Dichter Bloem leed aan mateloos drankgebruik

De gedichten van J.C. Bloem getuigen van een grote beheersing van de vorm. In het dagelijks leven was hij echter nogal losgeslagen....

Biograaf Bart Slijper noemt het een wonder dat Bloem gedichten heeft kunnen schrijven en dat hij de Nederlandse literatuur heeft kunnen verrijken met regels als ‘Domweg gelukkig, in de Dapperstraat’. Slijper (1963) hoopt 10 mei aan de Rijksuniversiteit te Groningen te promoveren op de biografie ‘Van alle dingen los. Het leven van J.C. Bloem’. Hij stelde zijn proefschrift samen uit oud en nieuw materiaal, zoals brieven, essays en interviews.

Welgestelden
Bloems familie behoorde tot de klasse van de welgestelden die hoge functies bekleedden, maar voor het geld niet hoefden te werken. De grootvader van de dichter was minister van Financiën en hoogstwaarschijnlijk een onechte zoon van koning Willem II, die regeerde van 1840 tot 1849. Bloems vader was burgemeester van Oudshoorn, een dorp bij Alphen aan den Rijn. Het gezin van de dichter had aan geld geen gebrek, totdat het in 1904 in een financieel debacle terechtkwam. Plotseling waren zijn ouders armlastig. Bloem schaamde zich, schreef hij later. ‘Ik vond het zo een vernedering’.

Onder druk van zijn vader ging Bloem rechten studeren. Dat was gezien het milieu waarin hij was opgevoed, een logische keuze. Toch pakte ze voor de dichter verkeerd uit, want hij moest daarna banen aannemen als ambtenaar en griffier aan kantongerechten in Lemmer, Breukelen en Zutphen waarin hij zich diepongelukkig voelde. Mede door zijn onvermogen zich aan de omstandigheden aan te passen greep hij steeds vaker naar de drank. Volgens Slijper was Bloem niet lui, maar vond hij haast niets de moeite waard om zich in te spannen. ‘Hij zette zich alleen in voor dingen die wezenlijk waren.’

P.C. Hooftprijs
Bloem overleed op 10 augustus 1966 in Kalenberg in de Kop van Overijssel. Zijn ex-vrouw, de dichteres Clara Eggink, verzorgde hem op het laatst van zijn leven. Bloem ontving in 1953 de P.C. Hooftprijs.

Slijper, die in Groningen Nederlandse taal- en letterkunde studeerde, publiceerde in de jaren negentig een toelichting op twee briefwisselingen van Bloem, met de dichters Albert Verwey en Hendrik Marsman. Ook redigeerde hij een bundel essays over de dichter: Verlangen zonder vorm en zonder naam (1993).

Meer over