Diep duistere gedachten

Plastic regenjasjes voor het publiek in Berlijn, als bescherming tegen het water dat tijdens de voorstelling Ulrike Maria Stuart van het toneel afspat....

Hein Janssen

Berlijn, 6 mei 2007 – de voorstelling Ulrike Maria Stuart opent het prestigieuze Duitse theaterfestival Theater Treffen en veroorzaakt na afloop heftige discussies.

Wenen, 13 mei 2007 – de voorstelling Babel trekt op een zwoele zondagavond in het Akademietheater een keurig Weens theaterpubliek, dat voor aanvang een glaasje sekt drinkt en na afloop gaat souperen.

Auteur van beide stukken: Elfriede Jelinek.

Regisseur van beide stukken: Nicolas Stemann.

Sinds zij in 2004 de Nobelprijs voor literatuur won, is het werk van Elfriede Jelinek ongekend populair in het Duitstalige theater. In haar eigen land Oostenrijk, maar ook in Duitsland en Zwitserland, worden zeer regelmatig nieuwe stukken van Jelinek uitgebracht en oude hernomen. Een treffend voorbeeld: Über Tiere, haar nieuwste stuk, is op 8 mei bij het Wiener Burgtheater in wereldpremière gegaan, maar beleefde afgelopen zondag al een tweede opvoering bij het Deutsches Theater in Berlijn. Een nieuw stuk dat binnen een maand twee verschillende opvoeringen krijgt: in Nederland zou zoiets ongekend zijn. Alsof het nieuwe stuk van Maria Goos in dezelfde periode door en Het Toneel Speelt en het Nationale Toneel opgevoerd zou worden.

De populariteit van Jelineks theaterwerk blijft vooralsnog beperkt tot het Duitstalige gebied. In Nederland dringt haar werk nauwelijks door: Nederlandse groepen wagen zich er vanwege de moeilijkheidsfactor niet aan, buitenlandse voorstellingen zijn hier maar zelden te zien. Het Holland Festival wilde een paar jaar geleden Ein Sportstück naar Amsterdam halen, maar dat ging om praktische redenen niet door. Dit jaar is het wel gelukt: Elfriede Jelineks Babel is op 10 en 11 juni te zien in de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Babel is in 2005 gemaakt en staat nog steeds op het repertoire van het Wiener Burgtheater. Bij het schrijven ervan heeft Jelinek zich laten inspireren door de oorlog in Irak, maar Babel is zeker geen voorstelling over het hoe en waarom van deze specifieke oorlog. Jelinek vraagt zich meer in het algemeen af hoe het mogelijk is dat in een moderne beschaving oncontroleerbare excessen voorkomen als de martelingen in de Abu Ghraib-gevangenis. En ook hoe het mogelijk is dat lynchpartijen en openbare onthoofdingen weer tot het normale oorlogsrepertoire zijn gaan behoren.

Babel is allesbehalve een realistische toneeltekst – sterker nog: het stuk tart alle wetten van de normale dramaturgie, waarin plotopbouw en karaktertekening doorgaans belangrijke elementen zijn. In drie afzonderlijke teksten – in wezen monologen die de diepduistere gedachten van de schrijfster zelf verwoorden – onderzoekt Jelinek thema’s als het nieuwe barbarisme, kannibalisme, de macht van de manipulerende media, en het steeds meer afgestompt raken van de moderne mens. Maar los van deze theoretische kwesties, stelt ze zich ook de meest simpele en basale vraag: ‘Waarom sturen moeders in godsnaam hun zonen de oorlog in?’

Het Burgtheater omschrijft haar stuk als ‘een culturele en antropologische reis naar de afgrond van de mensheid en de vervlechting van geweld, seksualiteit en religie in onze samenleving.’

Deze loodzware, bij tijd en wijle ontoegankelijke tekst, blijkt het hoofd van regisseur Nicolas Stemann danig op hol te hebben gebracht. Hij heeft er fantastisch, schokkend, maf, idioot en groots theater van gemaakt. Zijn Babel is een gitzwarte, soms tamelijk irritante, altijd verrassende, en ook wel vette revue geworden. Stemann rafelt Jelineks hermetische tekst uit elkaar, maakt daar allemaal losse draden van, vlecht die weer in elkaar, knipt, plakt en speelt leentjebuur bij Las Vegas-shows en televisie-entertainment.

