InterviewPaul Brill

Dirigent Willem Mengelberg collaboreerde met de Duitsers én hielp zijn Joodse orkestleden. Tijd voor eerherstel?

Paul Brill bij een portret van zijn vader Samuel Brill (1903-1985), solocellist van het Concertgebouworkest.    Beeld Simon Lenskens
Paul Brill bij een portret van zijn vader Samuel Brill (1903-1985), solocellist van het Concertgebouworkest.Beeld Simon Lenskens

Dirigent Willem Mengelberg werd na 1945 zwaar gestraft voor zijn collaboratie met de Duitsers. Maar hij zette zich ook in voor zijn Joodse orkestleden, zoals de vader van journalist Paul Brill. Is het tijd voor rehabilitatie?

Paul Brill toont twee kopietjes vol hanenpoten. Ze doken onlangs op bij het maken van een documentaire waarvoor hij het idee had geleverd. Voor Brill, de oud-Volkskrant-journalist, verklaren ze een levenslang raadsel. Waarom stond zijn vader, de cellist Samuel Brill, in mei 1941 op het lijstje met drie Joodse orkestleden die chef-dirigent Willem Mengelberg per se voor het Concertgebouworkest wilde behouden?

‘Mijn vader heeft altijd gedacht dat het kwam door zijn auditie in 1936. Hij speelde iets uit het Celloconcert van Edward Elgar, dat was toen nog vrij nieuw en onbekend. Maar hier zie je Mengelbergs aantekeningen van dat proefspel. ‘Techniek zeer goed’, staat er. En een andere kandidaat speelde ‘lang niet zo goed als Brill’. Ik denk dat Mengelberg mijn vader gewoon de beste vond.’

Die ontdekking vormt de bijvangst van De lijst van Mengelberg, een documentaire die de Evangelische Omroep op dinsdag 4 mei uitzendt. Regisseur Jaap van Eyck pluist erin uit hoe het de Joodse leden van het Concertgebouworkest en hun nazaten in en na de Tweede Wereldoorlog is vergaan.

Paul Brill (1947) komt in de film prominent voor. Hij neemt poolshoogte bij het onderduikadres van zijn vader op de Veluwe. Hij bezoekt het Zwitserse chalet waar de wereldvermaarde maestro zijn laatste jaren sleet, vereenzaamd en verarmd. Want, het is bekend, Willem Mengelberg (1871-1951) werd na de oorlog gestraft voor zijn collaboratie met de Duitsers.

‘En toch’, zegt Paul Brill in zijn Haarlemse woonkamer. ‘Van de zestien Joodse musici in het Concertgebouworkest hebben er dertien de oorlog overleefd, een opmerkelijk hoog aantal. En dat is mede te danken aan het feit dat Mengelberg voor hen in de bres sprong.’

Mengelbergs biograaf Frits Zwart heeft er eerder al pagina’s over geschreven, met naam en toenaam van de geredden, onder wie ook tientallen niet-orkestleden. Nieuw in de documentaire zijn de verhalen van nazaten als Paul Brill. Van mensen die met reden aannemen dat ze hun bestaan danken aan Mengelbergs tussenkomst. Wat de vraag opwerpt: verdient Nederlands meest beroemde en verguisde dirigent eerherstel?

Tot aan de oorlog was hij een nationale held. Willem Mengelberg, de dirigent van Nederlands-Duitse komaf, had het Concertgebouworkest vanaf 1895 gekneed tot een van ’s werelds beste. Hij haalde componisten als Gustav Mahler en Richard Strauss naar Amsterdam. In de jaren twintig was hij een wereldster die op en neer voer naar zijn tweede orkest, het New York Philharmonic.

In juli 1940 viel hij van zijn sokkel. Niet alleen dirigeerde Mengelberg in de Reichshaupstadt Berlijn, hij gaf ook nog eens een interview aan de nazipartijkrant Völkischer Beobachter. Het stuk wekte de suggestie dat de maestro champagne dronk terwijl zijn landgenoten leden. Een slecht mens? Paul Brill schrijft Mengelbergs gedrag eerder toe ‘aan de politieke naïviteit van een man die meende dat cultuur, en dan vooral de Duitse, ver boven het aardse verheven was’.

