansmakelijke meuk.

Niet dat disco weg was. In de gayclubs werd het nog gewoon gedraaid, vanaf begin jaren tachtig deels als verdoving tegen de aidsepidemie die binnen de homogemeenschappen een verwoesting aanrichtte, terwijl een groot deel van de wereld wegkeek. En er werden grote discoplaten uitgegeven. Madonna’s eerste album? Disco. Off the Wall van Michael Jackson? Disco. Het vroege werk van Prince? Disco. Het mocht alleen meestal niet meer zo heten.

Gevolg dáár weer van is dat veel mensen slechts een handvol oude hits als disco herkennen. Van de organisator van een van mijn lievelingsfeestjes weet ik dat het daarom ‘oppassen is met disco’. Maxime Duvall organiseert, althans dat deed ze vóór corona, Disco Total, kleine feesten waar je iedereen ziet dansen, van de Buitenhof-kijkende boomer tot de 19-jarige genderbender. ‘Maar zet je één keer Let’s All Chant van de Michael Zager Band op, dan gaat het meteen mis. Je zet daarmee de deur open naar nostalgie en een plaatjesaanvraagfeest.’

Duvall heeft dat opgelost door uit te wijken naar nicheplaten (vooral haar grote liefde italodisco). In de streaminglijsten wordt dat patroon nu doorbroken door nieuwe muziek die openlijk disco mag heten en de camp overstijgt. We zitten niet in de eerste revival. In 2005 deed Madonna een chronologische flikflak door met het album Confessions on a Dance Floor terug te grijpen op de jaren waar ze zelf nét na was gekomen. En in 2013 was Random Access Memories van het deze week gestopte Daft Punk al een hommage aan de late jaren zeventig, inclusief nauwe betrokkenheid van Nile Rodgers zelve én met een gesproken tekst van Giorgio Moroder op muziek. Maar de afgelopen paar jaar is de discodichtheid wel opmerkelijk hoog.

Daarbij valt op dat het album dat het meest bewust is gemaakt om de zinnen te verzetten in coronatijd meteen ook het zwakst heeft uitgepakt. Kylie Minogue heeft haar album Disco thuis opgenomen toen de lockdown al was begonnen. In een geïmproviseerde studio en op afstand begeleid door technici. Het album is pure pastiche. Minogue is voor op die kantoorborrel.

De meesten daarentegen hebben begrepen hoe je je laat inspireren zonder te imiteren. De titelsong van Dua Lipa’s Future Nostalgia is nota bene een uitdrukkelijke beginselverklaring, exact daarover: you want a timeless song, I wanna change the game. Disco is bij deze 25-jarige zangeres, vijftig jaar na het ontstaan, geen zwelgen in vroeger maar een levend genre. Wat ze maakt, is zonder twijfel disco en toch zonder twijfel van nu.

Misschien kan de argeloosheid helpen van iemand die de eerste discogolf én de tegengolf niet heeft meegemaakt. Jessie Ware (36) beschreef toen ik haar onlangs interviewde de onschuld waarmee ze door Spotify had geploegd om disco te verkennen, niet belast door de geschiedenis, en hoe ze in weerwil van alle stigma’s had ontdekt hoe ‘groot en gul’ die cultuur is. SG Lewis nam als leidraad voor zijn album het standaardwerk over Amerikaanse dansmuziek in de jaren zeventig, Loves Save the Day van Tim Lawrence, en daaraan heeft hij ontleend dat ‘inclusiviteit’ een onlosmakelijk onderdeel van clubcultuur hoort te zijn. De 85-jarige technicus Alex Rosner, die in de vroege New Yorkse clubs werkte, spreekt op de eerste track, Nile Rodgers speelt een nummer mee.

Róisín Murphy, die zich nooit heeft geschaamd voor disco – in haar tijd als zangeres van Moloko al niet – legde aan The New York Times uit dat ze zich heeft laten inspireren door alles van performancekunst tot gothic rock en dáármee de diep melancholische én vernieuwende én dansbare plaat Murphy’s Law heeft gemaakt: ‘Al die dingen botsen en smelten prachtig samen en worden iets dat over individualisme en vrijheid gaat.’ Ze zingt: ‘What have I got to lose?/ I’m so tired of complaining/ Pretty soon I’ll be breaking loose/ And the scenery’ll be changing’. Eclectisch, sfeervol, een tikje ontoegankelijk, emancipatoir en met een openingsnummer van achtenhalve minuut. De definitie van disco.

Voor Murphy’s concert in september heb ik kaartjes gekocht. Geen idee of het zal kunnen doorgaan. En zo ja, onder welke voorwaarden – getest, met mondkapje, in een sociale bubbel – we er dan heen mogen.

Maar een mens mag dromen.

Wil je ook met disco door de crisis worden gesleept? Kustaw Bessems heeft daarvoor onder gebruikersnaam kustawb de incomplete en geheel particuliere playlist disco escape’ op Spotify gezet.

Meer over