Dichtende boer als bezienswaardigheid

Non-fictie Liefdevolle grafsteen voor vroeg gestorven H.K. Poot...

Een van de venijnigste gedichten uit de Nederlandse literatuur is het grafschrift waarmee Gerrit van de Linde alias De Schoolmeester zijn collega Hubert Korneliszoon Poot (1689-1733) bijzette: ‘Hier ligt Poot/ Hij is dood.’

Poot had dat voor de hand liggende rijmwoord op zijn naam voorzien, getuige de regels: ‘Voorwaar ik meende dat men Poot/ allang gerekend had voor dood.’ Hij schreef ze op het keerpunt van een bestaan dat begon met grote verwachtingen, maar uitdoofde in depressies en een vroege dood. Desondanks schreef hij enkele gedichten die tot de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur worden gerekend.

Hubert Poot was een boerenzoon uit Abtswoude, bij Delft. Zijn enige scholing kreeg hij op de dorpsschool van Schipluiden, die hij moest verlaten om zijn vader op de boerderij te helpen. Hij was een kunstzinnige jongen, met talent voor vioolspelen, tekenen en dichten. Zijn familie steunde hem niet echt, maar gunde hem een kamertje om te schrijven. Het boerenleven had zijn hart niet. Hij dichtte hoe hij tijdens de oogst smeekte om regen, zodat hij het werk op het land kon laten liggen voor zijn boeken.

Zijn eerste bundel, Mengeldichten (1716), was een groot succes. ‘De boer is waard geprezen [. . .], de boer heeft veel gelezen [. . .], de boer verstaat zijn taal’, dichtte een recensent. Voor het 18de-eeuwse publiek was een dichtende boer zo bijzonder, dat Poot een toeristische attractie werd.

De jonge Poot moet hebben gelezen als een bezetene. Hij kende niet alleen zijn grote Nederlandse voorgangers Hooft en Vondel, maar ook, via vertalingen, klassieke dichters als Horatius en Vergilius. Zijn succesvolle debuut gaf Poot de hoop, dat hij van schrijven zou kunnen bestaan. In 1723, 34 jaar oud, vertrok hij naar Delft om zich te vestigen als dichter. Al snel belandde hij in een depressie, die hij probeerde in alcohol te verdrinken. Nog geen jaar later keerde hij terug naar de boerderij.

Al voor zijn Delftse tijd ontbrandde de liefde van Poot voor burgemeestersdochter Neeltje ’t Hart. Omdat hij niet genoeg verdiende duurde het tot 1732 voordat Poot, toen in de veertig, eindelijk met haar kon trouwen. De laatste vlam van zijn leven flakkerde maar kort: zijn dochtertje Jacoba, geboren in 1733, stierf binnen twee weken na haar geboorte.

Daarop dichtte Poot ‘Op de dood van mijn dochtertje’:

Jakoba trad met tegenzin

ter snode wereld in;

en heeft zich aan het end geschreid,

in hare onnozelheid.

Zij was hier nauw verschenen,

of ging, wel graag, weer henen.

De moeder kuste ’t lieve wicht

voor ’t levenloos gezicht,

en riep het zieltje nog terug:

maar dat, te snel en vlug,

was nu al opgevaren

bij Gods verheugde scharen.

Daar lacht en speelt het nu zo schoon,

rondom den hoogsten troon;

en spreidt de wiekjes luchtig uit,

door wee nog smart gestuit.

O bloem van dertien dagen,

uw heil verbiedt ons ’t klagen.

Omdat de kleine Jacoba nu gelukkig is in de hemel, blijven de klachten de ouders in de keel steken. Een paar maanden later zou de dichter zelf overlijden, slechts 44 jaar oud.

Riet Schenkeveld-van der Dussen heeft meer dan een half leven met het werk van Poot doorgebracht. Al in 1968 verscheen haar dissertatie over de dichter. Na al die jaren kent ze hem goed, zo blijkt uit dit afgewogen en liefdevolle levensverhaal. Het wordt gecompleteerd door een ruime bloemlezing uit de gedichten. Een mooie grafsteen voor een dichter, die als gevangene van de grond zijn verbeelding hoog kon laten vliegen.Clara Strijbosch

Meer over