Paul Brill  Beeld Simon Lenskens
Paul BrillBeeld Simon Lenskens

Hoe sprak uw vader over hem?

‘Muzikaal zeer bewonderend. Ik heb het ook gemerkt in gesprekken met anderen die hem hebben gekend: Mengelberg was een dirigent met een zeldzaam gezag.’

Maar hij kon ook bot zijn. Een Joods orkestlid kreeg te horen: als je niet beter speelt, kan ik niks voor je doen.

‘Mengelberg was een ouderwets autoritaire dirigent. Daarvan had je er meer in die tijd, denk aan Arturo Toscanini. Bejubelde kunstenaars die zich navenant gedroegen.’

Hoe pakte zijn bescherming voor uw vader uit?

‘In mei 1941 zat Mengelberg te pleiten bij Seyss-Inquart, de Reichskommissar van Nederland. Zonder Joden, zei Mengelberg, ging zijn orkest eraan. Seyss-Inquart hield de poot stijf, tot Mengelberg zou hebben verzucht: ‘Al mocht ik er maar drie houden!’

Dat werden een violist, een altist en de cellist Samuel Brill (1903-1985). In september viel het doek voor het trio alsnog: Joden werden verbannen uit openbare gebouwen, inclusief het Concertgebouw. Samuel Brill kreeg ‘vakantieverlof’, ging celloles geven en bereidde meteen zijn latere onderduik voor.

Paul Brill: ‘Eind 1943 werd hij opgepakt bij een razzia en tewerkgesteld op Schiphol. Saillant: een Hollandse arts keurde hem meteen goed. Maar een Duitse arts keek nog eens goed naar zijn handen. Dat waren niet die van een werkman. Wat is uw beroep?, vroeg hij. Mijn vader had de tegenwoordigheid van geest te zeggen dat hij in het Concertgebouworkest van Willem Mengelberg speelde. U mag naar huis, zei de arts, maar morgen moet u zich melden. Nog dezelfde dag dook hij onder.’

Samuel Brill vertrok naar Hattem, waar hij onderdak vond bij zijn celloleerling Otto Voorhoeve. In de documentaire ziet Paul Brill voor het eerst de badkamer waar zijn vader op de vloer sliep. Buiten neemt hij poolshoogte bij ‘het hol’: een overdekte kuil waar Samuel Brill en zeven, acht andere onderduikers bij onraad heen vluchtten.

‘Daar zaten ze dan een dag, of een nacht, of nog langer verscholen. Voor zover mijn vader er iets over losliet waren het heroïsche verhalen. Dat ze er gezellig konden kaarten. Nou, volgens mij zaten ze in doodsangst.’

In april 1945 was Hattem niet langer veilig. Dwars door bezet gebied fietste Samuel Brill terug naar Amsterdam. Tot aan de bevrijding op 5 mei dook hij onder aan de Koninginneweg, thuis bij zijn niet-Joodse vrouw en twee dochters.

Al die tijd dirigeerde Mengelberg door. Ook in bezet Parijs, in het voorjaar van 1944. Nog geen twee weken na D-day, de landing van de geallieerden in Normandië, sloot hij een Beethovencyclus af met de Negende symfonie. Het luchtalarm loeide, een Feldwebel maande hem te stoppen, maar Mengelberg moest en zou het Alle Menschen werden Brüder voltooien.

Zijn gedrag werd hem na de oorlog zwaar aangerekend. In Nederland kreeg hij een dirigeerverbod, aanvankelijk levenslang, later ingekort tot zes jaar. Doordat ook zijn paspoort was ingenomen kon Mengelberg vanuit zijn Zwitserse woning nergens heen. Hij overleed nog voor het dirigeerverbod verviel.

Zijn chalet, Chasa Mengelberg, werd later ingericht als retraiteoord voor musici. En laat de vioolspelende tiener Paul Brill daar tot twee keer toe een vakantie hebben doorgebracht, in 1962 en 1963, in het gezelschap van zijn moeder.

Portret van Samuel Brill. Beeld Simon Lenskens
Portret van Samuel Brill.Beeld Simon Lenskens

Hoe was dat?

