Die dekselse tovenaar is een beetje malende Max Schuchart herzag zijn vertaling van 'In de ban van de ring'

Zo'n tachtig boeken heeft hij vertaald (Malamud, Rushdie, Graham Greene), maar geen bracht hem zoveel roem als J.R.R. Tolkiens 'The Lord of the Rings'....

MAX SCHUCHART (77) was jong, argeloos en onervaren, toen hij halverwege de jaren vijftig van Daniel de Lange, hoofdredacteur van Het Spectrum, een hoofdstuk uit een Engels boek kreeg opgestuurd met het verzoek 'daar eens naar te kijken'. Hij was stomweg maar begonnen. Welke passage het precies was, weet hij niet meer. Wel dat het één grote natuurbeschrijving was met veel bergen, veel groen, veel wuivende bomen, slingerende bospaden en kabbelende beekjes.

En als hij ergens gloeiend de pest aan heeft, dan zijn het eindeloze beschrijvingen van natuur of gebouwen. 'Dus het was niet eens het aardigste stuk wat ze me hadden gegeven.' Maar hij zag wel meteen dat het goed geschreven was.

Vertalers hebben veel gemeen met oplossers van kruiswoordpuzzels, denkt Schuchart. 'Het is, behalve de inhoud, het vinden van adekwate oplossingen wat het werk boeiend maakt. Gek gezegd: het kan je op een gegeven moment niet meer schelen wat er staat.'

Uitgever en vertaler konden toen nog niet precies bevroeden wat ze in handen hadden. Een geniaal sprookje; de bijbel voor een generatie; de roman die van fantasy een serieus literair genre maakte; of een megalomaan experiment van een taalwetenschapper die niet alleen een beetje kierewiet was maar ook van de verkeerde politieke kant?

Veel is er intussen beweerd over John Ronald Reuel Tolkien en zijn oeuvre, maar The Lord of the Rings (vertaald als In de ban van de ring) wordt nog steeds gelezen, besproken, geadoreerd, nagespeeld en verguisd. Het favoriete boek van minister Jorritsma (bron: Rails) - volgens de Londense uitgever vertaald in 'every major language and a great many smaller ones' - is begin dit jaar in Engeland zelfs tot 'boek van de eeuw' gekozen.

Dat boek moet zeker nog mee kunnen tot 2025, bedacht Max Schuchart op zeker moment, maar híj niet. Was het geen goed idee als hij de vertaling zou opfrissen? Het duurde even voordat Het Spectrum het nut daarvan inzag, maar toen 'ze' eenmaal akkoord waren, moest het ook snel gebeuren. Anderhalf jaar lang heeft hij er gestaag aan gewerkt. Van de uitgever kreeg hij, goddank, diskettes met zijn eigen tekst. Die vergeleek hij met de laatste Engelse editie. Woord voor woord, zin voor zin. Dit voorjaar lag hij in de winkel: de 'eerste druk in herziene vertaling', een dikke pil van 1401 bladzijden.

'Drommels' is vervangen door 'deksels' in 'die drommelse ouwe tovenaar' (voor that dratted wizard) en Bilbo Balings van Balingshoek is niet langer altijd 'nogal geschift' geweest, volgens de mare in de Gouw, maar 'een beetje malende' (rather cracked, Eerste Boek, Hoofdstuk II). Veel heeft hij veranderd, maar vooral 'kleine dingen': constructies die niet helemaal lekker liepen en ouderwets taalgebruik. De fouten die er van meet af aan hebben ingezeten, domweg omdat de vertaler het werk nog niet ten volle kon vatten, zijn nu ook verbeterd.

'Die commentaren die er later bijkwamen, had je toen nog niet. Een hele hoop mensen, onder wie ik, dacht dat die appendix over die talen en zo flauwekul was, en dat kun je natuurlijk nog steeds wel denken. Maar het was wetenschappelijk verantwoord. We wisten echt niet waar we mee bezig waren, hoor. Ik vond het verhaal en de taal mooi. Als je goed leest, zie je een staalkaart van stijlen.'