Om een paar voorbeelden te noemen: negen kikkers die eruit zien als getormenteerde Kermits voeren een oorlogs-Muppetshow op; in een bloemetjesbehangdecor verstikken een vader en een moeder het leven van hun zoon; jonge soldaten verkleden zich als slechte travestieten; het kruisbeeld van Jezus wordt doodgemoedereerd vervangen door een foto van Bin Laden. Een Oosters meisje spreekt een even tergend als minutieus relaas uit over het opeten van een mensenlichaam, waarbij geen detail onbesproken blijft.

Babel van Jelinek/Stemann is een bombardement van licht, geluid, tekst, muziek en beeld, en laat de toeschouwer in lichte verbijstering achter. Jelinek houdt haar publiek een spiegel voor – niet een mooie, glasheldere spiegel, maar een gebroken spiegel die de werkelijkheid vervormt. En gelukkig ook een beetje een lachspiegel, met dank aan de enorme theatraliteit waarmee Stemann dit literaire werk met gruwelijke frivoliteiten heeft uitgedost.

Nicolas Stemann (38) behoort op dit moment met Thomas Ostermeier van de Berlijnse Schaubühne en Andreas Kriegenburg van het Thalia Theater in Hamburg tot de grote, nieuwe theatermakers van Duitsland. Hij maakte in 2002 indruk met Hamlet, ook toen al uiverkoren voor Theater Treffen, en regisseerde in 2004 zijn eerste Jelinek-stuk Das Werk. Afgelopen zondag vond dus bij het Deutsches Theater in Berlijn de première plaats van zijn vierde Jelinek-regie: Über Tiere. Een stuk over prostitutie en vrouwenmishandeling, over hoe verachtelijk mannen over vrouwen praten, over begeerd willen worden en slachtoffer zijn. Sinds enige tijd mag Stemann zich derhalve in de welwillende aandacht van de schrijfster verheugen. ‘Jij bent mijn co-auteur, jij moet van mijn woorden theater maken’, heeft ze tegen hem gezegd.

Stemann: ‘Terwijl ik geen moment heb gedacht dat ik voor het regisseren van haar werk geschikt zou zijn. Eigenlijk vind ik het een enorme opgave Jelineks tekst op papier te lezen, en ik geloof nog steeds dat er ergens een groot misverstand zweeft tussen haar teksten en mij. Maar juist die strijd tussen dit weerbarstige materiaal en mijzelf maakt het spannend. Ja, ze voelt zich in elk geval door mij begrepen.

‘Ik ben gefascineerd door de manier waarop zij met taal omgaat. Ein Theaterstück staat boven Babel en Ulrike Maria Stuart, maar eigenlijk schrijft zij helemaal geen toneel. Babel bestaat bijvoorbeeld uit drie monologen, in lengte variërend van 20 tot 70 bladzijden tekst. Geen enkel personage, geen enkele regieaanwijzing. En toch is haar taal op een bepaalde manier heel theatraal.’

Jelinek heeft Stemanns laatste regies niet zelf in het theater gezien. Ze lijdt aan angstaanvallen en pleinvrees, en komt haar huis in Wenen niet meer uit. Ze woont nog steeds in haar ouderlijk huis, waarin ze lange tijd met haar moeder samenwoonde. Naar verluidt omringt ze zich daar met pluche dieren. Na het bekijken van de video-opnamen van haar stukken, heeft ze Stemann per e-mail laten weten ‘zeer ingenomen’ met zijn werk te zijn.

Stemann gebruikt in zijn voorstellingen graag elementen uit de populaire cultuur, popmuziek, entertainment, televisie. Met als doel zijn publiek herkenbare beelden en stijlen voor te zetten, en die herkenbaarheid vervolgens weer flink onderuit te halen. Volgens hem gaat Babel niet eens zozeer over de Irak-oorlog zelf en hooguit impliciet over de martelingen in de Abu Ghraib-gevangenis. Voor hem is het een uitbundig exposé over de honger naar schokkende beelden, naar fysieke ellende, naar mensenvlees en bloed, en over hoe de media daar een enorme industrie van maken.