‘Ik herinner me vooral de Mengelbergadoratie die er hing. De Chasa werd inmiddels beheerd door een voormalige violiste uit het Concertgebouworkest. Mengelbergs werkkamer was nog onaangeroerd. Op een dag sloop ik er binnen en vond een stapel lovende kritieken uit zijn jonge jaren. ‘Ja, dat ben ik!’, stond er in de marge.’

In de documentaire bent u opnieuw in de Chasa.

‘Dit keer samen met de biograaf Frits Zwart. Ik kon trouwens in Mengelbergs slaapkamer overnachten, heel bijzonder. En in de kelder stonden we perplex. Daar liggen nog altijd stapels jaargangen van de Völkischer Beobachter te vergelen.’

Mengelbergs opvolger, Eduard van Beinum, dirigeerde in juli 1945 het eerste naoorlogse optreden van het Concertgebouworkest. Samuel Brill kreeg zijn aanstelling terug. Net als andere orkestleden neigde hij ernaar Mengelberg te vergeven. In 1948, het orkest bestond 60 jaar, richtten tientallen musici een bedankje aan de verbannen chef. Een jaar later stuurde de gastdirigent Paul Hindemith hem vanuit Amsterdam een kaartje met ‘besonders freundlichen Gedanken’. Tot de medeondertekenaars behoorde Samuel Brill.

Tijd voor rehabilitatie? Sommige sprekers in de documentaire voelen er weinig voor. ‘Daarvoor heeft de mens Mengelberg te veel laten liggen’, zegt de historicus Pauline Micheels, auteur van het boek Muziek in de schaduw van het Derde Rijk. David Bazen, directeur van het Koninklijk Concertgebouworkest, vat zijn oordeel krachtig samen: ‘Een groot musicus, maar een klein mens.’

Geen misverstand, zegt Paul Brill, Mengelberg was fout. ‘Maar hoe je het ook wendt of keert, weinig Nederlanders kunnen zich beroemen op een zelfde inspanning om mensen te redden. Op een gegeven moment ging het zelfs opvallen. Hou eens op met interveniëren, zeiden de autoriteiten, ze beschouwden hem bijna als een Jodenvriend.’

Pleit u voor eerherstel?

‘Aan dat soort woorden probeer ik me te onttrekken. Ik wil de geschiedenis niet herschrijven, maar de documentaire toont dat het een genuanceerd verhaal is. Zonder Willem Mengelberg had ik waarschijnlijk niet geleefd.’

De lijst van Mengelberg, 4/5, NPO 2, 22.45 uur.

De Barneveldgroep

Joodse musici werden in 1941 gedwongen het Concertgebouworkest te verlaten, maar mede dankzij Willem Mengelberg kregen ze als ‘verdienstelijke Joden’ een aparte status. Veel van hen kwamen met hun gezin terecht in het Barneveldse kamp-Schaffelaar, zoals de violist Sam Tromp. In de documentaire De lijst van Mengelberg vertelt zijn zoon Aat Tromp hoe ze vanuit Barneveld alsnog werden doorgesluisd naar Westerbork en verder. Toch bleef de voorkeursbehandeling van de ‘Barneveldgroep’ goeddeels intact. De Trompen werden niet, zoals zovelen, op transport gezet naar een vernietigingskamp. Ze kwamen terecht in Theresienstadt, zogenaamd een ‘modelkamp’, maar de omstandigheden waren niet minder dodelijk en deportatie naar Auschwitz dreigde. Uiteindelijk ontsprongen ze de dans. Bij een uitruilactie in februari 1945 werd het gezin-Tromp op een personentrein gezet, ‘met ramen en banken’, naar het neutrale, veilige Zwitserland.

Yad Vashem

Paul Brill heeft zijn Joodse achtergrond lang veronachtzaamd. ‘Pas de laatste 10, 15 jaar houd ik me er meer mee bezig. Toen ik in Israël bij Yad Vashem was, de herdenkingsplek voor de Holocaust, zag ik dat zo’n twaalf leden van mijn familie in de gaskamers zijn omgekomen. Verdorie, dacht ik, ik ben dan wel niet gelovig, maar alleen al om hen te eren en respecteren moet ik mijn Joodse identiteit serieus nemen.’

Meer over