Zijn oeuvre beslaat een paar planken van de kleine werkkamer in Den Haag. De onderste plank is met een plaat afgeschermd, tegen het krabben van de kat. Aan de wand, heel Tolkiaans, een aquarel van Stonehenge; daarboven een luchtfoto van de zestiende-eeuwse Engelse cottage waar hij eind jaren zeventig met zijn vrouw woonde. Een heel klein dorpje was het, vertelt Schuchart met glimoogjes. 'Geen winkels, niet eens een pub, en helemaal omgeven door de golvende velden die zoveel keer per jaar van kleur veranderen, bijzonder mooi.'

Zo'n vijfenzeventig à tachtig boeken heeft hij vertaald, maar niet één bracht zoveel reacties teweeg als In de ban van de ring. Hij werd en wordt erover opgebeld, kreeg brieven. Haagse dames hielden hem staande om te zeggen hoe geweldig het was. En uit Friesland kwam de vraag of hij wellicht bereid was een wandtapijt met daarop een scène uit het boek te aanvaarden.

De maakster had het Tolkien zelf aangeboden, maar hij had niet gereageerd. Schuchart schreef 'graag' terug en 'wat aardig van u'. Kwam er weer een briefje: Tolkien heeft alsnog van zich laten horen, hij wil het wel hebben, nu ben ik voor u een andere aan het maken. Welnu, dát is het kleed dat nog steeds bij hem in de huiskamer hangt. Van Frodo en Bilbo en een mensenfiguur, in donkere aardse kleuren, hier en daar bezet met een flonkertje.

Zegt Schuchart: 'Als er één ellende aan Tolkien zit voor mij, dan is het dat heel veel mensen denken dat ik alleen maar dit soort dingen mooi vind en vertaal.'

Hij was een 'moeilijke jongen' die wel eens een gedichtje schreef. Correspondent in Engeland wilde hij worden. Even volgde hij een cursus journalistiek aan de universiteit van Londen, maar die moest hij afbreken; de oorlog dreigde en het ging slecht met 'de zaken' van zijn stiefvader. Via via kwamen zijn ouders in aanraking met Victor van Vriesland, dichter/filosoof en chef kunstredactie van de Nieuwe Rotterdamse Courant. Van hem wilden ze wel eens weten of het wat voorstelde, die krabbels van hun zoon. Aldus kwam Max bij hem in de leer.

Heel interessant, zegt Schuchart, het was 'een soort universitaire cursus van één professor en één student'. Later, toen Van Vriesland in Bergen-Binnen onderdook, ging hij mee als zijn secretaris. Als hij hem ergens dankbaar voor is, dan is het dat hij hem 'de hele techniek van het poëzie schrijven' heeft bijgebracht.

Van Vriesland nam tritsen gedichten met hem door. 'Ik herinner me bijvoorbeeld nog iets van Swinburne met een heel ingewikkeld rijmschema. Dat werd behandeld en dan zei hij op een goeie dag: nu moet je zelf een gedicht schrijven op die manier, precies volgens dat metrum, op een onderwerp dat je zelf lollig lijkt.

'Nou hadden wij thuis Japanse theekopjes, waarvan ik dacht dat ze Chinees waren, maar goed. Vervolgens kwam ik bij hem met het gedicht Het Chinese theekopje; dat kan ik je zo laten lezen, het is door Gerrit Komrij opgenomen in zijn bloemlezing. . , ik vind er zelf geen klap meer aan, maar dat gedicht was meteen goed.

'Zo leerde hij je vormgeven. Je wordt er natuurlijk geen dichter door, maar toch altijd nog een goeie sinterklaasrijmelaar.'