Stemann: ‘Jelinek vindt dat wij deel van de oorlog zijn geworden, enkel en alleen door naar de tv-beelden ervan te kijken. Ze laat daar vervolgens heel veel Freudiaanse verwijzingen op los, met ingewikkelde moeder-zoon relaties en verboden seksuele verlangens. Ze zoekt de grens op waar het geciviliseerde ophoudt en het barbarisme begint. Die twee liggen volgens haar dichter bij elkaar dan wij denken.’

Het regisseren van Hamlet en onlangs nog van Schillers Don Carlos noemt hij kinderspel vergeleken met het werken aan een Jelinek-tekst. ‘Die klassieke stukken zijn zo duidelijk van opbouw, die regisseren als het ware zichzelf. Met Jelinek moet ik een veel grotere strijd leveren. Voor ons beiden moet theater altijd politiek zijn, althans zich tot de politiek verhouden. Maar het fijne van theater is dat het anders met actuele onderwerpen kan omgaan dan de politiek. De politiek probeert de complexiteit te reduceren, ik probeer in mijn theater die complexiteit juist niet uit de weg te gaan.’

Meer nog dan in Babel heeft Stemann van Ulrike Maria Stuart een bonte avond over terrorisme gemaakt – of zoals de Süddeutsche Zeitung het noemde: een ‘Haloween-Horror-Musical’. In dit stuk verbindt Jelinek Schillers klassieke tragedie Maria Stuart (over de strijd tussen Elisabeth 1 van Engeland en Maria Stuart van Schotland) met die tussen Ulrike Meinhoff en Gudrun Ensslin, twee prominente leden van de Rote Armee Fraktion, de links-extremistische beweging die in de jaren zeventig Duitsland in haar greep hield. Meinhoff en Ensslin, veroordeeld wegens medeplichtigheid aan een aantal politieke moorden, pleegden in 1976 en 1977 zelfmoord in hun gevangeniscel. Geheel toevallig kreeg dit stuk een hoge actualiteitswaarde omdat de afgelopen weken in Duitsland een fel publiek debat losbarstte over de vraag of de RAF-leden die nu nog in de gevangenis zitten na meer dan dertig jaar gratie moeten krijgen.

In Ulrike Maria Stuart pakt Stemann stevig uit. Halverwege de voorstelling krijgt het publiek ballonnen gevuld met water toegeworpen, die naar de spelers en naar poppen op het podium gegooid mogen worden. Die poppen stellen allerlei Duitse prominenten voor: een CDU-politicus, een bankdirecteur, een bekende tv-presentator, de befaamde theatermaker Claus Peymann. Intussen maken de acteurs met liters nepbloed, pis, stront en kots een enorme puinzooi op het podium, als een groteske parodie op het politieke vormingstoneel van de jaren zeventig.

Twee enorme pratende vagina’s, een lekker kitschnummer van Robbie Williams (I will talk and Hollywood will listen), drie blote mannen met een varkenskop voor hun geslachtsdelen, een korte voorvertoning van de film Der Untergang 2 – het is opnieuw een grote freakshow, waarin niettemin Jelineks thema’s angstaanjagend aan de orde worden gesteld. Vrouwen die zich niet langer laten onderdrukken, maar naar de wapens grijpen, latente moederhaat, zelfvernietigingsdrang, en op den duur een onverdraaglijke eenzaamheid. Ja, Ulrike Maria Stuart is post-ideologisch theater in optima forma.

Maar tegen het eind komt de regisseur zelf het podium op, met een pruik op het hoofd die een sterke gelijkenis vertoont met de haardracht van Jelinek. Hij draagt vervolgens een schitterende monoloog voor, waarin Ulrike Meinhoff vlak voor haar dood haar leven overziet. In wezen is deze tekst een gefluisterde oerschreeuw van Jelinek zelf: ‘Alleen het vergeten worden, zal mij ten deel vallen.’ Beide vrouwen willen nog maar één ding: slapen, slapen, slapen. Maar er is niemand om hun haar te strelen, om ze welterusten te wensen. Waarmee alle grote thema’s terugvallen op dat ene verlangen: naar geborgenheid.

Meer over