ColumnManon Spierenburg

‘Ding-dong, de trein naar Haarlem stopt op perron 2’

Auteur en scenarist Manon Spierenburg schrijft wekelijks een column over hoe het steeds stiller wordt om haar heen nu ze doof wordt.

null Beeld Douwe Dijkstra
Beeld Douwe Dijkstra

Hoewel ik had gezegd dat ik nóóit kinderboeken zou gaan schrijven – alleen maar omdat ik zelf een kind had gekregen – eed ik dat natuurlijk toch. Sterker nog: dat ene kinderboek werd een hele reeks, en die reeks werd weer door de AvroTros verfilmd voor Z@pp en om dingen nog meer uit de hand te laten lopen, vond iedereen het een goed idee dat ik een auteurstoer zou doen langs scholen en boekhandels door het hele land. Toen wisten we natuurlijk nog niet dat ik al behoorlijk doof was. Er wordt wel eens gezegd dat wanneer er een zintuig uitvalt de andere vier scherper worden Daar heb ik geen last van. Ik blunder me door het leven als Frank Drebin uit de Naked Gun-trilogie: terwijl ik in mijn stille onderwaterwereld zit, botsen om mij heen auto’s op elkaar, staat het bezoek in de stromende regen de bel door de deur te drukken en valt er vlak achter me een piano van driehoog uit het raam te pletter op de stoep.

Zo iemand moet je vooral op scholentoer sturen. In zalige onwetendheid dacht mijn uitgeefster dat het wel verantwoord was om me met de trein te laten gaan. ‘Ding-dong, De trein van 9 uur 25 naar Haarlem stopt op perron 2', zong een mevrouw door de intercom, waardoor ik even later met 220 km p/u richting Heerlen zoefde. Na de onnodige complicaties en schuttingtaal die deze vergissing met zich meebracht, was ik dus wéér te laat. Teleurgestelde kinderen die weken bezig geweest waren iets voor te bereiden waarvoor nu geen tijd meer was. De week daarvoor was hetzelfde gebeurd toen ik in Best stond in plaats van in Beesd en wie hoort in godsnaam het verschil tussen Zandvoort en Santpoort? Vanaf dat moment werd ik heen en weer gereden door iemand van de uitgeverij.

Dat loste het probleem in ieder geval gedeeltelijk op. Ik was op tijd en voorlezen uit eigen werk lukte nog wel. Maar hoe bestaat het dat in al die tijd niemand in de gaten heeft gehad dat ik geen woord heb gehoord van wat ze zeiden? Honderden klassen heb ik gezien, met docenten gepraat, vragen van kinderen beantwoord, boeken gesigneerd. Achteraf gezien realiseer ik me dat ik helemaal niets heb meegekregen van alles wat zich die in die jaren heeft afgespeeld. Hoe heb ik dat gedaan? Routine? Waarschijnlijk. Hebben de kinderen raar opgekeken van de antwoorden die ik gaf? Nog waarschijnlijker. Dachten de boekhandelaren dat de auteur cognac in de theepot had gegooid zodat tenminste niemand zag dat ze voor de lunch al aan de drank was? Moet haast wel.

Tegenwoordig vertel ik voor ieders veiligheid alleen nog maar verhalen vanachter mijn schrijftafel. En ik ga ook niet meer met de trein.

Meer over