Review

Deze tentoonstelling kijkt goed, maar let niet op de teksten

Zelden oogde Van Gogh frisser dan in deze groepstentoonstelling over kleur eind 19de eeuw, maar de teksten doen de tenen krullen. De inrichting is tot in de puntjes verzorgd, de toelichting is helaas weinig doortastend.

Tuin te Arles van Vincent van Gogh (1888) Beeld Gemeentemuseum Den Haag
Tuin te Arles van Vincent van Gogh (1888)Beeld Gemeentemuseum Den Haag

Zeg het maar, Vincent: 'Het is dus een kleur die niet echt is vanuit het realistische gezichtspunt van een trompe-l'oeil, maar een kleur die een of andere emotie suggereert, een temperamentvolle vurigheid.' Aldus schreef Vincent van Gogh aan broer Theo over zijn schilderij Het Nachtcafé (1888), daarmee doelend op iets wat wij tegenwoordig beschouwen als een volstrekte vanzelfsprekendheid: de artistieke vrijheid om kleur los te koppelen van de waarneembare werkelijkheid. Simpeler gesteld: een geschilderde koe mag ook blauw zijn. Het Gemeentemuseum wijdt aan de geboorte van dat fenomeen in de Lage Landen nu een ambitieuze groepstentoonstelling.

Deze expositie, een samenwerking met het verbouwende Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, trof me als typisch Gemeentemuseum, in de zin dat ze een blakende, tot in de puntjes verzorgde inrichting paart aan een schetsmatige, vaak weinig doortastende toelichting. De Hagenaren zijn eraan te herkennen, soms, hoe fraaie beeldcombinaties (Mondriaan, Gestel, Van Heemskerck) en een fijnzinnige wisselwerking tussen schilderij en achtergrond (zelden oogde Van Gogh frisser dan hier) worden ontsierd door een vertoog vol half verteerde ideeën en knullige pleonasmen ('innerlijke emoties', 'visuele observaties' et cetera). Het maakt een bezoek wat dubbelhartig: men kijkt met plezier, maar leest met gekrulde tenen,

Wát men leest is, met permissie, ouwe koek. Iedere student kunstgeschiedenis met een propedeuse op zak kan u vertellen dat kleur eind 19de- begin 20ste eeuw een vrijere toepassing kreeg - soms in een poging tot ontregeling van de zinnen (Jan Sluijters), soms in een poging tot transcendentie (Mondriaan). De samenstellers, die dat weten, kapselen het daarom in in een breder cultuurhistorisch verhaal. De bevrijding op de kleur, menen zij schatplichtig aan Philipp Bloms bekroonde cultuurgeschiedenis De duizelingwekkende jaren, zou direct verband houden met technische innovaties en sociale omwentelingen in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog.

'Vloer'

Misschien was het kunstenaar Arie Schippers die erop wees, misschien een andere schilder; Van Goghs talent voor, zoals diegeen dat noemde, 'de vloer'. Met vloer wordt bedoeld het grondplan van een schilderij, het speeltoneel, dat wat het mogelijk maakt je oog op verkenningstocht te laten gaan. Van Goghs latere werk kan altijd bogen op zo'n levendige 'vloer', en Tuin te Arles (1888), het werk dat in het Gemeentemuseum misschien wel het allerbest tot z'n recht komt, is daarvan een illustratie. Die tuin is allesbehalve exact of fijn-schilderachtig weergegeven. Zij bestaat uit een wemeling van korte felle streepjes en kringels en bliksems en kleine en grote stippen; het is, kortom, een levendig en direct geheel dat toch nergens afgeraffeld oogt. De ogen van de schilder, dat laat zich navoelen, hebben die tuin tot in de verste hoeken afgegraasd. De onze volgen.

Het is een dappere en prijzenswaardige poging om buiten de platgetrapte kunsthistorische paden te treden, die in deze vorm evengoed allesbehalve overtuigt. Zwakke schakel in het betoog: de schilders zelf. Die maakten hun sprongen ver van de culturele snelkookpannen als Londen, Parijs, Sint-Petersburg. Ensor, bijvoorbeeld, was verkleefd met Oostende. Matisse hield kwartier in het Franse vissersdorpje Collioure. Van Gogh zat in Arles. Rik Wouters in Watermaal, Wallonië. Dat er daar aan de rand van het Zoniënwoud op een goeie dag een verdwaalde suffragette opdook, het valt natuurlijk niet uit te sluiten, maar in de regel gold: splendid isolation.

In de Haagse selectie laat zich dat terugzien. Die oogt niet zozeer dynamisch, als wel rustiek. Pastoraal. Tijdloos, hier en daar zelfs. Van dat breiende vrouwtje van Lemmens tot het Rode Huis van Wouters (prachtig doekje, trouwens) tot dat oude besje aan het venster van Van de Velde (met ouderwetse boerenmuts, godbetert) - het zijn taferelen waarvan, schuivende kleurregisters en zwenkende lijnen daargelaten, weinig getuigt dat ze níét in de 17de eeuw plaats hadden. Ter verbeelding van een tijdsgewricht op drift zijn ze ongelukkig gekozen, of het moet zijn als tegenreactie daarop, als zelfverkozen ballingschap à la Herman de Vries.

Een interessante figuur in deze context is het paradepaardje van het Gemeentemuseum, Piet Mondriaan. Die ging binnen enkele jaren van hoekige, tonaal geschilderde land-schappen naar kloeke, vaak monumentale stukken met rode bomen, roze torens enzovoorts. Die evolutie kun je prima in verband brengen met de geest van de tijd, de opkomst van alternatieve levenswijzen, theosofie of, zoals architectuur-historicus Auke van der Woud in z'n recentste boek, uitleggen als een vlucht uit een materialistischer wordende burgercultuur, maar in Den Haag domineren de vertrouwde frasen over het 'autonome beeldvlak' en 'kleur als expressiemiddel'. Die Zeeuwse toren blijft dus precies dat: een oud ding, verankerd in een oude wereld. Enkel duizelingwekkend voor wie er bovenop staat en lijdt aan hoogtevrees.

Kleur ontketend: moderne kunst in de lage landen 1885-1914. Gemeentemuseum Den Haag, t/m: 3/1, catalogus 24,95 euro.

Het rode huis, late sneeuw van Rik Wouters (1907-1908) Beeld Lukasart
Het rode huis, late sneeuw van Rik Wouters (1907-1908)Beeld Lukasart
Meer over