Zonder die technische achtergrond had hij The Lord of the Rings nooit kunnen vertalen. De gedichten in het boek waren het moeilijkst, maar ook een 'speciale attractie' waar hij bijzonder veel eer mee inlegde.

Eén keer heeft hij Tolkien persoonlijk ontmoet. In 1958, bij het hobbitdiner ter zijner ere in Rotterdam. Schuchart werkte inmiddels op de persafdeling van de Britse ambassade in Den Haag en kon door omstandigheden niet op tijd aanwezig zijn om aan de 'voorgezelligheid' deel te nemen. 'We hebben handen geschud en toen gingen we aan tafel en dat was dat.'

Bij die gelegenheid klom Tolkien op een stoel en begon zijn tafelrede met de woorden: 'Beste luitjes' - dezelfde aanhef als Bilbo Balings van Balingshoek gebruikte in zijn afscheidsspeech in het eerste hoofdstuk van In de ban van de ring. Schuchart heeft het met smaak gememoreerd in het petieterige 'brochuretje' Tolkien, In de ban van zijn werk (1983). Het kwam hem op een vinnige reactie te staan van René van Rossenberg, voorzitter van het Nederlandse Tolkiengenootschap Unquendor, die ervan overtuigd is dat Tolkien niet op een stoel was gaan staan.

Schuchart: 'Hij was er niet eens bij. Iedereen begon te lachen, ze dachten dat die man gek was. Niemand kende hem nog en zijn boeken ook niet, dus ze wisten niet dat het een citaat was. Je zou moeten nagaan wie er nog in leven zijn van dat gezelschap. . . Maar het is evengoed een aardig verhaal, niet?'

Het meningsverschil heeft de voorzitter van Unquendor er niet van weerhouden Schuchart in 1996 de 'Gouden Speld' op te prikken. De vertaler voelt zich vereerd, maar van hem hoeft het niet zo, zo'n genootschap. 'Wat doen die jongens? Ze hebben allemaal een rol genomen uit het boek, ze trekken pakjes aan en zo spreken ze elkaar aan.'

Nu hij erover nadenkt: het is heel wel mogelijk dat hij destijds expres te laat kwam voor het hobbitdiner (met egg-salad à la Barliman Butterbur, fricandeau à la Gimli en een pijpje pijpkruid toe). Tolkien had per post niet mis te verstane kritiek gespuid op de verregaande vernederlandsing in de vertaling, die toen nog in de maak was. 'Van hobbits had ik geloof ik hobbels gemaakt. Daniel de Lange wilde dat ik de vreemde woorden en namen zo veel mogelijk zou vernederlandsen. Maar Tolkien had er lucht van gekregen en was nogal boos geworden. Dus toen is er minder vernederlandst.

'Misschien dat ik in de rats zat vanwege die brief. Het was een vreemde man, hoor. Op de ambassade was een man die college bij hem had gelopen. Die had geen goed woord voor hem over. Tolkien? Die man is helemaal gek, die ziet echt elfen, die práát met elfen. Maar hij was, denk ik, wat de burgerman een wat vreemde figuur noemt. Een geniale man natuurlijk, vandaar.'

Als vertaler debuteerde Schuchart met Resquiescat, een gedicht van Oscar Wilde. Van Vriesland had hem 'in het kader van de opleiding' gevraagd het te vertalen en het opgenomen in een poëzie-bloemlezing.

Maar zijn eerste prozavertaling was van Brighton Rock van Graham Greene. 'Dat boek had ik geleend. Het was oorlog en ik zat de hele dag thuis, min of meer ondergedoken. Ik vond het zo'n fantastisch boek, ik was er helemaal kapot van. Ik dacht: de enige manier waarop ik het in mijn bezit kan houden, is door het te vertalen. Zo maak je het je eigen, je lééft er een tijdje mee. Het was geen goeie vertaling, moet ik zeggen. Het is wel uitgegeven, maar ik heb het zelf niet eens meer.'

