Dichtend op de barricaden

Rederijkerskamers staan te boek als genootschappen van dichters. Het is nog mooier, ontdekte cultuurhistoricus Arjen van Dixhoorn. Leden scherpten elkaar in het politieke debat....

In 1619 schrijft de getalenteerde jonge snaak Constantijn Huygens een gedicht. Het geschrift is gericht aan rederijkerskamer het Vreuchdendal in Breda. 'Cloeck-geestich Vreuchden-dal, daer ick behoor te leeren/hoe een bedochten Sin, op Maet en Rijm te keeren...' Met andere woorden: 'Hallo wijze en vernuftige rederijkerskamer, alwaar ik moet leren hoe ik een gedachte moet verwoorden op rijm en in ritme...'

Wat zullen we nou krijgen? Rijkeluiszoontje Huygens hoeft toch niet te rade te gaan bij het truttige zootje zondagsdichters dat een rederijkerskamer is, om zijn geniale gedachten te leren verwoorden? Dat moet een vergissing zijn van deze telg van de elite. Te meer daar volgens de geschiedenisboeken de rederijkerskamers in 1619 hun maatschappelijk aanzien al kwijt zijn, de elite zoekt haar vertier elders. Wat zoekt een Huygens er dan nog?

Huygens vergist zich niet, iemand als hij is bij de rederijkers absoluut aan het juiste adres. Zegt historicus Arjen van Dixhoorn. Verontwaardiging kleurt zijn stem. De letterkundige geschiedschrijving, zegt hij, bejegent de rederijkerskamers onheus en schrijft ze ook nog een dikke eeuw te vroeg af. Donderdag promoveert hij aan de Vrije Universiteit in Amsterdam op Lustige geesten, een portret van de rederijkerskamers in de noordelijke Nederlanden.

De misvatting is, aldus Van Dixhoorn, dat rederijkerskamers worden afschilderd als verenigingen van mensen die in de eerste plaats literair geïnteresseerd zijn. De kamers zijn volgens hem echter vooral een maatschappelijke beweging.

Het rederijkers-principe waait eind vijftiende eeuw over vanuit de zuidelijke Nederlanden, het tegenwoordige België. De eerste noordelijke kamers ontstaan in 1480 in Zeeland en Holand. Van schriftelijk doorgegeven literatuur is dan nog nauwelijks sprake, de boekdrukkunst dateert pas van rond 1455. Cultureel erfgoed wordt vooral mondeling doorgegeven aan een breder publiek, met behulp van uit het hoofd geleerde gedichten en toneelstukken. Ook onder rederijkers.

Maar hoewel uiteraard juist hun geschriften zijn overgeleverd, is schrijven niet het doel van de rederijkerskamers, maar het middel, aldus Van Dixhoorn. Doel is mannen - vrouwen mogen geen lid worden - op te voeden tot goede redeneraars. Tot mensen die in het maatschappelijk verkeer hun standpunt fraai en adequaat kunnen verwoorden. 'Daarmee vormen de rederijkers een schakel tussen de wereld van het geschreven en die van het gesproken woord. Ze zijn een voorhoede, gericht op vernieuwing, verbetering en intellectualisering van de maatschappij.'

Kijk maar, zegt Van Dixhoorn, naar de bloeiperiodes van rederijkerskamers. Telkens wanneer in de samenleving sprake is van onlusten en conflicten, schieten nieuwe rederijkerskamers als paddestoelen uit de grond. De al bestaande groeien, en er worden rederijkersfestivals georganiseerd, waarbij kamers uit verschillende regio's het tegen elkaar opnemen in de welsprekendheid. 'Je ziet dezelfde beweging als nu: als er politieke onrust is, hebben de burgers de behoefte zich te mengen in het debat.'

Van Dixhoorn wijst op twee periodes vol rellen. Tijdens de laatste fase van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, eind vijftiende eeuw, rommelt het rond de heerschappij over de Nederlanden.

Hertog van Bourgondië Karel de Stoute sterft in 1477, en laat de Nederlanden na aan zijn dochter, Maria. Zij trouwt met Maximiliaan van Habsburg. Maar Maria sterft, en haar zoon Philips de Schone is te jong om te kunnen regeren. Daarom gaat de macht over de Nederlanden over in de Habsburgse handen van Maximiliaan, met als gevolg enorme onrust onder de bevolking. Gedurende die periode ontstaan de eerste rederijkerskamers.

Later, in 1517, spijkert Maarten Luther zijn reformatorische stellingen aan de kerkdeur van Wittenberg. Veel rederijkers willen hervormingen, maar het centrale gezag is katholiek. En jawel: rond 1525 worden veel rederijkerskamers vervolgd omdat ze het reformatorisch gedachtengoed verspreiden.

Van Dixhoorn ziet de kamers daarmee niet als gezelligheidsverenigingen voor literatuurliefhebbers, maar als een stevig maatschappelijke verschijnsel. Uit de ledenlijsten die zijn overgeleverd, blijkt wie er deel van uitmaken. Opmerkelijk is dat mannen uit vrijwel alle klassen er lid van worden, de allerlaagste uitgezonderd. Lidmaatschap is niet duur. Het is heel normaal dat vooral begin-twintigers een jaar of langer in een rederijkerskamer zitten.

De kamers variëren sterk in grootte, ze tellen alles tussen een handjevol en honderd leden. Het aantal leden blijft altijd beperkt, om het gevoel van veiligheid te waarborgen: de leden gaan per slot met de billen bloot, ze moeten nog leren discussiëren en spreken aanvankelijk struikelend en stamelend. Ze willen daarom niet uitgelachen worden.

De noordelijke Nederlanden tellen uiteindelijk zo'n honderdvijftig kamers, evenzeer in steden als in dorpen. Zeventiende-eeuwse schrijvers als Bredero, Hooft en Vondel zijn een tijdje lid, net als schilders zoals Frans Hals en Karel van Mander.

De traditionele geschiedschrijving wil dat de literair-amateuristische rederijkerskamers eind zestiende eeuw worden ondergesneeuwd door de hoogstaandere Nederlandse Renaissanceletterkunde. Geen sprake van, aldus Van Dixhoorn. Want vanwege de avant-garde-functie van de kamers zijn de vroege Renaissancisten juist daar te vinden. Zo blijft er ook na opkomst van de Renaissance een stevige rederijkersbeweging.

Het teloorgaan van de kamers heeft een veel latere, logische reden. Vanaf 1650 komen de eerste kranten en tijdschriften op. Gevolg daarvan is een ommezwaai van een overwegend mondelinge, naar een geschreven cultuur.

Verzorgd kunnen spreken wordt minder belangrijk en de rederijkerskamers verschuiven naar de marge. Helemaal verdwenen zijn ze echter nooit: tot de dag van vandaag kennen Haarlem en het Zeeuwse Hansweert een heuse rederijkerskamer. Die bestaan echter niet meer uit jonge lieden, maar uit verstokte oude rederijkers.

Meer over