Het vertalen is daarna doorgegaan, naast het gewone werk. Na de oorlog kon hij, alweer via-via, 'bij Het Handelsblad komen'. En met een beurs van de Unesco ging hij alsnog naar Engeland om journalistiek te studeren - 'whatever that means'. Daar in Liverpool leerde hij zijn vrouw kennen; zij ging mee terug naar Amsterdam, er kwamen tegelijkertijd twee jongetjes, en dus, nou ja goed, hij moest meer geld gaan verdienen. Maar Het Handelsblad wilde geen opslag geven.

Zevenentwintig jaar heeft Schuchart daarna op de persafdeling van de Britse ambassade gewerkt. In dezelfde tijd schreef hij recensies van moderne Engelse en Amerikaanse literatuur voor Het Vaderland. En met tussenpozen vertaalde hij in de jaren 1957/59 de drie delen van The Lord of the Rings. Uitermate lovend werd het boek ontvangen, maar geen hond kocht het. Ofschoon de publiciteit rond de Martinus Nijhoffprijs, die Schuchart in 1959 mocht ontvangen, wel een duwtje in de goede richting gaf.

DAAROP BESLOOT Het Spectrum ook The Hobbit, het voorspel tot The Lord of the Rings, uit te geven als pocket. In 1960 verscheen het, en achterin was een passage uit de kloeke voorganger opgenomen, 'zodat de lezer. . , hoe zeg je dat, his appetite could be whetted'. En jawel, door De Hobbit ging In de ban van de ring ook lopen.

'Het is moeilijk te zeggen of Tolkien eerst De Hobbit schreef. Hij schreef veel door elkaar. Ik geloof zelfs dat die hele zaak is begonnen met De Silmarillion, dat als laatste uitkwam. Dat vond hij zelf zijn grote werk. Die droge mythologie, daar ging het hem om.

'Niet gelezen? Moet je ook niet doen, tenzij je verslaafd bent aan zijn werk.'

Watershipdown van Richard Adams, die andere hit uit de jaren zeventig, heeft hij ook vertaald, en nog meer Adamsboeken. Na het succes van Tolkiens Ring stonden de fantasy-uitgevers bij hem op de stoep in de rij met tweede, derde en vierde Tolkiens. 'Je raakt er automatisch in verzeild, en zo werk je je alsmaar dieper in het moeras.'

Twee fantasy-pillen van ene meneer Goodkind heeft hij vertaald ('Affreus. Slecht gecomponeerd. Niet lezen! Nooit kopen'), maar ook Salman Rushdies Midnight's Children (Middernachtskinderen), dat dit jaar weer herdrukt wordt. 'Heel grote literatuur.' Maar nummer één op zijn lijstje, de favoriet uit zijn oeuvre, is toch The Once and Future King van T.H. White. 'Dat zou ik je kunnen aanraden. Dat is zo charmant, zo enig. Daar komt een tovenaar Merlijn in voor die van achteren naar voren leeft. Dus hij is wijs with hindsight, hij weet alles al.

'Daar ben ik gek op. Het is mooi geschreven, met fantasie, en het is luchtig. Ik hou eerlijk gezegd van grappige boeken. Het liefst zou ik dolkomische boeken vertalen.'

Max Schuchart vertaalde onder andere:

J.R.R. Tolkien: In de ban van de ring, De Hobbit, De Silmarillion, Nagelaten vertellingen (Het Spectrum).

Richard Adams: Waterschapsheuvel, Shardik (Het Spectrum).

T.H. White: Koning voor eens en altijd (Het Spectrum).

Brian Moore: De verklaring (Luitingh-Sijthoff), Stille leugens (Poema-pocket).

Patrick McGrath: Spin (Ooievaar-pocket).

Tad Williams: Staartjager's zang, De drakentroon, De steen des afscheids, De groene engeltoren (Luitingh-Sijthoff).

Meer over